RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummers : 11841007 \ CV EXPL 25-3502 en 11917554 \ CV EXPL 25-4290
Vonnis van 30 september 2026
in de zaak van
HILTERMANN LEASE B.V.,
te Hoofddorp,
eisende partij in de hoofdzaak,
hierna te noemen: Hiltermann,
gemachtigde: VD&P juristen,
tegen
[persoon 1] , H.O.D.N. [bedrijf 1],
te [plaats 1] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
hierna te noemen: [persoon 1] ,
gemachtigde: mr. F.A. Dronkers.
en
[persoon 1] , H.O.D.N. [bedrijf 1],
te [plaats 1] ,
eisende partij in de vrijwaringszaak,
hierna te noemen: [persoon 1] ,
gemachtigde: mr. F.A. Dronkers
tegen:
[persoon 2] ,
te [plaats 1] ,
gedaagde partij in de vrijwaringszaak,
niet verschenen.
IN DE HOOFDZAAK
1 De procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 15 juli 2026- de akte van Hiltermann.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De verdere beoordeling
De kantonrechter verwijst eerst naar de eerdere tussenvonnissen in deze zaak.
Hiltermann vordert zoals omschreven in rechtsoverweging 3.1. in het tussenvonnis van 17 september 2025.
Ter onderbouwing van haar vorderingen stelt Hiltermann dat zij met [persoon 1] een huurkoopovereenkomst heeft gesloten ten behoeve van en BMW 418I met [kenteken] . De overeenkomst had een looptijd van 60 maanden en de totale leaseprijs bedroeg € 20.462,00 (inclusief de leasevergoeding van € 5.762,00 en rekening houdend met de aanbetaling). Hiltermann stelt verder dat [persoon 1] in gebreke is gebleven met de (tijdige) betaling van de leasetermijnen. De overeenkomst is daarom op 10 september 2024 ontbonden.
[persoon 1] voert tegen de vorderingen aan dat er sprake is van identiteitsfraude. De overeenkomst is buiten zijn medeweten om aangegaan door [persoon 2] . Wel heeft hij ingestemd met het verzoek van [persoon 2] om de auto op zijn naam te stellen. [persoon 1] heeft per WhatsaApp een foto van zijn rijbewijs gestuurd.
Hiltermann heeft ter onderbouwing van het bestaan van de overeenkomst diverse stukken overgelegd, waaronder de overeenkomst. Een onderhandse akte heeft op grond van artikel 157, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) tussen partijen in beginsel dwingende bewijskracht. Op grond van artikel 156, eerste lid, Rv is een akte een ondertekend geschrift dat bestemd is om tot bewijs te dienen. De door Hiltermann overgelegde huurkoopovereenkomst is bestemd om tot bewijs te dienen van hetgeen tussen partijen is overeengekomen. Hiltermann stelt dat [persoon 1] de overeenkomst digitaal heeft ondertekend. Op grond van artikel 3:15a BW heeft een elektronische handtekening dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening als de methode die voor ondertekening is gebruikt voldoende betrouwbaar is, gelet op het doel waarvoor de elektronische handtekening is gebruikt en op alle overige omstandigheden van het geval. [persoon 1] betwist echter de overeenkomst gesloten te hebben en digitaal te hebben ondertekend.
Ingevolge het tussenvonnis van 18 februari 2026 is Hiltermann toegelaten te bewijzen dat de persoonsidentificatie met de persoonlijke bankgegevens van [persoon 1] heeft plaatsgevonden. Hiltermann heeft daarop een schriftelijke verklaring van de heer [persoon 3] . De verklaring luidt als volgt:
Ontmoeting
“Op Augustus 2023 omstreeks 12:00 heb ik een ontmoeting gehad met de heer [persoon 1] en de heer [persoon 2] . op de parkeerplaats van [restaurant] te [plaats 2] . Het kwam ter sprake dat ze een personenauto wilde leasen, op dat moment reden ze in een bedrijfswagen.
Heb gezegd dat ze me maar een link moesten sturen van de auto en Rijbewijs en Iban en telefoonnummer en email.
Vaststelling en identiteit
De stukken zijn later verstuurd inclusief RBW en [persoon 1] en een link van de auto en zakelijk bankpas. Ik bevestig hierbij dat ik de personen die tegenover mij zaten, heb geïdentificeerd als de voornoemde heren [persoon 1] en [persoon 2] . Ik heb hierbij kennis genomen van het rijbewijs. Er bestaat bij mij geen enkele twijfel over de identiteit van deze personen.
Inhoud van het gesprek en intentie
Tijdens het korte gesprek hebben beide personen expliciet hun gezamenlijke intentie uitgesproken om een voertuig te leasen op basis van een financiële leaseconstructie. Er is later specifiek gesproken met [persoon 2] over:
-
Het type voertuig dat zij wensten te leasen;
-
De voorwaarden van de financiële lease (zoals looptijd en aanbetaling)
-
De zakelijke of persoonlijke beweegredenen voor de leaseaanvraag.
Beide personen toonden zich volledig op de hoogte van de aard van het gesprek en bevestigden dat zij de beoogde contractspartijen zouden zijn in de leaseovereenkomst. Twickey is ook ondertekend met prive rekening van [persoon 1] alle mailverkeer via [bedrijf 2]
Conclusie
Ik verklaar hiermee dat de ontmoeting heeft plaatsgevonden op de genoemde locatie en tijd, er is toen oriënterend gesproken over lease en de stukken zijn later verzonden via de bedrijfsmail.
Ik heb of had geen enkele reden om fraude of iets dergelijks te vermoeden.
De aanbetaling is ook afgehandeld met de betrokken dealer.”.
Hiltermann stelt verder inlichtingen te hebben ingewonnen bij Twikey, de tussenleverancier van ABN AMRO voor digitale machtigingen. Volgens Hiltermann blijkt uit de beschikbare gegevens dat er op 1 september 2023 om 09:43:47 uur een succesvolle identificatie en ondertekening heeft plaatsgevonden via het IDIN-protocol. Ingevolge het tussenvonnis van 15 juli 2026 is Hiltermann in de gelegenheid gesteld om de door de bank te verstrekken identificatiegegevens over te leggen. Hiltermann heeft bij akte laten weten dat zij geen aanvullende informatie van de bank heeft verkregen.
[persoon 1] betwist uitdrukkelijk dat een ontmoeting heeft plaatsgevonden zoals door [persoon 3] gesteld. De verklaring is ook niet ondertekend en bevat schrijf/spelfouten, is niet consistent en heeft onbegrijpelijke formuleringen. De verklaring kan niet dienen als voldoende bewijs en moet daarom buiten beschouwing worden gelaten.
[persoon 1] betwist verder dat er een succesvolle identificatie heeft plaatsgevonden gekoppeld aan de persoonlijke bankgegevens van [persoon 1] .
De kantonrechter is van oordeel dat de overgelegde verklaring van [persoon 3] de nodige twijfels oproept. De verklaring kan daarom niet zelfstandig maar ook niet in samenhang met de digitale ondertekening bewijs opleveren van het bestaan van de overeenkomst. Omdat de informatie over de persoonlijke bankgegevens van [persoon 1] ontbreken kan geen koppeling worden vastgesteld met de elektronische ondertekening. Er kan daarom geen andere conclusie worden getrokken dan dat de stellingen van Hiltermann niet zijn komen vast te staan en dat de vordering dientengevolge moet worden afgewezen.
Hiltermann is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [persoon 1] worden begroot op:
|
- salaris gemachtigde |
€ |
1.296,00 |
(3 punten × € 432,00) |
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.440,00 |
In de vrijwaringszaak
[persoon 1] vordert – samengevat – [persoon 2] te veroordelen tot hetgeen waartoe [persoon 1] in de hoofdzaak wordt veroordeeld en tot betaling van de proceskosten.
Tegen de niet verschenen [persoon 2] is verstek verleend.
Omdat in de hoofdzaak geen veroordeling tegen [persoon 1] is uitgesproken, zal in de vordering van [persoon 1] op [persoon 2] eveneens worden afgewezen.
3 De beslissing
De kantonrechter
In de hoofdzaak:
wijst de vorderingen van Hiltermann af,
veroordeelt Hiltermann in de proceskosten van € 1.440,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Hiltermann niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
In de vrijwaringszaak:
wijst de vordering af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Berg Jeths-van Meerwijk en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026. |
||