ECLI:NL:RBMNE:2026:3734

Datum uitspraak
17-06-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
11978865 \ LC EXPL 25-2483 AW/1583
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vordering toegewezen. Geen sprake van non-conformiteit.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Lelystad

Zaaknummer: 11978865 \ LC EXPL 25-2483 AW/1583

Vonnis van 17 juni 2026

in de zaak van

[eiser] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: P.M.F. Otten,

tegen

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.

1.2

Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.

2 De kern van de zaak

2.1

[eiser] heeft producten aan [gedaagde] geleverd en daarvoor facturen aan [gedaagde] gestuurd. [eiser] wil dat [gedaagde] een bedrag van € 926,63 aan haar betaald voor geleverde producten, vermeerderd met € 46,24 aan rente berekend tot 31 oktober 2025 en € 138,99 aan incassokosten en verminderd met een ontvangen bedrag van € 413,58 en een bedrag van € 106,84. [gedaagde] is het niet met de vordering van [eiser] eens. Volgens [gedaagde] hoeft zij de rekening niet te betalen omdat er sprake is van non-conformiteit en [eiser] heeft toegezegd dat [gedaagde] haar geld terug zou krijgen. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in haar stelling dat er sprake is van non-conformiteit. [eiser] heeft haar vordering bovendien met het bedrag wat [gedaagde] terug zou krijgen verminderd. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de hoofdsom van nu nog € 406,21, de buitengerechtelijke kosten van € 60,93 en de rente over de respectievelijke factuurdata vanaf de vervaldata moet betalen.

3 De beoordeling

[gedaagde] moet de hoofdsom betalen

3.1

Tussen partijen staat vast dat [eiser] aan [gedaagde] producten heeft geleverd en daarvoor drie facturen heeft gestuurd. [gedaagde] dient het daarvoor verschuldigde in beginsel te voldoen. De vraag die echter voorligt is of [gedaagde] aan haar betalingsverplichting kan worden gehouden. [gedaagde] beroept zich op non-conformiteit en stelt dat [eiser] te kort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Volgens [gedaagde] waren de geleverde kartonnen verpakkingsmaterialen ver beneden de maat. Het karton was onder meer gescheurd en onjuist gesneden, waardoor het onbruikbaar was voor het beoogde doel.

3.2

[eiser] betwist dat er sprake is van non-conformiteit. [eiser] heeft nooit eerder klachten over de leveringen van verpakkingsmaterialen ontvangen. De leveringen hebben plaatsgevonden in maart 2025. [eiser] wijst erop dat in haar algemene voorwaarden staat opgenomen dat indien [gedaagde] niet tijdig melding maakt van non-conformiteit, zij geen recht van retour heeft.

3.3

[eiser] beroept zich op haar algemene voorwaarden. In artikel 23 staat dat de wederpartij beschikt over een zichttermijn van 30 dagen. De zichttermijn is uitsluitend bedoeld om na te gaan of het bestelde volgens het aangebodene is. In artikel 24 staat dat indien de wederpartij de goederen onder gebruikmaking van de zichttermijn wenst terug te sturen, dit dient te geschieden uiterlijk binnen 30 dagen na levering. [gedaagde] heeft niet betwist dat de algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn en ook niet gesteld dat deze onredelijk bezwarend zijn. [gedaagde] stelt wel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiser] een beroep doet op de algemene voorwaarden, omdat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen. Hierin gaat de kantonrechter niet mee.

3.4

Voor een rechtsgeldig beroep door [gedaagde] op non-conformiteit van de geleverde kartonnen verpakkingsmaterialen had [eiser] dus binnen 30 dagen na levering de geleverde kartonnen verpakkingsmaterialen moeten terugsturen, dan wel in ieder geval [eiser] op de hoogte moeten stellen. [gedaagde] heeft de producten niet retour gestuurd. [gedaagde] stelt wel dat zij meermalen telefonisch contact heeft opgenomen met [eiser] , maar dat wordt door [eiser] betwist. Anders dan [gedaagde] meent, ligt het niet op de weg van [eiser] om te onderbouwen dat er (telefonisch) contact heeft plaatsgevonden over eventuele klachten, maar op de weg van [gedaagde] . [gedaagde] heeft haar stelling niet nader onderbouwd, zodat niet is komen vast te staan dat er (telefonisch) contact heeft plaatsgevonden over de klachten. [gedaagde] kan zich dus niet meer beroepen op non-conformiteit van de geleverde kartonnen verpakkingsmaterialen.

3.5

Ten overvloede overweegt de kantonrechter nog dat [gedaagde] haar stelling dat de geleverde kartonnen verpakkingsmaterialen ver beneden de maat zijn ook niet heeft onderbouwd. [eiser] heeft dit ook betwist. Dat betekent dat er niet vanuit kan worden gegaan dat de geleverde kartonnen verpakkingsmaterialen niet aan de overeenkomst beantwoorden.

3.6

Uit het bovenstaande volgt dat [gedaagde] geen beroep toekomt op non-conformiteit. Dit betekent dat [gedaagde] ook geen geslaagd beroep op opschorting toekomt. De stellingen van [gedaagde] dat er sprake is van misbruik van recht en onbetrouwbaarheid van de vordering treffen hetzelfde lot. Dat betekent dat [gedaagde] gehouden is tot betaling van de facturen.

3.7

[eiser] heeft al een bedrag van € 413,58 als betaald in mindering gebracht op haar vordering. Volgens [gedaagde] heeft zij daarnaast nog recht op een refund. [gedaagde] heeft zich subsidiair beroepen op verrekening met het door [eiser] toegezegde refund. [eiser] erkent bij repliek dat [gedaagde] voor een order van oktober 2025 een bedrag van € 106,84 heeft aanbetaald. Die order is geannuleerd. [eiser] heeft haar verplichting om de nieuwe order te leveren opgeschort omdat [gedaagde] in verzuim verkeerde ten aanzien van de eerdere leveringen. [eiser] heeft bij repliek aangegeven het betaalde bedrag van € 106,84 in mindering te willen laten streken op onderhavige vordering.

3.8

Vorenstaande betekent dat aan openstaande facturen [gedaagde] nog een bedrag van € 406,21 (€ 926,62 - € 413,58 - € 106,84) moet betalen. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen.

[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen

3.9

[eiser] heeft wettelijke handelsrente gevorderd. De wettelijke handelsrente tot 31 oktober 2025 bedraagt volgens [eiser] € 46,24. Niet ter discussie staat dat de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] kwalificeert als een handelsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6:119a BW. Omdat achteraf de hoofdsom niet blijkt te kloppen, zal de kantonrechter de wettelijke handelsrente toewijzen vanaf de vervaldatum van de facturen.

[gedaagde] moet de buitengerechtelijke kosten betalen

3.10

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Nu een deel is betaald en een deel moet worden verrekend is het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag toewijzen tot het wettelijke tarief. Daarom zal een bedrag van € 60,93 worden toegewezen.

[gedaagde] moet ook de proceskosten betalen

3.11

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

122,35

- griffierecht

€

340,00

- salaris gemachtigde

€

288,00

(2 punten × € 144,00)

- nakosten

€

72,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

822,35

De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard

3.12

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 406,21, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,

4.2

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 60,93 aan buitengerechtelijke kosten,

4.3

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 822,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.4

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.5

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »