RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/125791-22
Tegenspraak
Verkort vonnis van de meervoudige kamer van 12 mei 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] , [postcode] in [woonplaats] ,
(hierna: de verdachte).
1 Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 20 april 2026. Het onderzoek is gesloten op 12 mei 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
-
de verdachte;
-
de officier van justitie: mr. D.M.A. van Dam;
-
de advocaat van de verdachte: mr. F.S. Baardman (hierna: de advocaat);
-
de benadeelde partij: [slachtoffer] ;
-
de advocaat van de benadeelde partij: mr. W.A. Bruinsma-Woudstra.
2 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
op meerdere tijdstippen in de periode van 1 juli 2020 tot en met 16 december 2020 in Lent, Cuijk, Eindhoven, Utrecht en/of ergens anders in Nederland zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel (seksuele uitbuiting) van de minderjarige [slachtoffer] .
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3 Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 16 december 2020. Het standpunt van de officier van justitie wordt – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het feit. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de bewezenverklaring.
Bewijsoverwegingen
Aanleiding
Op 16 december 2020 komt bij de politie een melding binnen dat de 16-jarige [slachtoffer] mogelijk in het loverboycircuit zit. [slachtoffer] verklaart bij de politie dat zij wordt afgeperst en bedreigd door de verdachte, die dreigt naaktfoto’s van haar te verspreiden als ze hem geen € 1.500,- geeft. Ze ging op 16 december 2020 naar aanleiding van de bedreiging naar de verdachte toe. [slachtoffer] wordt vervolgens meerdere keren verhoord door de politie over wat er op 16 december 2020 is gebeurd. In een van deze verhoren vertelt [slachtoffer] dat zij op verzoek van de verdachte online seksuele gesprekken heeft gevoerd met mannen tegen betaling. Hierna wordt een onderzoek gestart naar vermeend door de verdachte gepleegde mensenhandel (seksuele uitbuiting).
Betrouwbaarheid van verklaringen van [slachtoffer]
De rechtbank zal zich allereerst uitlaten over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] . In dat kader staat voorop dat in zijn algemeenheid zorgvuldig omgegaan moet worden met verklaringen van getuigen in strafzaken, zoals in dit geval ook met de verklaringen van [slachtoffer] . Met name in zeden- en mensenhandelzaken is bij de beoordeling van de betrouwbaarheid en de waardering van verklaringen van vermeende slachtoffers en/of aangevers behoedzaamheid op zijn plaats. De betrouwbaarheid van zowel belastende als ontlastende verklaringen kan onder druk staan of negatief beïnvloed worden door angst, maar ook door gevoelens van voortdurende loyaliteit en/of afhankelijkheid. Ook kan sprake zijn van andere waarden en normen dan welke ten grondslag liggen aan de strafwetgeving.
[slachtoffer] heeft ten overstaan van de politie meerdere verklaringen afgelegd over wat er in de ten laste gelegde periode met de verdachte is gebeurd. [slachtoffer] verklaart dat ze de verdachte in juli 2020 heeft leren kennen. Rond oktober 2020 kwam de verdachte met het voorstel dat [slachtoffer] tegen betaling met mannen zou gaan chatten. De verdachte heeft haar gesmeekt om dit te doen en vertelde [slachtoffer] dat zij zijn enige hoop was. Als hij het geld niet zou krijgen dan zou hij in de problemen komen. De verdachte wilde dat [slachtoffer] een account aanmaakte op meerdere sites. Op deze sites kwam [slachtoffer] dan in gesprek met mannen. Ze moest de verdachte op de hoogte houden van deze gesprekken en de verdachte vertelde haar in voorkomende gevallen wat ze naar deze mannen moest sturen. De gesprekken begonnen vaak onschuldig, maar werden daarna ook seksueel. Voor deze gesprekken werd een vergoeding afgesproken met de mannen. De verdachte stuurde [slachtoffer] dan een Tikkie dat ze kon doorsturen naar de man waarmee ze een gesprek had. [slachtoffer] weet niet of deze Tikkies ook daadwerkelijk zijn betaald door de mannen. [slachtoffer] heeft met ongeveer 15 mannen gechat. Als [slachtoffer] niet kon reageren op gespreksverzoeken van mannen omdat zij bijvoorbeeld op school zat, dan werd de verdachte boos op haar. De verdachte heeft ook een keer een ontmoeting geregeld tussen [slachtoffer] en een man in Cuijk. De verdachte zei dat ze 400 euro van de man zou krijgen voor de ontmoeting. Toen de man [slachtoffer] zag, zei hij tegen haar dat ze geen 21 jaar oud was en dat ze te jong was. De man heeft haar 100 euro gegeven en is toen weggegaan.
[slachtoffer] heeft uitgebreid en gedetailleerd verklaard. Hoewel [slachtoffer] pas later is gaan verklaren over chatgesprekken met mannen, ziet de rechtbank hierin geen reden de verklaringen onbetrouwbaar te achten, De verklaringen van [slachtoffer] over die chatgesprekken vinden namelijk ook steun in andere bewijsmiddelen. De rechtbank wijst in dit verband voornamelijk op de chatberichten tussen [slachtoffer] en de verdachte, maar ook op chatberichten tussen de verdachte en derden, zoals hieronder verder zal worden toegelicht. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
Seksuele uitbuiting van [slachtoffer]
Het juridisch kader van mensenhandel (seksuele uitbuiting)
Aan de verdachte is mensenhandel ten laste gelegd zoals omschreven in artikel 273f, eerste lid, sub 2, sub 5 en sub 8 van het Wetboek van strafrecht (hierna: Sr). Dit artikel staat in titel XIII, de titel die ziet op ‘de misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid’. Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie over dit wetsartikel volgt dat mensenhandel is gericht op uitbuiting. Het belang van het individu staat voorop: dat belang is behoud van zijn of haar lichamelijke of geestelijke integriteit en vrijheid.
Artikel 273f, eerste lid, onderdelen 2, 5 en 8, Sr zien op de bescherming van minderjarigen tegen (seksuele) uitbuiting door anderen en het profiteren daarvan. Hierbij is niet van belang of een verdachte bekend is met de minderjarigheid van het slachtoffer, aangezien de minderjarigheid een geobjectiveerd bestanddeel is. In deze onderdelen van het artikel ontbreekt de eis van het gebruik van dwangmiddelen. De overtuiging van de wetgever is dat aan de exploitatie van minderjarigen ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’ inherent is. Bij minderjarigen wordt ervan uitgegaan dat zij nog niet in staat zijn de gevolgen van hun handelingen te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen. Een eventuele instemming van de minderjarige is dan ook irrelevant. Door minderjarigen sekswerk te laten verrichten, is er in het algemeen sprake van een grote inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de minderjarige. Als bewezen kan worden dat verdachte de ten laste gelegde gedragingen heeft verricht ten opzichte van een minderjarige is reeds sprake van uitbuiting.
Het werven van [slachtoffer] met het oogmerk haar seksueel uit te buiten
Artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr ziet op het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting van die ander, terwijl die ander nog geen achttien jaar oud is. Het oogmerk van uitbuiting veronderstelt tenminste een noodzakelijkheidsbewustzijn ten aanzien van het gevolg. In de meeste gevallen gaat het om financieel gewin.
Ten laste is gelegd dat de verdachte [slachtoffer] heeft geworven met het oogmerk haar seksueel uit te buiten. [slachtoffer] verklaart dat de verdachte haar ertoe heeft aangezet om tegen betaling seksuele chatgesprekken met mannen te gaan voeren. Ook verklaart ze dat de verdachte haar aanstuurde in het contact met deze mannen. Uit de chatberichten tussen [slachtoffer] en de verdachte blijkt duidelijk dat de verdachte sturend is naar [slachtoffer] en dat hij haar sekswerk wilde gebruiken om zelf geld te verdienen. De verdachte stuurde op 2 november 2020, onder meer: ‘Je weet wat je moet doen’, ‘Zeg tegen hem: ik ga wel shoppen na ons afspraak dus als je wat leuks kan meegeven in ruil voor een leuk afspraakje is dat mooi meegenomen toch?’, ‘Ik vertel jou, dit is mijn afdeling’, ‘Zolang je naar mij luistert. En niet koppig doet. Dan leer je het’, ‘Wil gwn veel geld. Vanavond nog.’ En ‘Ga werken fix doekoe (de rechtbank begrijpt: geld) vo me’.
Dat de verdachte [slachtoffer] aanstuurde blijkt ook uit een chatgesprek tussen de verdachte en een contact genoemd [contactnaam] ’. In deze chat wordt door de verdachte en [contactnaam] gepraat over [slachtoffer] . De verdachte schrijft onder andere dat als [contactnaam] een man was en ‘doekoe’ kon pakken op ‘minderjarige hoertjes’ dat zij dat toch ook zou doen. Hij noemt zichzelf een ‘brute speler in die wereld’ en bevestigt naar [contactnaam] dat [slachtoffer] moet gaan ‘neuken voor haar geld’.
De raadsvrouw voert aan dat uit de chatberichten blijkt dat het initiatief van het seksuele contact bij [slachtoffer] lag en dat de verdachte haar enkel heeft geholpen met het formuleren van berichten. zoals al uitgelegd, is instemming van de minderjarige met de seksuele handelingen irrelevant bij het laten verrichten van sekswerk. Voor de invulling van de bescherming van de minderjarigen tegen werkzaamheden in de prostitutie kan uit de wetsgeschiedenis worden opgemaakt dat de wil van de minderjarige niet relevant is. In het algemeen geldt volgens de wetgever dat minderjarigen te weinig inzicht en ervaring hebben om de gevolgen van de stap in de prostitutie te kunnen overzien Dat betekent dat het standpunt van de verdediging voor een bewezenverklaring van seksuele uitbuiting van [slachtoffer] als minderjarige niet van belang is. Daarnaast merkt de rechtbank op dat uit de chatberichten tussen de verdachte en [slachtoffer] duidelijk volgt dat het initiatief met betrekking tot het verrichten van sekswerk door [slachtoffer] juist bij de verdachte lag. Het feit dat [slachtoffer] aan de verdachte liet weten dat ze weer een nieuw gesprek met een man had, maakt niet dat [slachtoffer] deze chatcontacten zelf heeft geïnitieerd.
De rechtbank is van oordeel dat sprake was van een uitbuitingssituatie en daarmee is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer] heeft geworven met het oogmerk om haar seksueel uit te buiten, namelijk om geld te verdienen door [slachtoffer] sekswerk te laten verrichten.
[slachtoffer] ertoe brengen zich beschikbaar te stellen voor het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling
In sub 5 van artikel 273f, eerste lid Sr is strafbaar gesteld om een minderjarige ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling. Bepalend voor sub 5 is dat het slachtoffer zich door beïnvloeding van de verdachte voor sekswerk beschikbaar heeft gesteld. Een minderjarige op enigerlei wijze faciliteren tot een rol in de prostitutie is strafbaar, onafhankelijk van de wil van de minderjarige. Ook is voor sub 5 niet vereist dat bij de verdachte het oogmerk van uitbuiting aanwezig was.
Zoals hiervoor overwogen, is [slachtoffer] door de sturing van de verdachte gestart met het voeren van seksuele gesprekken met mannen tegen betaling. De rechtbank stelt verder vast dat de verdachte [slachtoffer] hierin ook verder heeft gefaciliteerd. De verdachte heeft [slachtoffer] geholpen met het aanmaken van accounts op chatwebsites en hij heeft [slachtoffer] verteld wat ze in de gesprekken met mannen moest zeggen. Daarnaast heeft de verdachte ook een afspraak voor [slachtoffer] met een man in Cuijk geregeld. De verklaring van [slachtoffer] hierover vindt steun in de chatberichten tussen de verdachte en [slachtoffer] . Zo stuurde de verdachte op 13 november 2020, onder meer, dat zij het type auto en kenteken moet doorgeven van degene met wie zij een afspraak heeft: ‘Eerste wat je me laat weten 1. In welke auto hij komt (…) zo niet stuur zijn kenteken.’. De verdachte gaf nog meer instructies: ‘Daarna praten we verder. Geloof me alles moet Vlekkeloos gaan. Denk eraan’. En hij stelde een beloning in het vooruitzicht als [slachtoffer] geld verdiende: ‘Als je veel uit hem trekt vanavond dikke dikke space. (…) Doekoe doenoe.’. [slachtoffer] stuurde hierna naar de verdachte: ‘ [A] was net met eentje. Kkkkk gaar. Jonge.’ en ‘ [A] weetje zeker da imas 21 god. Ik zei ja enzo zit op han ditdat. (…) [A] zetje weer af enzo maar hij was 37. [A] zei weetje zeker en al [A] zei moet [A] id brengen.’ De rechtbank begrijpt hieruit dat de man die [slachtoffer] ontmoette twijfels had over haar leeftijd en dat de afspraak daardoor niet doorging.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het niet de verdachte is geweest die [slachtoffer] in de prostitutie heeft gebracht of gehouden, maar dat deze actieve rol werd vervuld door [B] (een andere verdachte wiens naam ook in het dossier wordt genoemd). De rechtbank overweegt daarover dat in het dossier voldoende aanknopingspunten te vinden zijn dat naast de verdachte ook een ander betrokken is geweest bij seksuele contacten die [slachtoffer] had met verschillende mannen. Van belang is daarbij echter dat de betrokkenheid van deze andere persoon los staat van de rol die de verdachte bij de verdenking onder sub 5 had en die door de rechtbank reeds is beschreven.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer] ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling.
Vrijspraak van daadwerkelijk voordeel trekken uit de seksuele uitbuiting van [slachtoffer]
De verdachte zal worden vrijgesproken van artikel 273f, eerste lid, sub 8 Sr. Dit onderdeel ziet op het daadwerkelijk voordeel trekken uit de seksuele uitbuiting van een slachtoffer. Uit het dossier komt duidelijk naar voren dat het doel van de verdachte was om uit de seksuele werkzaamheden van [slachtoffer] geld te verdienen. De rechtbank kan echter op basis van het dossier niet vaststellen dat de verdachte ook daadwerkelijk geld hiervoor heeft ontvangen. [slachtoffer] verklaart dat zij op verzoek van de verdachte Tikkies doorstuurde die de mannen moesten betalen voor het chatcontact. Uit het dossier komt echter niet duidelijk naar voren of deze verstuurde Tikkies ook zijn betaald en of dit geld bij de verdachte terecht is gekomen.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op meerdere tijdstippen gelegen in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 16 december 2020 te Cuijk, Utrecht en elders in Nederland,
A) een ander, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2004)telkens(sub 2)- heeft geworven met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer] , terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, en
(sub 5)- ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, terwijl die [slachtoffer] (telkens) de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,
hebbende hij verdachte,- gevraagd die [slachtoffer] voor hem te werken (in de seksuele dienstverlening) en- voorbeelden van websites aan die [slachtoffer] gegeven waarop ze zich kon aanmelden voor seksuele gesprekken tegen betaling (paydates) en - die [slachtoffer] instructies gegeven voor de (paydate)werkzaamheden en - een afspraak met een prostitutieklant voor die [slachtoffer] gemaakt en haar geïnstrueerd hieromtrent.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie de in artikel 273f, eerste lid onder 2º en 5º van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid feit en verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
5 Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank rekening te houden met de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn en met het feit dat de verdachte tijdens de pleegperiode pas 18 jaar oud was. De advocaat verzoekt de rechtbank om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen maar een taakstraf.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de persoonlijke omstandigheden van de verdachte mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de seksuele uitbuiting van de destijds 15/16-jarige [slachtoffer] . Op een kwetsbare leeftijd heeft de verdachte haar gevraagd om voor hem seksueel getinte chatgesprekken met mannen te voeren tegen betaling. Ook heeft de verdachte voor [slachtoffer] een seksafspraak gemaakt met een man. Dat die afspraak niet heeft geleid tot het daadwerkelijk verrichten van seksuele handelingen door [slachtoffer] is niet aan de verdachte te danken. Het verrichten van seksuele werkzaamheden door een meisje van deze leeftijd vormt een zeer ernstige inbreuk op haar lichamelijke en geestelijke integriteit. De verdachte was manipulatief en dreigde [slachtoffer] te vernederen als ze niet deed wat de verdachte haar opdroeg. Uiteindelijk heeft de verdachte gedreigd om naaktfoto’s van [slachtoffer] openbaar te maken als zij hem niet zou betalen. Uit de chatgesprekken tussen de verdachte en anderen blijkt dat hij zeer grof, denigrerend en beledigend sprak over [slachtoffer] . Hij heeft [slachtoffer] behandeld als een object waaraan hij geld kon verdienen. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring is duidelijk geworden hoeveel last [slachtoffer] nog steeds ondervindt van wat verdachte haar heeft aangedaan. Ze beschrijft dat zij constant in stress en angst leefde, wat nu nog een grote rol speelt in haar leven en waarvoor zij nog therapie ondergaat.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Uit het strafblad van de verdachte van 16 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Dit weegt de rechtbank niet in strafverminderende of strafverzwarende zin mee.
De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij een relatie heeft en dat hij zijn drankgebruik en het blowen heeft geminderd. Hij wil zijn ongeldig verklaarde rijbewijs weer gaan halen zodat hij weer kan gaan werken.
De op te leggen straf
Gelet op de ernst van het feit is uit oogpunt van vergelding in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden. Daarbij let de rechtbank op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg voor Vakinhoud Strafrecht (LOVS) ten aanzien van mensenhandel van minderjarigen. Het oriëntatiepunt voor seksuele uitbuiting van een minderjarige, die geen prostitutiewerkzaamheden heeft uitgevoerd, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden.
Bij de op te leggen straf houdt de rechtbank in strafverzwarende zin rekening met de houding van de verdachte ten tijde van het feit en op de zitting. De manier waarop de verdachte destijds tegen en over [slachtoffer] heeft gepraat was grof, hatelijk en leedtoevoegend. Hij heeft haar beledigd en meerdere malen gedreigd dat hij haar zou gaan vernederen. Op de zitting heeft de verdachte weliswaar gezegd te zijn geschrokken van zijn taalgebruik in die tijd, maar hij heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en hij lijkt onverschillig over de gevolgen daarvan voor [slachtoffer] . Tegen die achtergrond vindt de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van ten minste 6 maanden passend en geboden.
De rechtbank ziet in deze zaak echter aanleiding hiervan af te wijken. Dit heeft (deels) te maken met de jonge leeftijd van de verdachte en het feit dat hij zijn leven nu redelijk op orde lijkt te hebben. De belangrijkste reden ligt echter in de ruimschootse overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in eerste aanleg en in hoger beroep.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn is in deze zaak gaan lopen op het moment dat de verdachte in verzekering is gesteld op 17 december 2020. Dit betekent dat de redelijke termijn met ongeveer 3,5 jaar is overschreden. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die deze termijnoverschrijding rechtvaardigen.
Al met al ziet de rechtbank in de voornoemde overschrijding van de redelijke termijn en in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, een taakstraf van 240 uur, met aftrek van het voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar op te leggen.
6 Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 19.053,04, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 6.553,04 voor vergoeding van materiële schade en € 12.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld). De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
1. reiskosten moeder naar gesloten jeugdzorgafdeling in [plaats] : € 263,64;
2. reiskosten moeder naar crisisopvang in Leeuwarden: € 6.298,40.
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de gevorderde materiële schade kan worden toegewezen en de gevorderde immateriële schade gematigd dient te worden tot € 5.000,-. In totaal kan een bedrag van € 11.553,04 worden toegewezen met toepassing van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De advocaat stelt zich op het standpunt dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van rechtstreekse schade als gevolg van het handelen van de verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De gevorderde vergoeding van de reiskosten van de moeder van [slachtoffer] naar de gesloten jeugdzorgafdeling in [plaats] is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. In de overgelegde Instemmingsverklaring gedragswetenschapper bij het verzoek (spoed) machtiging gesloten jeugdhulp leest de rechtbank dat [slachtoffer] uit huis is geplaatst door een acute bedreiging in haar veiligheid in verband met ernstige zorgen over haar contacten in het loverboycircuit. Haar moeder heeft haar één keer per week gedurende drie maanden in de inrichting bezocht. [slachtoffer] was destijds minderjarig en bezoek van een ouder is in die situatie voorstelbaar. De rechtbank wijst dit deel van de vordering ter hoogte van € 263,64 daarom toe.
Voor de gevorderde vergoeding van de reiskosten van de moeder naar de crisisopvang in Leeuwarden geldt dat op dit moment onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van een rechtstreeks verband tussen de schade en het feit. [slachtoffer] heeft in de crisisopvang gezeten voor het volgen van behandeling. Uit de onderbouwing van de vordering blijkt echter niet wat voor behandeling dit was en of deze behandeling verband houdt met het bewezen verklaarde feit. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering [slachtoffer] in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat zij door het strafbare feit op andere wijze in zijn persoon is aangetast. [slachtoffer] heeft voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit de ernst van de gevolgen blijkt.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.
De Rotterdamse schaal maakt voor mensenhandel onderscheid in de categorieën (a) meest ernstig, (b) ernstig en (c) tamelijk ernstig. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van een situatie die valt tussen de categorieën (c) tamelijk ernstig en (b) ernstig. Er is in dit geval sprake van mensenhandel (seksuele uitbuiting) die plaats heeft gevonden gedurende een periode van ongeveer 2-3 maanden, waarbij niet duidelijk is of het de verdachte financieel gewin heeft opgeleverd. Er werd geen gebruik gemaakt van fysiek geweld, maar richting het einde van de periode is wel sprake geweest van dreiging met het openbaar maken van naaktfoto’s.
Voor de categorie tamelijk ernstig is een bedrag tussen de € 2.500,- en € 5.000,- het uitgangspunt. Voor de categorie ernstig is dit € 5.000,- tot 10.000,-. De rechtbank neemt bij het bepalen van de hoogte van de schade verder nog mee dat [slachtoffer] minderjarig was en hierdoor extra kwetsbaar was. De verdachte heeft zich naar [slachtoffer] aanhoudend grof opgesteld en bleef continu dreigen dat hij haar zou gaan vernederen. Gelet hierop en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 7.500,- aan immateriële schade in dit geval billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Wettelijke rente
De vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
De vergoeding van de reiskosten wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2021, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan. De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 december 2020, omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 7.763,64 aan de Staat moet betalen. De vergoeding van de materiële schade (€ 263,64) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2021 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. De vergoeding van de immateriële schade (€ 7.500,-) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 december 2020, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 63 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
7 Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 273f van het Wetboek van Strafrecht.
8 De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
-
verklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
-
verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;
- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;
- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]
-
wijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 7.763,64;
-
veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 263,64 met ingang van 3 maart 2021 tot de dag van volledige betaling;
- over een bedrag van € 7.500,- met ingang van 16 december 2020 tot de dag van volledige betaling;
- verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 7.763,64 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente
- over een bedrag van € 263,64 met ingang van 3 maart 2021 tot de dag van volledige betaling;
- over een bedrag van € 7.500,- met ingang van 16 december 2020 tot de dag van volledige betaling;
- indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 63 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Reijnierse, voorzitter, mr. L.M.M. Heppe en mr. J.S. Spijkerman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.I. van Balkom als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.
De jongste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op één of meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 juli 2020 tot en met 16 december 2020 te Lent, Cuijk, Eindhoven, Utrecht en/of (elders) in Nederland,
A) een ander of anderen, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2004)(telkens)(sub 2)- heeft geworven met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer] , terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,
(sub 5)- ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling dan wel ten aanzien van die [slachtoffer] (telkens) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tijdens het verrichten van die seksuele handelingen, terwijl die [slachtoffer] (telkens) de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,
en/of(sub 8)B)telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van die [slachtoffer] met en/of voor een derde tegen betaling, terwijl die [slachtoffer] (telkens) de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,
hebbende en of zijnde hij verdachte,- gevraagd die [slachtoffer] voor hem te werken (in de seksuele dienstverlening) en/of;- voorbeelden van websites aan die [slachtoffer] gegeven waarop ze zich kon aanmelden voor seksuele gesprekken tegen betaling (paydates)en/of- contacten onderhouden met en/of het maken van afspraken met (potentiële) (paydate)(klant(en)voor die [slachtoffer] en/of- die [slachtoffer] instructies gegeven voor de (paydate)werkzaamheden en/of- een afspraak met een prostitutieklant voor die [slachtoffer] gemaakt dan wel die [slachtoffer] geholpen bij het maken van die afspraak en haar geïnstrueerd hieromtrent en/of- het door die [slachtoffer] verdiende geld (van paydate- en prostitutieklanten) ingenomen en door die [slachtoffer] laten afstaan, al dan niet na door hem verstuurde tikkies.