ECLI:NL:RBMNE:2019:6789

Datum uitspraak
11-07-2019
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
16/255855-18 (P)
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld voor het opzettelijk ontrekken van een minderjarige aan het bevoegd opzicht. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaar.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/255855-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 11 juli 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1959] in [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] in [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 juni 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie, mr. A. Drogt, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de periode van 9 december 2018 tot en met 12 december 2018 in Spanje, Frankrijk en Nederland, samen met een ander, opzettelijk een minderjarige heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag en/of opzicht.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen op grond van de aangifte die is gedaan namens het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 20 april 2018 en de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] .

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is van onttrekking als bedoeld in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval. De standpunten van de raadsman worden - voor zover van belang voor de beoordeling - verder besproken in paragraaf 4.3.1.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering heeft verzocht de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] , geboren op [2003] , met een jaar te verlengen. De rechtbank Midden-Nederland heeft bij beschikking van 10 april 2018 het volgende beslist:2

- verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 28 april 2019;3

- verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een buitenlandtraject tot uiterlijk 28 april 2019.4

Namens de jeugdbeschermer van het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering is aangifte gedaan tegen [verdachte] en [medeverdachte] . In de aangifte is- zakelijk weergegeven - het volgende opgenomen:

Ik ben als jeugdbeschermer sinds 10 april 2018 belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling over de minderjarige [minderjarige] . [minderjarige] is uit huis geplaatst en verblijft op basis van een machtiging uithuisplaatsing in een gezinshuis in Spanje. De heer [verdachte] , de vader van [minderjarige] , heeft [minderjarige] zonder goedkeuring van de gecertificeerde instelling, het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, aan de machtiging tot uithuisplaatsing onttrokken. Dit heeft plaatsgevonden op 9 december 20185 in [plaats] , Spanje. De crisisdienst van LJ&R heeft op 9 december 2018 contact gehad met mevrouw [medeverdachte] , de moeder van [minderjarige] . Ze heeft gezegd dat ze van de situatie afweet en dat ze het wel begrijpt.6

Verdachte heeft ter terechtzitting- zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:

[minderjarige] was uit huis geplaatst en zat in een tehuis in [plaats] , Spanje. Ik heb mijn zoon [minderjarige] daar op 9 december 2018 met de auto opgehaald en - via Frankrijk-meegenomen naar Nederland. Toen ik mij op 12 december 2018 ging melden bij het politiebureau heb ik tegen [minderjarige] gezegd dat hij ergens anders naartoe moest. Ik wilde niet dat de politie hem zou vinden bij mij. 7

In een proces-verbaal van bevindingen is - zakelijk weergegeven - het volgende opgenomen:

Op 12 december 2018 heb ik, verbalisant, gesproken met [verdachte] .8 Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij naar Spanje was gereden en dat hij [minderjarige] daar heeft opgehaald. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij niet ging vertellen waar [minderjarige] nu is.9

Op 14 december 2018 is medeverdachte [medeverdachte] door de politie verhoord. Zij heeft-zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:

Mijn ex-man is [verdachte] . [minderjarige] is onze zoon.10 Mijn ex-man en ik hebben besloten om [minderjarige] op te halen uit Spanje. We hebben daarna via de telefoon contact gehouden. Via het eigen nummer van [minderjarige] .11 [verdachte] zou [minderjarige] ophalen in Spanje en naar mijn huis brengen, daar is [minderjarige] ook 's nachts aangekomen.12 Ik heb [minderjarige] vanochtend nog gesproken. Je mag vragen waar hij is, maar ik ga het niet zeggen.13

4.3.1

Bewijsoverwegingen

De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] zijn minderjarige zoon [minderjarige] in de periode van 9 tot en met 12 december 2018 opzettelijk heeft onttrokken aan het bevoegd opzicht. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Het onttrekken van een minderjarig kind aan het wettig gezag of bevoegd opzicht is strafbaar gesteld in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Voor een bewezenverklaring op grond van dat artikel moet allereerst vaststaan wie het wettig gezag of bevoegd opzicht over de minderjarige uitoefende. Uit de beschikking van de rechtbank van 10 april 2018 blijkt dat verdachte en medeverdachte ten tijde van het ten laste gelegde nog steeds het wettig (ouderlijk) gezag over [minderjarige] hadden, maar dat het opzicht rustte bij het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (hierna: Leger des Heils). Dat verdachte nog steeds ouderlijk gezag had, maakt niet dat hij zijn minderjarige zoon niet kon onttrekken aan het bevoegd opzicht. Uit jurisprudentie blijkt namelijk dat ook degene die het gezag over een minderjarige uitoefent, deze minderjarige aan het bevoegd opzicht kan onttrekken door hem in strijd met een rechterlijke machtiging tot uithuisplaatsing op een onbekende locatie onder te brengen.14

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit, omdat geen sprake zou zijn van 'onttrekken' in de zin van artikel 279 Sr. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte de gezinsvoogd van het Leger des Heils voorafgaand aan het ten laste gelegde heeft verteld dat hij [minderjarige] zou ophalen uit Spanje, omdat [minderjarige] daar zou worden mishandeld. Gelet op de zorgplicht van verdachte als vader, de bijzondere omstandigheden van het geval en het vooraf gevoerde overleg, kan de aan verdachte ten laste gelegde gedraging daarom bezwaarlijk als 'onttrekking' aan het gezag of opzicht worden aangemerkt.

De rechtbank volgt de raadsman hierin niet. Onder onttrekken als bedoeld in artikel 279 Sr moet volgens de Hoge Raad worden verstaan: 'elk doen verkeren van de minderjarige buiten het wettig gezag of bevoegd opzicht'. Het begrip onttrekken moet ruim worden uitgelegd en omvat zowel het onttrekken als onttrokken houden van de minderjarige. Van belang is dat de verdachte beslissende invloed heeft gehad op het onttrekken of onttrokken houden. Uit de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] blijkt dat zij wisten dat het bevoegd opzicht rustte bij het Leger des Heils. Zij hebben desondanks afgesproken [minderjarige] op te halen uit het gezinshuis in Spanje. Eenmaal in Nederland heeft verdachte [minderjarige] onder meer bij medeverdachte ondergebracht. Hij wilde het Leger des Heils en de politie - ook na zijn aanhouding - niet vertellen waar [minderjarige] verbleef. Ook medeverdachte [medeverdachte] weigerde het Leger des Heils en de politie te informeren over de verblijfplaats van [minderjarige] . Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank worden bewezen dat verdachte zijn zoon [minderjarige] opzettelijk aan het bevoegd opzicht heeft onttrokken, zoals bedoeld in artikel 279 Sr.

Dat verdachte zijn plannen zou hebben aangekondigd bij het Leger des Heils maakt dit niet anders, nu uit de aangifte van het Leger des Heils blijkt dat verdachte geen toestemming had om zijn zoon op te halen. De vraag of er niettemin sprake was van bijzondere omstandigheden waardoor verdachte gerechtvaardigd zijn zoon op mocht halen in Spanje dient te worden beantwoord bij de vraag naar de strafbaarheid van het feit.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op tijdstippen in de periode van 9 december 2018 tot en met 12 december 2018 te [plaats] , Spanje en in Frankrijk en in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een minderjarige, [minderjarige] geboren op [2003] , heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

7.1

Het stand punt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank- indien zij tot een bewezenverklaring komt - verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld uit overmacht (noodtoestand). Verdachte heeft zijn zoon [minderjarige] uit Spanje opgehaald, omdat [minderjarige] zich in een gevaarlijke en hulpbehoevende situatie bevond. Verdachte kreeg voorafgaand aan het bewezen verklaarde signalen dat zijn zoon in Spanje geestelijk en lichamelijk werd mishandeld. Ondanks deze signalen hebben de bevoegde instanties in Nederland niet ingegrepen. Verdachte voelde zich daardoor genoodzaakt en verplicht om zelf [minderjarige] uit die situatie te redden.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op ovennacht in de zin van noodtoestand moet worden verworpen, omdat niet aannemelijk is geworden dat ten tijde van het bewezen verklaarde daadwerkelijk sprake was van een overmacht situatie.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De raadsman heeft namens verdachte een beroep gedaan op overmacht in de zin van noodtoestand. Op ovennacht in de zin van een noodtoestand kan een beroep worden gedaan als iemand een afweging heeft moeten maken tussen twee conflicterende plichten. Daarvan is één een wettelijke plicht en de ander een morele plicht. Wordt gekozen voor de morele verplichting dan wordt de wettelijke verplichting geschonden en wordt een strafbaar feit gepleegd. Volgens de Hoge Raad kunnen slechts uitzonderlijke omstandigheden meebrengen dat gedragingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld, niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht. Voor een geslaagd beroep op noodtoestand is daarom allereerst vereist dat sprake is van een gedraging die voortvloeit uit een actuele en concrete noodsituatie, bestaande uit een belangenconflict.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 27 juni 2019 verklaard dat hij en medeverdachte [medeverdachte] kort na het bezoek van [medeverdachte] aan [minderjarige] in Spanje op 26 november 2018 hebben besloten om [minderjarige] op te halen. Vlak voor zijn vertrek naar Spanje kregen zij een bericht met foto's van [minderjarige] waaruit bleek dat hij lichamelijk zou zijn mishandeld. Dat bericht gaf volgens verdachte de doorslag om [minderjarige] onmiddellijk op te halen uit Spanje.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat er sprake was van een actuele en concrete noodsituatie op het moment dat verdachte en medeverdachte besloten om [minderjarige] uit Spanje op te halen. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte niet, dan wel zeer inconsistent en wisselend heeft verklaard over de vermeende lichamelijke mishandeling van zijn zoon [minderjarige] . Zo heeft verdachte tijdens een eerste gesprek met de politie op 12 december 2018 en een uitgebreid verhoor op 13 december 2018 met geen woord gerept over lichamelijke mishandeling. Hij heeft enkel verklaard dat hij [minderjarige] in Spanje had opgehaald, omdat [minderjarige] het er niet naar zijn zin zou hebben en geestelijk zou worden mishandeld.

Pas op 14 december 2018, drie dagen na zijn aanhouding, verklaarde verdachte bij de rechter-commissaris voor het eerst dat [minderjarige] in Spanje lichamelijk was mishandeld. Twee weken later verklaarde verdachte in raadkamer dat hij - na een bezoek van medeverdachte [medeverdachte] aan [minderjarige] op 26 november 2018 - foto's had gekregen waarop te zien was dat [minderjarige] bont en blauw was. Ter terechtzitting heeft verdachte echter stellig verklaard dat hij op dat moment nog helemaal niet wist dat [minderjarige] lichamelijk was mishandeld. Op 2 januari 2019 heeft verdachte namens [minderjarige] aangifte van mishandeling gedaan en - in strijd met zijn verklaring ter terechtzitting- verklaard dat [minderjarige] op 26 november 2018 tegen medeverdachte [medeverdachte] had verteld dat hij lichamelijk was mishandeld.

De verklaringen van verdachte zijn op dit punt niet alleen onderling inconsistent en tegenstrijdig, maar zijn eveneens in tegenspraak met de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] . Zij heeft tijdens haar verhoren niets gezegd over lichamelijke mishandeling van [minderjarige] . Zij heeft wel verklaard dat [minderjarige] naar huis wilde en dat het niet goed met hem leek te gaan, onder meer omdat hij betrokken raakte bij vechtpartijen. Daarnaast heeft medeverdachte verklaard dat [minderjarige] naar huis wilde, omdat hij er niet mee om kon gaan dat hij in Spanje zo weinig contact mocht hebben met de buitenwereld.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat verdachte op het moment dat hij besloot een strafbaar feit te plegen door [minderjarige] op te halen in Spanje beschikte over concrete aanwijzingen dat zijn zoon lichamelijk zou zijn mishandeld. Ook is niet gebleken dat om andere redenen sprake was van een concrete en actuele noodsituatie die het handelen van verdachte kan rechtvaardigen. De rechtbank zal het beroep op overmacht in de zin van noodtoestand reeds daarom verwerpen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het voorwaardelijke verzoek van de raadsman tot het horen van [A] , [B] en [verbalisant] als getuige afwijzen. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat er concrete signalen waren van mishandeling van [minderjarige] op het moment dat verdachte [minderjarige] heeft opgehaald in Spanje.

Nu de rechtbank dit reeds niet aannemelijk acht, is voor haar oordeel niet van belang in hoeverre hierover contact is geweest met [A] of [B] . Met betrekking tot het verzoek tot het horen van verbalisant [verbalisant] merkt de rechtbank op dat haar oordeel dat er geen concrete aanwijzingen waren van mishandeling van [minderjarige] niet enkel is gebaseerd op de verklaring van verdachte zoals volgt uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] van 13 december 2018, maar eveneens uit zijn andere verklaringen én de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] . De rechtbank ziet dan ook niet de noodzaak om [verbalisant] alsnog als getuige te horen.

Er is verder ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

medeplegen van onttrekking van een minderjarige aan het bevoegd opzicht.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is ook geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

een gevangenisstraf van 1 maand, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren; een taakstraf van 80 uren, met aftrek van het voorarrest, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over een eventueel aan verdachte op te leggen straf.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van het feit

De minderjarige zoon van verdachte was onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst in een gezinshuis in Spanje. Verdachte heeft zijn zoon onttrokken aan het bevoegd opzicht door hem zonder toestemming op te halen uit Spanje. Hij heeft zijn zoon vervolgens een paar dagen op een voor Leger des Heils onbekende plek ondergebracht. Het onttrekken van een minderjarige aan het bevoegd opzicht is een ernstig feit. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij het veronderstelde recht in eigen hand heeft genomen en het Leger des HeiIs onmogelijk heeft gemaakt het opzicht over zijn zoon uit te oefenen.

Hoewel de rechtbank niet aannemelijk acht dat de zoon van verdachte zich in een gevaarlijke situatie bevond, heeft de rechtbank er begrip voor dat verdachte zich zorgen maakte om zijn zoon, met wie het niet goed leek te gaan. De rechtbank houdt er in straf verminderende zin daarom rekening mee dat de zoon van verdachte in een gezinshuis in het buitenland was geplaatst, dat weinig contact mogelijk was en dat verdachte zijn zoon op diens eigen verzoek heeft opgehaald. Daarnaast houdt de rechtbank er in het voordeel van verdachte rekening mee dat hij kort na onttrekking kenbaar heeft gemaakt dat hij zijn zoon zelf heeft opgehaald en dat zijn zoon veilig was.

De persoon van verdachte

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de justitiële documentatie (strafblad) van verdachte van 20 mei 2019, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Deze omstandigheid wordt niet in het voor- of nadeel van verdachte meegewogen bij het bepalen van de straf.

De strafoplegging

Voor onttrekking aan het bevoegd opzicht zijn binnen de rechtspraak geen landelijke oriëntatiepunten opgesteld. Daarom zal de rechtbank een straf opleggen die recht doet aan de ernst van het bewezen verklaarde feit en de context waarin het is gepleegd. Gelet op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, kan naar het oordeel van de rechtbank worden volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal daarop niet in mindering worden gebracht, omdat de rechtbank met deze voorwaardelijke straf - als stok achter de deur - hoopt te voorkomen dat verdachte opnieuw de fout in zal gaan.

Alles afwegende, acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, passend en geboden.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 146, 14c, 47 en 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

-verklaart het onder 5 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf en maatregel

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand;

- beveelt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Voorlopige hechtenis

- heft op het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.C. Kool, voorzitter, mrs. G. Perrick en P.A. Buijs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Lindeman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 juli 2019.

Mr. P.A. Buijs is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 9 december 2018 tot en met 12 december 2018 te [plaats] , althans in Spanje en/of in Frankrijk en/of in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk een minderjarige, [minderjarige] geboren op [2003] , heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende. ( art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

________________________________________________________

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina's van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van 14 december 2018, genummerd PLO900-2018356607, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 103. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, sub vijf, van het Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 10 april 2018, p. 9.

3 Een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 10 april 2018. p. 10.

4 Een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 10 april 2018. p. 11.

5 Een proces-verbaal van aangifte van 12 december 2018. p. 6.

6 Een proces-verbaal van aangifte van 12 december 2018, p. 7.

7 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 27 juni 2019.

8 Een proces-verbaal van bevindingen van 13 december 2018, p. 18.

9 Een proces-verbaal van bevindingen van 13 december 2018, p. 19.

10 Een proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] van 14 december 2018, p. 92.

11 Een proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] van 14 december 2018, p. 97.

12 Een proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] van 14 december 2018, p. 98.

13 Een proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] van 14 december 2018, p. 99.

14 HR 23 augustus 2005, NbSr 2005/333.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »