ECLI:NL:RBMNE:2026:4167

Datum uitspraak
22-07-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
12119791 \ MC EXPL 26-1073
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eiser heeft containers geleverd en opgehaald bij gedaagde. Zij vordert betaling van openstaande facturen. Gedaagde betwist de hoogte van de facturen. De vorderingen van eiser worden toegewezen, omdat gedaagde haar verweer onvoldoende heeft onderbouwd.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almere

Zaaknummer: 12119791 \ MC EXPL 26-1073

Vonnis van 22 juli 2026

in de zaak van

[eiseres] B.V.,

te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres] ,

gemachtigde: BBU Juristen & Incasso's,

tegen

[gedaagde] , mede handelend onder de naam [handelsnaam],

te [plaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [handelsnaam] ,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 23 februari 2026 met producties 1 t/m 4,- de conclusie van antwoord met 3 producties,- de conclusie van repliek met producties 5 t/m 9,- de conclusie van dupliek.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De kern van de zaak

2.1

[eiseres] heeft een bedrijf in het leveren en ophalen van afvalcontainers. Bouwbedrijf [handelsnaam] maakt regelmatig gebruik van de diensten van [eiseres] . Volgens [eiseres] heeft [handelsnaam] enkele facturen niet betaald. Zij vordert betaling van deze facturen, vermeerderd met wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. [handelsnaam] heeft bezwaren tegen de hoogte van de facturen. De vorderingen van [eiseres] worden toegewezen, omdat [handelsnaam] haar verweren onvoldoende heeft onderbouwd.

3 De beoordeling

De hoogte van de hoofdsom

3.1

[eiseres] vordert in haar dagvaarding in totaal € 4.069,20 aan openstaande facturen:

nummer factuurdatum bedrag onderwerp factuur

2508416 16-5-2025 € 1.852,00 [plein] [plaats 3] 6, 19 mei 2025

2508814 23-5-2025 € 695,44 [plein] [plaats 3] 12, 13 mei 2025

2510171 31-5-2025 € 725,35 [straat 1] [plaats 4] , 20 mei 2025

2511238 26-6-2025 € 491,04 [straat 2] [plaats 2] , 13 juni 2025

2511689 30-6-2025 € 447,42 [plein] [plaats 3] , 25 juni 2025

2511688 30-6-2025 € 347,72 [straat 2] [plaats 2] , 25 juni 2025

2515130 29-8-2025 € - 42,35 [straat 2] [plaats 2] , 13 juni 2025

2515129 29-8-2025 € - 447,42 [plein] [plaats 3] , 9 mei 2025

3.2

Na de dagvaarding heeft [handelsnaam] alsnog €448,04 en € 347,72 betaald voor de diensten aan de [straat 2] te [plaats 2] (factuurnummers 2511238 en 2511688). De kantonrechter gaat er bij deze betalingen vanuit dat [handelsnaam] de factuur 2511238 van € 491,04 met het creditbedrag van €42,35 heeft willen verrekenen. Na de betaling resteert nog € 0,65 van de facturen voor de [straat 2] . De facturen met nummers 2511689 en 2515129 kunnen worden verrekend. Er resteren dan drie openstaande facturen voor de locaties [plein] [plaats 3] (factuurnummers 2508416 en 2508814) en de [straat 1] [plaats 4] (factuurnummer 2510171) en 0,65 voor 2511238. De totale openstaande hoofdsom die overblijft is € 3.273,44.

[handelsnaam] moet de openstaande facturen betalen

3.3

Het staat vast dat [eiseres] de containers op het [plein] en aan de [straat 1] heeft geleverd en weer opgehaald. [handelsnaam] betwist dit namelijk niet. [handelsnaam] is het echter niet eens met de hoogte en de inhoud van de facturen.

3.4

De facturen voor het [plein] zijn volgens [handelsnaam] onjuist omdat de containers een dag eerder zijn opgehaald dan afgesproken. De containers zaten daardoor nog niet vol. [handelsnaam] stelt dat [eiseres] daarmee de afspraak niet is nagekomen. Omdat zij zich hier op een rechtsgevolg beroept, ligt het op de weg van [handelsnaam] om deze stelling te onderbouwen en zo nodig te bewijzen. Hierin slaagt [handelsnaam] niet. Zij heeft niet toegelicht welke dag partijen hebben afgesproken voor een containerwissel en op welke dag dit daadwerkelijk is gebeurd. [eiseres] stelt daartegenover dat er op 8 mei 2025 telefonisch opdracht is gegeven voor de containerwissel door [handelsnaam] en dat dit op 9 mei 2025 is uitgevoerd. [handelsnaam] heeft dit niet weersproken. [handelsnaam] heeft, in het licht van wat [eiseres] heeft aangevoerd, onvoldoende feiten gesteld die onderbouwen welke afspraken [eiseres] niet zou zijn nagekomen of waar de tekortkoming op ziet. Zodoende kan niet worden vastgesteld dat [eiseres] is tekortgeschoten. Het verweer van [handelsnaam] slaagt op dit punt dus niet. Omdat vaststaat dat [eiseres] de containers aan het [plein] opgehaald heeft, moet [handelsnaam] de facturen voor de containers aan het [plein] betalen.

3.5

De factuur voor de [straat 1] is volgens [handelsnaam] onjuist omdat de verkeerde afvalsoort in rekening is gebracht. [eiseres] heeft voor bouw- en sloopafval gefactureerd, terwijl het volgens [handelsnaam] ging om goedkoper groenafval en grond. Ook hier ligt de bewijslast bij [handelsnaam] , omdat zij zich beroept op de rechtsgevolgen van deze afspraak. [eiseres] stelt dat [handelsnaam] bij de bestelling op 19 mei 2025 niet heeft doorgegeven om wat voor soort afval het ging. Omdat [handelsnaam] een bouwbedrijf is, gaat [eiseres] in dat geval uit van bouw- en sloopafval. Volgens [eiseres] is dit ook in lijn met het gewicht van de container, aangezien een container met groenafval of grond doorgaans aanzienlijk lichter is. [handelsnaam] heeft geen feiten aangevoerd waaruit blijkt dat er is afgesproken dat het groenafval of grond betrof. Het verweer van [handelsnaam] is daarom onvoldoende onderbouwd en slaagt niet. Omdat vaststaat dat [eiseres] de container aan de [straat 1] heeft geleverd en niet is gebleken van een afspraak dat het groenafval betrof, moet [handelsnaam] de factuur voor de container(s) aan de [straat 1] betalen.

[handelsnaam] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen

3.6

[eiseres] vordert vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. [handelsnaam] vindt dit niet redelijk, omdat er nog een discussie liep over de facturen en zij [eiseres] meermaals heeft gevraagd de zaak nog niet uit handen te geven.

3.7

Het verweer van [handelsnaam] slaagt niet. Er is sprake van een handelsovereenkomst tussen twee partijen die handelen in het kader van hun beroep of bedrijf. Op de facturen staat een betaaltermijn van 30 dagen. Dit geldt als een fatale termijn. Toen die termijn verliep, raakte [handelsnaam] van rechtswege in verzuim (artikel 6:83 onder a BW). Dit verzuim trad 30 dagen na de betaaltermijn van de factuur in. [eiseres] heeft voldoende aangetoond dat zij na het intreden van verzuim incassomaatregelen heeft genomen om [handelsnaam] ertoe te bewegen de openstaande facturen te betalen.

3.8

[eiseres] vordert op basis van artikel 6:96 lid 2 onder c BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 610,38. Zij verwijst daarnaast naar haar algemene voorwaarden. Uit artikel 21.4 van deze algemene voorwaarden volgt dat de buitengerechtelijke kosten 8% van de hoofdsom bedragen, met een minimum van € 80,-.

3.9

Partijen zijn een vergoeding overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. Daarom zal de vordering worden getoetst aan de oriëntatiepunten in het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. Op basis van de algemene voorwaarden wijst de kantonrechter de buitengerechtelijke incassokosten tot € 261,86 toe (8% van € 3.273,44) en wijst het meerdere af.

[handelsnaam] moet de wettelijke handelsrente betalen

3.10

[eiseres] vordert de wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW. Omdat [handelsnaam] te laat heeft betaald en er sprake is van een handelstransactie, moet zij de wettelijke handelsrente over de hoofdsom betalen. Tot en met 15 december 2025 wordt deze rente vastgesteld op € 221,29. Vanaf 16 december 2025 wordt de wettelijke handelsrente toegewezen over de openstaande hoofdsom tot aan de dag van volledige betaling.

[handelsnaam] moet de proceskosten betalen

3.11

[handelsnaam] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

130,16

- griffierecht

€

529,00

- salaris gemachtigde

€

288,00

(2 punten × € 144,00)

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.091,16

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1

veroordeelt [handelsnaam] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 3.756,59 (bestaande uit € 3.273,44 aan hoofdsom en € 221,29 aan rente tot en met 15 december 2025 en € 261,86 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 3.273,44, met ingang van 16 december 2025, tot de dag van volledige betaling,

4.2

veroordeelt [handelsnaam] in proceskosten van € 1.091,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [handelsnaam] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.3

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.

5998

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »