RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/576311 / HL ZA 24-150
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
1 [eiser sub 1] , 2. [eiseres sub 2] ,
beide wonend in [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser sub 1] c.s.,
advocaat: mr. R.A. van Rooijen in Amsterdam,
tegen
VERENIGING VAN EIGENAARS [gedaagde],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: VvE [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.I. Jansen in Amsterdam,
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 31 december 2025;- de akte na het tussenvonnis van [eiser sub 1] c.s.;- de antwoord van VvE [gedaagde] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De verdere beoordeling
De vordering van [eiser sub 1] c.s. wordt afgewezen
VvE [gedaagde] stelt in haar akte na het tussenvonnis dat zij op 15 januari 2025 aan [eiser sub 1] c.s. een schadeloosstelling heeft aangeboden voor een bedrag van € 10.000,00. Zij heeft haar stelling onderbouwd met de e-mail waarin zij dit aanbod heeft gaan.
[eiser sub 1] c.s. stellen in hun antwoordakte dat een bedrag van € 10.000,00 niet voldoende is om hen schadeloos te stellen en dat onvoldoende zeker is dat VvE [gedaagde] de gebreken (6), (9) en (10) daadwerkelijk zal herstellen.
De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 31 december 2025 al overwogen dat een bedrag van € 10.000,00 als een redelijke schadeloosstelling kan worden beschouwd in de zin van artikel 5:140b lid 3 BW en dat zij geen reden heeft om eraan te twijfelen dat VvE [gedaagde] zich houdt aan haar toezegging dat de gebreken (6), (9) en (10) door haar zullen worden hersteld. Omdat [eiser sub 1] c.s. een redelijke schadeloosstelling zijn aangeboden, zal hun vordering tot vernietiging van het besluit tot wijziging van de splitsingsakte van 27 februari 2024 worden afgewezen. Het is aan [eiser sub 1] c.s. om het door VvE [gedaagde] gedane aanbod te accepteren.
VvE [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten
VvE [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Deze procedure is immers aangevangen, omdat VvE [gedaagde] een besluit heeft genomen waarvoor zij gehouden was aan [eiser sub 1] c.s. een aanbod te doen tot redelijke schadeloosstelling en dat aanbod destijds niet heeft gedaan. Dat VvE [gedaagde] tijdens deze procedure in de gelegenheid is gesteld om alsnog een aanbod tot redelijke schadeloosstelling te doen en van deze gelegenheid gebruik heeft gemaakt, doet daar niet aan af.
De proceskosten van [eiser sub 1] c.s. worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
135,97 |
|
|
- griffierecht |
€ |
320,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
2.285,50 |
(3,5 punten × € 653,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
2.930,47 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Deze veroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
3 De beslissing
De rechtbank
wijst de vordering van [eiser sub 1] c.s. tot vernietiging van het besluit van VvE [gedaagde] tot wijziging van de splitsingsakte van 27 februari 2024 af,
veroordeelt VvE [gedaagde] in de proceskosten van € 2.930,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als VvE [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt VvE [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 3.2. en 3.3. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.