ECLI:NL:RBMNE:2026:4504

Datum uitspraak
08-07-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
12058437 \ UC EXPL 26-480
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eiser deed de administratie van gedaagde. Omdat eiser deels is tekortgeschoten hierin, hoeft gedaagde maar een deel van haar facturen te betalen. Eiser moet in reconventie een boete die gedaagde van de Belastingdienst heeft gekregen vergoeden.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: 12058437 \ UC EXPL 26-480 BJvd/61199

Vonnis van 8 juli 206

in de zaak van

[eiser] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: [gemachtigde] , directeur,

tegen

[gedaagde] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: [gemachtigde] , directeur.

1 De procedure

1.1

De kantonrechter heeft de volgende stukken:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 5,- de conclusie van antwoord in conventie met producties 1 tot en met 9 en de eis in reconventie.

1.2

Op 22 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij was namens [gedaagde] aanwezig de heer [gemachtigde] , directeur en enig aandeelhouder van [gedaagde] . Namens [eiser] was niemand aanwezig. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken.

1.3

Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.

2 De kern van de zaak

2.1

Partijen zijn overeengekomen dat [eiser] de administratie voor [gedaagde] verzorgde. [eiser] vordert betaling van een aantal facturen die [gedaagde] niet heeft betaald. [gedaagde] stelt dat zij deze facturen niet hoeft te betalen, omdat [eiser] de werkzaamheden niet of niet goed heeft uitgevoerd. In reconventie vordert [gedaagde] betaling van schadevergoeding, waaronder een boete die de belastingdienst haar heeft opgelegd omdat haar belastingaangifte te laat was gedaan. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] een deel van de facturen van [eiser] moet betalen en dat [eiser] de boete van de belastingdienst aan [gedaagde] moet vergoeden. Omdat beide partijen deels ongelijk krijgen worden de proceskosten gecompenseerd.

3 De beoordeling

in conventie

De vordering van [eiser]

3.1

vordert betaling van € 2.577,30, vermeerderd met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdsom bestaat uit zes facturen voor het verzorgen van de administratie van [gedaagde] , waarvan vier facturen over 2024 en twee facturen over 2025.

[gedaagde] heeft een deel van de werkzaamheden zelf gedaan

3.2

[gedaagde] stelt dat zij haar verplichting tot betaling van de facturen in 2024 heeft opgeschort, omdat [eiser] haar werkzaamheden niet goed uitvoerde. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de heer Hlimi verder uitgelegd dat hij vindt dat hij de facturen inmiddels niet meer hoeft te betalen, omdat [eiser] veel werkzaamheden waarvoor zij facturen heeft gestuurd helemaal niet heeft gedaan. Zo heeft [eiser] in 2024 slechts drie van de vier btw-aangiftes gedaan voor [gedaagde] . Verder moest [gedaagde] zelf de aangifte vennootschapsbelasting over 2024 doen, terwijl [eiser] dit volgens [gedaagde] op grond van de overeenkomst tussen partijen had moeten doen. Dit is door [eiser] niet weersproken.

3.3

De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] wel moet betalen voor de werkzaamheden die [eiser] wél heeft gedaan. [gedaagde] moet dus een deel van de facturen over 2024 van [eiser] betalen. Door [eiser] is niet weersproken dat zij in 2025 geen werkzaamheden voor [gedaagde] heeft gedaan. De facturen over 2025 ter hoogte van € 907,50, hoeft [gedaagde] daarom niet te betalen.

[gedaagde] moet € 834,90 aan [eiser] betalen

3.4

Door [eiser] is niet weersproken dat de aangifte van de vennootschapsbelasting in verhouding twee keer zoveel werk is als het doen van de btw aangifte. In totaal zijn er in 2024 vier btw aangiftes gedaan, waarvan drie door [eiser] . In verhouding kan het totaalbedrag aan facturen van [eiser] verdeeld worden over vier keer de btw-aangifte, plus de vennootschapsbelasting die wordt begroot op twee keer de btw-aangifte. Dat betekent dat [eiser] de helft van de werkzaamheden die zij op grond van de overeenkomst had moeten doen daadwerkelijk heeft gedaan.1 Daarom moet [gedaagde] de helft van het totaalbedrag aan facturen in 2024 (€ 1.669,80/2 = € 834,90) aan [eiser] betalen. Er wordt een bedrag van € 834,90 toegewezen.

[gedaagde] moet de wettelijke handelsrente aan [eiser] betalen

3.5

[gedaagde] is in verzuim met de betaling van een deel van de facturen van [eiser] , namelijk € 834,90. Daarom moet [gedaagde] de gevorderde wettelijke handelsrente over dit bedrag aan [eiser] betalen. Volgens [gedaagde] werden de facturen per kwartaal aan haar verzonden, maar had hij de gewoonte om de facturen altijd tegen het einde van ieder jaar in één keer te betalen. Dat heeft [eiser] niet weersproken. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [gedaagde] de facturen van [eiser] over 2024 in ieder geval uiterlijk op 31 december 2024 aan [eiser] zou betalen. Dat betekent dat het verzuim is ingetreden op 1 januari 2025. Vanaf die datum moet [gedaagde] de wettelijke handelsrente over het toegewezen bedrag aan [eiser] betalen.

[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen

3.6

[eiser] vordert betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 386,60. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. [gedaagde] heeft weliswaar laten weten dat zij haar betalingen heeft opschort, maar opschorting ontsloeg [gedaagde] niet van haar betalingsverplichting van de werkzaamheden die al wél waren uitgevoerd en waarvoor al telkens per kwartaal facturen waren verzonden die [gedaagde] in feite al had moeten voldoen. Tot betaling van die facturen wordt hij in dit vonnis veroordeeld. [eiser] mocht hiervoor een incassotraject starten. Ook heeft [gedaagde] aangevoerd dat de incassowerkzaamheden door hem als onprettig zijn ervaren omdat er niet gereageerd werd op zijn pogingen contact te leggen en de inhoud van zijn reactie. Ook dit neemt echter niet weg dat er wel een verplichting voor [gedaagde] is ontstaan om te betalen voor de incassowerkzaamheden. Daarom moet [gedaagde] de buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser] betalen.

3.7

[eiser] heeft het bedrag van de buitengerechtelijke incassokosten gebaseerd op de totale vordering van € 2.577,30. In dit vonnis is bepaald dat € 834,90 daarvan wordt toegewezen. De buitengerechtelijke incassokosten moeten daarom opnieuw worden berekend op basis van dit bedrag en het Besluit. Daarom zal een bedrag van € 125,23 aan buitengerechtelijke kosten worden toegewezen.

[gedaagde] moet ook de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten betalen

3.8

[eiser] vordert de wettelijke handelsrente over de buitengerechtelijke incassokosten. Buitengerechtelijke (incasso)kosten zijn een vorm van vermogensschade.2 Omdat de wettelijke handelsrente-regeling uit de wet3 niet van toepassing is op schadevergoedingsbedragen, is alleen de wettelijke rente van artikel 6:119 BW toewijsbaar. [gedaagde] is in verzuim met de betaling van de buitengerechtelijke kosten. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, zoals gevorderd.

in reconventie

3.9

[gedaagde] vordert in reconventie betaling van € 4.757,00 aan schadevergoeding en de wettelijke rente daarover. [gedaagde] stelt schade te hebben geleden omdat [eiser] haar werkzaamheden niet of niet goed heeft uitgevoerd. De schade bestaat volgens [gedaagde] uit:

  • de verzuimboete van de Belastingdienst van € 2.757,00;

  • de tijdsbesteding van de heer Hlimi voor het herstel en de communicatie met [eiser] (8 uur tegen een uurloon van € 125,00) € 1.000,00;

  • interne administratie en herstelinspanningen € 350,00;

  • verstoring van de bedrijfsvoering / gevolgschade € 250,00;

  • de zelf verrichte fiscale indiening, ondanks uitbesteding € 400,00;

[eiser] moet de verzuimboete aan [gedaagde] betalen

3.10

De kantonrechter oordeelt dat [eiser] de verzuimboete van de Belastingdienst aan [gedaagde] moet betalen. [gedaagde] heeft voldoende onderbouwd dat zij deze boete opgelegd heeft gekregen omdat [eiser] niet op de juiste manier uitstel heeft gevraagd voor het indienen van de btw aangifte, terwijl partijen hadden afgesproken dat [eiser] dat zou doen, Het gevolg was dat de btw-aangifte te laat is ingediend. Daarom heeft de Belastingdienst [gedaagde] een verzuimboete van € 2.757,00 heeft opgelegd. [eiser] heeft dit niet betwist. Dat betekent dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. Daarom moet [eiser] het bedrag van € 2.757,00 als schadevergoeding aan [gedaagde] betalen.

De overige posten hoeft [eiser] niet te betalen

3.11

De overige posten waar [gedaagde] een vergoeding voor vordert, heeft zij niet onderbouwd, zodat niet is komen vast te staan dat zij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt. Deze posten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

[eiser] moet de wettelijke rente over € 2.757,00 betalen

3.12

[eiser] is in verzuim met de betaling van € 2.757,00 en daarom moet zij de wettelijke rente over dit bedrag betalen. [gedaagde] vordert de wettelijke rente vanaf 29 mei 2025, omdat zij [eiser] op die datum heeft aangeschreven voor de betaling van dit bedrag. In de brief van 29 mei 2025 heeft [gedaagde] [eiser] een termijn gegeven van zeven dagen om het bedrag aan haar te betalen. Dat betekent dat het verzuim vanaf 6 juni 2025, na het verlopen van de termijn van zeven dagen, is ingetreden. Vanaf die datum moet [eiser] de wettelijke rente over dit bedrag betalen.

De verklaring van recht zal worden toegewezen

3.13

[gedaagde] vordert een verklaring van recht dat [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht. Omdat hierboven is geoordeeld dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst zal deze vordering worden toegewezen.

De overige vorderingen hoeven niet te worden besproken

3.14

Omdat de primaire vorderingen van [gedaagde] zijn toegewezen, hoeft de subsidiaire vordering tot een veroordeling tot vergoeding van de schade met een verwijzing naar de schadestaatprocedure niet meer te worden besproken.

In conventie en reconventie

De proceskosten worden gecompenseerd

3.15

Omdat beide partijen zowel in conventie als in reconventie gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard

3.16

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zoals is gevorderd door beide partijen. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

4.1

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 834,90, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 januari 2025, tot de dag van volledige betaling,

4.2

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 125,23 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,

in reconventie

4.3

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 2.757,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 6 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,

4.4

verklaart voor recht dat [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht,

in conventie en in reconventie

4.5

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

4.6

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.7

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »