ECLI:NL:RBMNE:2026:3313

Datum uitspraak
29-04-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
11847524 \ UC EXPL 25-6824
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Terugbetaling geldlening en commissie verschuldigd

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Amersfoort

Zaaknummer: 11847524 \ UC EXPL 25-6824

Vonnis van 29 april 2026

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende in [woonplaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres] ,

gemachtigde: A. Bronder,

tegen

[gedaagde] ,

wonende in [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 15 augustus 2025,- de conclusie van antwoord voor de rol van 5 november 2025,- het e-mailbericht van [gedaagde] van 8 april 2026 waarin hij meldt dat hij niet naar de zitting zal komen.

1.2

Op 1 april 2026 is de zaak ter zitting besproken. Daarbij was [eiseres] aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. [gedaagde] is niet ter zitting verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.

1.3

Ten slotte is meegedeeld dat vandaag het vonnis zal worden uitgesproken.

2 De kern van de zaak

2.1

[eiseres] verstrekte op 15 november 2023 een lening van € 12.000,00 aan [gedaagde] , die hiervoor een commissie van € 6.000,00 verschuldigd was. [gedaagde] zou dit bedrag in Bitcoin investeren en een bedrag van € 18.000,00 vóór 15 januari 2024 betalen, wat niet gebeurde. [gedaagde] betwist de overeenkomst op grond van vermeend misbruik van omstandigheden en stelt dat de commissie onredelijk is. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] weloverwogen handelde en dat de commissie in dit geval niet onredelijk is. Daarom is [gedaagde] verplicht het volledige bedrag plus wettelijke rente te voldoen.

3 De beoordeling

3.1

Op 14 november 2023 hebben partijen een overeenkomst van geldlening gesloten.1 [eiseres] maakte vervolgens op 15 november 2023 € 12.000,00 over aan [gedaagde] . [gedaagde] en [eiseres] hadden afgesproken dat [eiseres] daarvoor een commissie van € 6.000,00 verschuldigd was. [gedaagde] zou het bedrag investeren in Bitcoin en vóór 15 januari 2024 een bedrag van € 18.000,00 aan [eiseres] betalen. Dit is niet gebeurd.

3.2

[gedaagde] erkent dat de overeenkomst tot stand is gekomen zoals [eiseres] stelt. Hij stelt echter dat de overeenkomst vernietigbaar is wegens (primair) misbruik van omstandigheden, danwel (subsidiair) omdat het commissiebeding onredelijk is en (meer subsidiair) dat de rente onredelijk is. Hij verzoekt de rechtbank daarom de overeenkomst, dan wel de commissiebepaling te vernietigen of de rente te matigen. Tot slot vraagt hij om een betalingsregeling als hij toch wat (terug) moet betalen.

3.3

[gedaagde] beroept zich op misbruik van omstandigheden,2 vanwege een paniekstoornis en financiële nood op het moment van sluiten. Hoewel zijn psychische kwetsbaarheid niet wordt betwist, is niet komen vast te staan dat dit zijn handelingsbekwaamheid op dat moment beïnvloedde. Misbruik van omstandigheden vereist kort gezegd dat de wederpartij ( [eiseres] ) wist of had moeten weten dat de ander ( [gedaagde] ) onder bijzondere omstandigheden handelde, dat die bijzondere omstandigheden ertoe leidden dat de overeenkomst tot stand is gekomen, en die wederpartij ( [eiseres] ) had moeten afzien van het sluiten daarvan. [eiseres] betwist dit. [gedaagde] benaderde [eiseres] zelf met het voorstel om, naast terugbetaling van de geldlening, een commissie van € 6.000,00 te betalen. Hij stelde ook zelf de overeenkomst op. Daarnaast is namens [gedaagde] verklaard dat [gedaagde] ervaren was in trading en hiermee veel geld kon verdienen. De kantonrechter volgt [eiseres] : er is geen reden om aan te nemen dat [gedaagde] niet weloverwogen handelde. Er is daarom geen reden om de overeenkomst te vernietigen.

3.4

[gedaagde] vraagt subsidiair om de commissiebepaling te vernietigen, omdat de commissie buitensporig hoog zou zijn. Om vernietiging te bereiken had [gedaagde] meer feiten moeten stellen. Het is de kantonrechter nu niet duidelijk op grond waarvan de bepaling vernietigd zou moeten worden. Voor zover [gedaagde] zich op het standpunt zou stellen dat sprake is van een onredelijke algemene voorwaarde is dit in elk geval niet gesteld en ook niet gebleken.

3.5

[gedaagde] stelt ook dat de commissie feitelijk rente is en onredelijk is volgens de redelijkheid en billijkheid. [eiseres] heeft dit tijdens de zitting betwist. Zij heeft verklaard dat in de Bitcoinbranche dergelijke commissies gebruikelijk zijn, ook voor korte periodes. Dit heeft [gedaagde] niet tegengesproken. Matiging wordt bovendien alleen uitgesproken als de rente naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Onredelijkheid daarvoor is niet gebleken, maar is dus ook niet genoeg. Dat de rente onaanvaardbaar is, is niet gesteld en niet komen vast te staan. De kantonrechter oordeelt daarom dat [gedaagde] verplicht is de commissie te betalen.

3.6

[eiseres] vordert daarnaast wettelijke rente vanaf 15 januari 2024 over het bedrag van € 18.000,00. [gedaagde] heeft hiertegen geen verweer gevoerd. De rechtbank wijst deze vordering toe.

3.7

De kantonrechter kan alleen beslissen op de vorderingen en kan daarom niet ingaan op het verzoek van [gedaagde] om een betalingsregeling vaststellen.

Proceskosten

3.8

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

146,64

- griffierecht

€

732,00

- salaris gemachtigde

€

864,00

(2 punten × € 432,00)

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.886,64

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 18.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 januari 2024, tot de dag van volledige betaling,

4.2

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.886,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.3

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »