ECLI:NL:RBLIM:2026:9667

Datum uitspraak
30-09-2026
Instantie
Rechtbank Limburg
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
12327895 \ CV EXPL 26-4026
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

onbevoegd

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 12327895 \ CV EXPL 26-4026

Vonnis van 30 september 2026

in de zaak van

de buitenlandse publiekrechtelijke rechtspersoon

STAD ANTWERPEN,

te Antwerpen (België),

eisende partij,

hierna te noemen: Stad Antwerpen,

gemachtigde: [gemachtigde] LL.M.,

tegen

[gedaagde partij] B.V.,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde partij] ,

gemachtigde: mr. G. Debije.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding- de conclusie van antwoord.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 27 november 2015 heeft het Vlaams Parlement een decreet aangenomen dat ziet op Lage-emissiezones.

2.2.

Op 26 februari 2016 heeft de Vlaamse Regering een Besluit betreffende Lage-emissiezones aangenomen. In dit besluit zijn nadere definities opgenomen voor de bepaling van de emissienormen van voertuigen.

2.3.

Stad Antwerpen heeft in het Gemeentelijk Reglement Lage-Emissiezone uitvoering gegeven aan voornoemd decreet en besluit door de Lage Emissiezone voor de Stad Antwerpen vast te stellen. In artikel 2.1 tot en met 2.3 van het Gemeentelijk Reglement is opgenomen dat voertuigen die niet voldoen aan de emissienormen of geen LEZ-dagpas hebben aangevraagd, niet in de lage emissiezone mogen rijden. Op grond van artikel 7.2 van het Gemeentelijk Reglement staat op de eerste overtreding een sanctie van € 150,00.

3 Het geschil

3.1.

Stad Antwerpen vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 228,60, te vermeerderen met proceskosten.

Ter onderbouwing van haar vordering stelt Stad Antwerpen dat een motorvoertuig van [gedaagde partij] zich op 21 mei 2023 heeft bevonden in de Lage Emissiezone. Het voertuig voldeed niet aan de emissienormen en zij was niet in het bezit van een LEZ-dagpas, zoals vastgesteld in het Reglement. Stad Antwerpen heeft [gedaagde partij] daarom een administratieve boete opgelegd van

€ 150,00. De vordering van Stad Antwerpen bestaat uit het boetebedrag van € 150,00, administratiekosten LEZ van € 20,00, kosten invordering LEZ van € 30,00 en kosten ingebrekestelling van € 28,60.

3.2.

[gedaagde partij] voert als meest verstrekkende verweer aan dat de kantonrechter onbevoegd is om van de vordering van Stad Antwerpen kennis te nemen, onder verwijzing naar een tweetal recente vonnissen van de kantonrechter van deze rechtbank.

3.3.

De kantonrechter heeft vervolgens vonnis bepaald.

4 De beoordeling

4.1.

Gelet op het internationale karakter van dit geschil moet de kantonrechter eerst beoordelen of hij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen.

Administratiefrechtelijke zaak

4.2.

De kantonrechter stelt vast dat de door Stad Antwerpen opgelegde sanctie een eenzijdig door haar opgelegde administratieve boete is die daardoor niet kwalificeert als een burgerlijke of handelszaak in de zin van de Brussel I-bis Verordening. Nu er sprake is van een administratiefrechtelijke zaak is de Brussel I-bis Verordening niet van toepassing, en kan de kantonrechter aan die Verordening geen bevoegdheid ontlenen.

Geen vordering betreffende een burgerlijk recht en geen restrechter

4.3.

De kantonrechter verwijst in dit verband naar de recente uitspraak van de kantonrechter te Roermond van 24 juni 2026 (ECLI:NL:RBLIM:2026:5984). De kantonrechter heeft zich in die zaak onbevoegd verklaard om van de vordering van Stad Antwerpen kennis te nemen.

4.4.

In die zaak heeft Stad Antwerpen, evenals in de onderhavige zaak, bepleit dat, nu geen verordening of verdrag de rechtsmacht regelt, de kantonrechter zijn bevoegdheid ontleent aan artikel 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Artikel 2 Rv bepaalt dat in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid, de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft indien de gedaagde in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. De redenering van Stad Antwerpen is dat voor het onderhavige geschil geen specifieke procedure is aangewezen, zodat de dagvaardingsprocedure bij de civiele rechter als restcategorie van toepassing is.

4.5.

De burgerlijke rechter is op grond van artikel 112 lid 1 Grondwet bevoegd om van alle geschillen betreffende burgerlijke rechten kennis te nemen. Wanneer een andere rechter bevoegd is kennis te nemen van een geschil, doet dat op zichzelf niet af aan deze bevoegdheid van de burgerlijke rechter. Wel dient de burgerlijke rechter de eiser of verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering of verzoek als de rechtsgang bij die andere rechter ter zake van het geschil voldoende rechtsbescherming biedt (Hoge Raad 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1560, rechtsoverweging 3.2.2.).

4.6.

De kantonrechter wijst er nogmaals op dat in deze zaak geen sprake is van een vordering die voortvloeit uit een burgerlijk recht. In dit geval vloeit de vordering van Stad Antwerpen immers voort uit een administratiefrechtelijk besluit tot oplegging van een geldboete. De enige mogelijkheid om de vordering te beoordelen is dan ook om als restrechter op te treden.

4.7.

De rechtspraak van de Hoge Raad waaruit voortvloeit dat de burgerlijke rechter aanvullende rechtsbescherming biedt (c.q. als restrechter optreedt), mist in dit geval toepassing. De Hoge Raad heeft immers in het Changoe-arrest (Hoge Raad 28 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0527) bepaald dat die mogelijkheid alleen kan worden ingeroepen door burgers, indien er geen bestuursrechtelijke weg openstaat die met voldoende waarborgen is omkleed. De rechtspraak van de Hoge Raad in het Changoe-arrest is gebaseerd op het grondrecht dat eenieder toegang moet hebben tot de rechter, zoals dat ook is vastgelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De Hoge Raad heeft al eerder bepaald dat onder ‘eenieder’ niet de overheid wordt verstaan omdat grondrechten enkel door de burger tegen de overheid kunnen worden ingeroepen en niet door de overheid zelf (Hoge Raad 6 februari 1986, AB 1987,272 (ARAL/Den Haag)). Artikel 6 EVRM is naar het oordeel van de Hoge Raad geschreven voor de bescherming van - en in te roepen door - natuurlijke personen en privaatrechtelijke rechtspersonen. In dit geval treedt Stad Antwerpen niet op als privaatrechtelijk persoon maar als bestuursorgaan. Zij kan de door haar opgelegde administratieve sanctie daarom niet voorleggen aan de civiele rechter. Niet op basis van artikel 2 Rv en ook niet door een beroep te doen op de aanvullende rechtsbescherming die de burgerlijke rechter biedt.

4.8.

De conclusie moet zijn dat de kantonrechter ook in de onderhavige zaak onbevoegd is om van de vordering van Stad Antwerpen kennis te nemen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om Stad Antwerpen in de onderhavige zaak opnieuw in de gelegenheid te stellen zich over de onbevoegdheid van de kantonrechter uit te laten.

4.9.

In de uitspraak van 24 juni 2026 heeft de kantonrechter - ten overvloede - overwogen dat er een andere rechtsingang openstaat voor het innen van de administratieve sanctie door Stad Antwerpen. De door Stad Antwerpen opgelegde administratieve sanctie voldoet naar het oordeel van de kantonrechter aan alle voorwaarden uit het Kaderbesluit 2005/214/JBZ van 24 februari 2005 van de Raad van de Europese Unie inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties, en de daarop gebaseerde wetten. In België is het Kaderbesluit omgezet in de Wet inzake de toepassing van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie. In Nederland is het Kaderbesluit geïmplementeerd in de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC). Uit artikel 4 WWETGC volgt dat de officier van justitie van het arrondissement Noord-Nederland, verbonden aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), bevoegd is tot erkenning van buitenlandse geldelijke sancties, beslissing tot confiscatie en een confiscatiebevel. Het verzoek tot invordering wordt door de bevoegde autoriteit van het verzoekende land verstuurd naar het CJIB. De tenuitvoerlegging van de vordering wordt in de praktijk verzorgd door het CJIB, op dezelfde manier als waarop de tenuitvoerlegging in Nederland wordt uitgevoerd.

4.10.

Stad Antwerpen is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om Stad Antwerpen te veroordelen in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten, maar zal de proceskosten begroten aan de hand van het binnen de rechtspraak geldende liquidatietarief. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

€

43,00

(1 punt × € 43,00)

- nakosten

€

21,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

64,50

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verklaart zich onbevoegd om van de vordering van Stad Antwerpen kennis te nemen,

5.2.

veroordeelt Stad Antwerpen in de proceskosten van € 64,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Stad Antwerpen niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Berg Jeths-van Meerwijk en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »