ECLI:NL:RBLIM:2026:9259

Datum uitspraak
02-09-2026
Instantie
Rechtbank Limburg
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
C/03/341533 / HA ZA 25-201
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Onderzoek gemeente naar uitlatingen gemeenteraadslid niet in strijd met recht op vrije meningsuiting.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/341533 / HA ZA 25-201

Vonnis van 2 september 2026

in de zaak van

[eisende partij] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eisende partij] ,

advocaat: mr. D.N. Lavain,

tegen

[de gemeente] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de Gemeente,

advocaat: mr. R.T.L.J. Jongen.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • de rolbeslissing van 5 november 2025,

  • de akte na eiswijziging met producties 41 tot en met 46 van de Gemeente,

  • de brief van 30 april 2026 met producties 38 tot en met 43 van [eisende partij] en mededeling van een vermindering van eis,

  • de akte overlegging productie 47 van de Gemeente,

  • het proces-verbaal van de mondelingen behandeling op 13 mei 2026.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisende partij] is gemeenteraadslid binnen de Gemeente voor de [politieke partij] . Daarnaast werkt [eisende partij] als [functie 1] .

2.2.

[eisende partij] heeft in januari 2024 een opiniestuk geschreven voor de [krant] (hierna: ‘ [krant] ’) met als titel “ [opiniestuk] ” (productie 1 [eisende partij] ). Het was de bedoeling dat het opiniestuk op 10 januari 2024 online op de website van [krant] zou worden gepubliceerd en dat het op 11 januari 2024 in gedrukte versie in de krant zou komen.

2.3.

Op 10 januari 2024 om 16:00 uur verscheen het opiniestuk op de website van [krant] . Enkele uren later (omstreeks 21:00 uur) is het offline gehaald. Het is in de online gepubliceerde vorm niet in de gedrukte versie in [krant] verschenen.

2.4.

In het opiniestuk heeft [eisende partij] (voor zover thans van belang) het volgende geschreven (de vetmarkeringen zijn door de rechtbank aangebracht):

“(...) In 2020 heeft een aantal multimiljonairs zich verenigd in de [groep] met het doel om [voetbalclub] weer financieel gezond te krijgen. Een voorzichtige schatting is dat deze investeerders samen goed zijn voor ruim

[bedrag 1] . Ze hebben samen ettelijke miljoenen in de voetbalclub gestoken en kregen een maand na oprichting de gemeenteraad van [plaats] zo ver dat deze een nieuwe huurverlaging voor het [stadion] accepteerde.

In juli 2023 kregen deze rijken het voor elkaar dat de huurschuld van [voetbalclub] uit de boeken verdween, wat mij betreft een dieptepunt in de [plaatselijke] politiek. Het heet in de officiële stukken dat [voetbalclub] daar een ‘gepaste tegenprestatie’ voor gaat leveren. Wat dat inhoudt is een halfjaar na het wegstrepen van minimaal [bedrag 2] nog niet duidelijk.

[burgemeester] , zelfverklaard [voetbalclub] -fan, praatte bij de KNVB als [naam] om hiervoor goedkeuring te krijgen. Haar [echtgenoot] werd in [jaar 1] tot de [benaming] van Nederland uitgeroepen omdat hij in [jaar 2] als [functie 2] van [bedrijf] [bedrag 3] binnen harkte. Dus de [familie] had de gemeente niet nodig om [voetbalclub] financieel te steunen.

Het is tegen de goede zeden om publiekelijk iemands extreme rijkdom ter sprake te brengen. Maar waarom eigenlijk? Superrijk zijn is geen verdienste; je geboorteplaats, je ouders, je intellect, je fysieke eigenschappen, je karakter, zijn allemaal een kwestie van geluk. Net als iedereen profiteren ook superrijken van de gemeenschap, maar ze hebben ook geboft te leven in een tijd waarin extreme rijkdom mogelijk is. Ik vraag mij af waarom deze mensen bij de gemeenschap om geld durven te bedelen, ook al doen ze dat niet voor zichzelf. De ethische vraag of bij deze ongelijke verhoudingen een beroep op de gemeenschap nog moreel juist en rechtvaardig is, wordt door deze superrijke bestuurders blijkbaar niet gesteld. Het wordt tijd voor de hamvraag: Wanneer heeft u genoeg en wat zou het betekenen als u alles boven de [bedrag 4] jaarlijks afroomt en in de gemeentekas van uw woonplaats stort? (...)”

2.5.

Bij Whatsapp-bericht van 10 januari 2024 om 21:53:26 uur (productie 6 de Gemeente) heeft de raadsgriffier van de Gemeente aan [eisende partij] het volgende bericht:

“Hoi [eisende partij] , Ik heb vandaag je opinie stuk gelezen. Uiteraard staat het iedereen vrij om artikelen te schrijven maar de opmerking over de rol van de burgemeester noopt me om dat nader te bekijken in relatie tot onze gedragscode. Wil je dat toch even laten weten en hopelijk kunnen we als je terug bent aan tafel (...)”

2.6.

Bij e-mailbericht van 11 januari 2024 om 6:25 uur (productie 7 de Gemeente) heeft de burgemeester van de Gemeente (hierna: de burgemeester) aan [eisende partij] (en de fractie van de [politieke partij] ) het volgende laten weten:

“Beste [eisende partij] , beste fractie van de [politieke partij]

Met open vizier werken is mijn motto. Daarom laat ik je weten dat ik je gisteren kort online verschenen opiniestuk in [krant] als smakeloos en ongepast hebt ervaren.

Het getuigt van weinig respect voor het ambt van burgemeester en voor een zelfstandig functionerende vrouw in dit ambt dat een raadslid in een publiek stuk het werk en inkomen van een echtgenoot betrekt op de werkzaamheden van haar burgemeester.

Het verbaast me met welk venijn jij en de fractie van de [politieke partij] mij als burgemeester bejegenen. Zoals aangegeven werk ik met open vizier en geef ik aan wat ik ergens van vind, direct en niet via de media. Het zou je sieren, en met jou de fractie van de [politieke partij] , als deze werkwijze ook door jou/jullie zelf wordt toegepast. Immers de ook door jullie gewenste verbetering van de debatcultuur in onze raad is gebaat bij aanspreken, werken met open vizier, met debat op inhoud, niet bij oordelen en veroordelen in het publieke domein. Als jullie voorzitter zal ik dit blijven aanspreken en adresseren. (...)”

2.7.

Bij brief van 16 januari 2024 (productie 8 de Gemeente) heeft de [politieke partij] -fractie een reactie aan de burgemeester gestuurd, die er - kort gezegd - op neerkomt dat de [politieke partij] -fractie niet ziet wat de gedragscode ermee te maken heeft, aangezien het gaat om een opiniestuk dat zou vallen onder het recht van vrije meningsuiting.

2.8.

Naar aanleiding van (de hiervoor vetgedrukt weergegeven passages in) het opinieartikel heeft burgemeester op 17 en 28 januari 2024 melding gedaan bij de integriteitscommissie van de Gemeente (productie 9 de Gemeente). Deze integriteitscommissie is ingesteld bij besluit van de gemeenteraad van 29 september 2021 (productie 3 van de Gemeente) en heeft mede tot taak om een besluit te nemen over de te volgen aanpak in geval van een integriteitsmelding. In haar melding stelt de burgemeester dat [eisende partij] met het doen publiceren van het opinieartikel in strijd heeft gehandeld met de artikelen 5, 5.1. en 5.3. van de Gedragscode voor raadsleden van de [gemeente] (productie 2 van [eisende partij] , hierna: de gedragscode). De betreffende artikelen van de op 30 september 2015 in werking getreden gedragscode luiden, voor zover relevant, als volgt:

“Artikel 5

Politieke ambtsdragers gaan respectvol met elkaar en met ambtenaren om.

(…)

Artikel 5.1.

“Raadsleden bejegenen elkaar, bestuurders, de griffie(r) en andere ambtenaren op correcte wijze in woord, gebaar en geschrift.”

(…)

Artikel 5.3:

“Raadsleden onthouden zich in woord, gebaar en geschrift, inclusief elektronische berichten, van persoonlijke

aanvallen op individuele raadsleden, bestuurders en/of ambtenaren in of rondom raads- en commissievergaderingen en in het openbaar.”

2.9.

Op 18 januari 2024 heeft de fractie van de [politieke partij] het opiniestuk van [eisende partij]

gepubliceerd op haar facebookpagina ( [politieke partij] [plaats] ), onder vermelding dat er een melding bij de integriteitscommissie is gemaakt door de burgemeester (productie 11 de Gemeente).

2.10.

De integriteitscommissie heeft de melding op 17 januari 2024 in behandeling

genomen en is op 18 januari 2024 bijeengekomen om de melding te bespreken. Hiervan is een verslag gemaakt, dat op 5 februari 2024 is vastgesteld (productie 16 de Gemeente). In het verslag staat onder meer het volgende:

“(...) Weging:

De melding richt zich op een vermoeden overtreding gedragscode, artikel 5, 5.1 en 5.3. De melding gaat over een opinieartikel. De benodigde bijlagen zijn daarvoor toegevoegd.

Het betreft een melding die de gedragscode raakt. Dit is ook af te leiden uit de gedragscode zelf gezien de voorbeelden die daarin zijn opgenomen over het openbaar aanvallen (bijvoorbeeld oefening vijftien).

Vervolg aanpak: een extern advies inwinnen over het vermoeden overtreding gedragscode door de meldingen inclusief bijlagen te overhandigen aan een externe onderzoeker en deze de toets te laten uitvoeren aan de hand van de gedragscode om te komen tot een opvolgingsadvies.

[bureau] ( [bureau] ) is gevraagd om deze oriëntatie uit te voeren. (...)”

Verder staat in het verslag dat de burgemeester niet heeft deelgenomen aan de voorbereiding en ook niet aan de weging zelf.

2.11.

Op 18 en 19 januari 2024 is het opiniestuk van [eisende partij] in de online respectievelijk papieren versie van [krant] gepubliceerd, waarbij de hiervoor vetgedrukte passages zijn weggelaten. In [krant] van 19 januari 2024 is ook een artikel gepubliceerd waarin wordt ingegaan op de melding van de burgemeester bij de integriteitscommissie (productie 13 de Gemeente).

2.12.

De integriteitscommissie heeft opdracht gegeven aan [bureau] (hierna: [bureau] ) om een oriënterend onderzoek uit te voeren en een opvolgingsadvies te geven. Op 5 februari 2024 heeft [bureau] haar advies uitgebracht (hierna: het advies, productie 3 [eisende partij] ).

In haar rapport heeft [bureau] vermeld dat er geen persoonsgericht onderzoek of andere vorm van onderzoek gericht op waarheidsvinding is uitgevoerd. Over het opinieartikel meldt [bureau] onder meer dat:

“(...) de uitspraken van raadslid [eisende partij] gedaan in het opinieartikel in [krant] niet passen bij de respectvolle omgangsvormen die van raadsleden worden verwacht en dat hier sprake is van een integriteitsschending. Het betreft hier een (beperkte) persoonlijke aanval die strijdig is met artikel 5.1. en 5.3. van de Gedragscode voor Raadsleden van de Gemeente [plaats] . (...) In 4.2 constateerden we dat er sprake is van een schending, namelijk van art. 5.1 en art. 5.3. van de Gedragscode. De ernst van de schending is beperkt. De onderzoekswaardigheid daarmee ook. Wij verwachten bovendien dat een persoonsgericht onderzoek geen relevante nieuwe feiten zal opleveren, terwijl een dergelijk onderzoek om diverse redenen moet worden beschouwd als een ingrijpend middel. (...) Kortom is een dergelijk onderzoek proportioneel? Daarbij moet worden meegenomen dat een persoonsgericht onderzoek een ingrijpend middel is, voor allereerst alle betrokkenen en daarnaast ook voor het bestuur. Vervolgens moet daarom ook worden gewogen of er geen lichter, minder ingrijpende of minder schadelijke manier is om het gewenste eindresultaat te bereiken (het subsidiariteitsbeginsel). Het gewenste eindresultaat hier laat zich formuleren als: een einde aan de persoonlijke aanvallen en andere schendingen van omgangsvormen zoals beschreven in de gedragscode. En daarmee verbonden: normalisering van de verhoudingen tussen het raadslid en primair de burgemeester. Het is twijfelachtig of het uitvoeren van een onderzoek op dit moment tot dit beoogde resultaat zal leiden. Daarenboven lijken andere, minder ingrijpende middelen voor handen met een grotere waarschijnlijkheid om beschreven einddoel te behalen. Uit oogpunt van (onderling verweven) effectiviteit, proportionaliteit en subsidiariteit is onderzoek op dit moment niet het meest geëigende middel. (...) Uit oogpunt van effectiviteit, proportionaliteit en subsidiariteit, namelijk vanwege de beperkte bijdrage aan eerder geformuleerde gewenste resultaat, de potentiële schade dat ieder persoonsgericht onderzoek met zich meebrengt en daarbij de te verwachten verdere verstoring van de relatie wanneer een dergelijk onderzoek plaatsvindt, adviseren wij op dit moment geen persoonsgericht onderzoek in te stellen.”

[bureau] heeft vijf adviezen geformuleerd aan de leden van de integriteitscommissie (p. 9 en 10), die er (mede) op gericht zijn te werken aan herstel van de relatie tussen [eisende partij] en de burgemeester.

2.13.

De integriteitscommissie heeft vervolgens in een vergadering op 5 februari 2024 het volgende geconcludeerd:

‘Nu het advies van [bureau] concludeert dat de melding de gedragscode raakt, een schending door de externe adviseur is vastgesteld in de oriëntatiefase en de commissie besloten heeft geen aanvullende onderzoeksstappen te zetten kan de melding worden afgehandeld. [eisende partij] wordt geïnformeerd over de melding en de afhandeling daarvan met een uitnodiging om samen vervolgstappen te zetten met als start een stop-gesprek, wordt melder geïnformeerd over de afhandeling van deze melding en wordt de gemeenteraad en college geïnformeerd over de melding.’

2.14.

Bij brieven van 5 februari 2024 (verzonden op 6 februari 2024, productie 20 de Gemeente) zijn [eisende partij] en de burgemeester door de integriteitscommissie geïnformeerd over het advies. [eisende partij] is tevens uitgenodigd voor een gesprek.

2.15.

Per raadsinformatiebrief van 5 februari 2024 (productie 21 de Gemeente) is de gemeenteraad geïnformeerd over het advies. Deze raadsinformatiebrief, inclusief het advies, is op 6 februari 2024 gepubliceerd in [raadsinformatiesysteem] , zijnde het openbare raadsinformatiesysteem van de Gemeente.

2.16.

Op 7 februari 2024 (productie 22 de Gemeente) is in [krant] een artikel verschenen over de raadsinformatiebrief en het advies van [bureau] , onder de kop: “Opinieartikel van [politieke partij] -raadslid [plaats] was in strijd met gedragscode, maar niet ernstig”. [krant] schrijft - kort gezegd - dat met het opinieartikel waarin het privévermogen van [burgemeester] en haar man wordt gekoppeld aan het kwijtschelden van de huurachterstand van [voetbalclub] , [eisende partij] de gedragscode van de Gemeente heeft overtreden, maar dat de kwestie volgens onderzoeksbureau [bureau] voor een groot deel onder de vrijheid van meningsuiting valt en dat de ernst van de schending beperkt is.

2.17.

Bij e-mailbericht van 14 februari 2024 (productie 25 de Gemeente) heeft [eisende partij] aan de Gemeente - kort gezegd - laten weten dat (i) [eisende partij] in het opiniestuk een filosofische en tegelijkertijd politieke opvatting heeft weergegeven, waarbij gebruik is gemaakt van openbare bronnen, (ii) er geen protocol bestaat voor de behandeling van integriteitsmeldingen en voor de integriteitscommissie zelf, (iii) het advies van [bureau] feitelijke onjuistheden bevat, (iv) [bureau] het opiniestuk subjectief interpreteert en dat de integriteitscommissie dit klakkeloos overneemt, (v) het advies van [bureau] in strijd is met de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting, hetgeen ook geldt voor het besluit van de integriteitscommissie, en (vi) de integriteitscommissie [eisende partij] en de [politieke partij] -fractie dient te rehabiliteren.

2.18.

De [politieke partij] -fractie heeft (de inhoud van) voornoemd e-mailbericht, mede namens [eisende partij] , alsook een integrale kopie van het advies van [bureau] op 14 februari 2024 op de website van de [politieke partij] -fractie [plaats] geplaatst (productie 26 de Gemeente).

2.19.

Bij brief van 6 maart 2024 (productie 27 de Gemeente) heeft de integriteitscommissie - kort gezegd - aan [eisende partij] laten weten dat een zorgvuldige procedure is doorlopen en heeft zij [eisende partij] opgeroepen om in gesprek te gaan. Bij e-mailbericht van

8 maart 2024 (productie 28 de Gemeente) heeft [eisende partij] afwijzend gereageerd op deze oproep.

2.20.

Op 10 maart 2024 (productie 29 de Gemeente) heeft [eisende partij] op de website van de

[politieke partij] -fractie een artikel geplaatst waarbij de integrale reactie van de integriteitscommissie is bijgevoegd.

2.21.

De [politieke partij] -fractie heeft [persoon 1] (emeritus hoogleraar bestuurskunde, hierna: [persoon 1] ) verzocht om onderzoek te doen naar het advies van [bureau] . Bij brief van 17 april 2024 (productie 5 [eisende partij] ) heeft [persoon 1] zijn contra-expertise aan de [politieke partij] -fractie doen toekomen. Daaruit blijkt dat hij de werkzaamheden van [bureau] heeft getoetst aan de eisen die volgens hem volgen uit het rapport ‘Handreiking Cultuurverandering op de werkvloer’ van de Regeringscommissaris Grensoverschrijdend Gedrag. Hij concludeert dat de door [bureau] gehanteerde procedure afwijkt van het aldus gehanteerde kader, [bureau] in het opinieartikel verwijten leest die er niet in staan en dat de conclusie dat er sprake is van handelen in strijd met de gedragscode een adequate argumentatie ontbeert.

2.22.

Op verzoek van de [politieke partij] -fractie en/of [eisende partij] zijn de bevindingen van [persoon 1] op

19 april 2024 eveneens via [raadsinformatiesysteem] openbaar gemaakt.

2.23.

Bij brief van 23 april 2024 aan de [politieke partij] -fractie is de integriteitscommissie ingegaan op - kort gezegd - (i) de procedure, (ii) het (niet verrichten van) een persoonsgericht onderzoek, (iii) proportionaliteit en subsidiariteit, (iv) zorgvuldigheid, (v) onpartijdigheid,

(vi) meldingsbereidheid en (vii) de bevoegdheid van de gemeenteraad, zulks (mede) in het licht de contra-expertise van [persoon 1] (productie 32 de Gemeente). De integriteitscommissie stelt onder meer dat het door [persoon 1] gehanteerde kader niet van toepassing is en hij ten onrechte aanneemt dat er een persoonsgericht onderzoek heeft plaatsgevonden.

2.24.

Bij brief van 31 mei 2024 (productie 7 [eisende partij] ) heeft [eisende partij] de Gemeente (meer in het bijzonder het College van B&W) - kort gezegd - aansprakelijk gesteld voor de schade die [eisende partij] als gevolg van onrechtmatig handelen van de Gemeente zou hebben geleden. Namens [eisende partij] wordt onder meer gesteld:

“(...) De [gemeente] had kritischer moeten omgaan met de inhoud van het Onderzoek en de gevolgde procedure. De Gemeente had, vooral nu geen wederhoor had plaatsgevonden, de inhoud vertrouwelijk moeten behandelen. Ook had de [gemeente] de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit moeten toepassen bij de keuze om het Onderzoek te publiceren. Dit heeft de [gemeente] nagelaten door de volledige inhoud van het Onderzoek te publiceren en proactief, via de eigen communicatiekanalen, naar journalisten te sturen. Hierdoor lijdt cliënte schade. (...)”

2.25.

Bij brief van 13 juni 2024 (productie 4 [eisende partij] ) heeft de Gemeente - kort gezegd - laten weten dat de melding naar haar mening op zorgvuldige wijze is afgehandeld, dat er géén sprake is van strijd met de in het maatschappelijk verkeer vereiste zorgvuldigheid jegens [eisende partij] en dat [eisende partij] niet in haar eer en goede naam is aangetast. De gemeente concludeert niet aansprakelijk te zijn voor de door [eisende partij] gestelde schade.

3 Het geschil

3.1.

[eisende partij] vordert - na wijzigingen van eis - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk (gemotiveerd) uitvoerbaar bij voorraad:

  1. (voor zoveel als nodig) een getuigenverhoor te bevelen (omtrent de invloed van de Gemeente op het Rapport) teneinde daarmee onrechtmatig handelen vast te stellen;

  2. voor recht te verklaren dat het oorspronkelijke opinieartikel, en daarmee ook de gewraakte passage(s), volledig binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting valt en het belang bij publicatie daarvan zwaarder weegt dan het belang van de burgemeester en haar echtgenoot bij eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

  3. de Gemeente te veroordelen om binnen 14 dagen na datum vonnis op de gemeentelijke website in de rubriek Nieuws te publiceren en gepubliceerd te houden dat het oorspronkelijke opinieartikel van 10 januari 2024 van [eisende partij] volledig binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting valt en indien de Gemeente niet voldoet aan deze veroordeling, zij een dwangsom van € 750,00 per dag of dagdeel dat zij niet aan de veroordeling voldoet aan [eisende partij] dient te betalen met een maximum van € 45.000,00;

  4. te verklaren voor recht dat de Gemeente onrechtmatig jegens [eisende partij] heeft gehandeld doordat:

  1. de Gemeente niet beschikt(e) over een protocol integriteitsschending hetgeen tot een onzorgvuldige en willekeurige behandeling van de Melding heeft geleid;

  2. de burgemeester voetstoots naar de hoofdredacteur van [krant] heeft gebeld;

  3. de opdracht tot het uitvoeren van het onderzoek aan [bureau] in strijd met de vereiste zorgvuldigheid is verleend;

  4. het door [bureau] in opdracht van de Gemeente verrichte onderzoek op zichzelf op onzorgvuldige wijze is uitgevoerd;

  5. de griffier op onzorgvuldige wijze zijn rol heeft uitgeoefend.

5. te verklaren voor recht dat de eer en goede naam van [eisende partij] ongerechtvaardigd is aangetast als gevolg van de voormelde onrechtmatige gedragingen van de Gemeente;

6. te bevelen dat de Gemeente een integriteitsonderzoek dient uit te voeren naar het handelen van de burgemeester en het onderzoek dient uit te besteden aan een extern gekwalificeerd deskundigenbureau;

7. te verklaren voor recht dat [eisende partij] met het oorspronkelijke opinieartikel de

Gedragscode niet heeft geschonden en de gewraakte passages niet beschouwd kunnen worden als een persoonlijke aanval op de burgemeester en haar echtgenoot;

8. de Gemeente te veroordelen om binnen 14 dagen na datum vonnis op de gemeentelijke website in de rubriek Nieuws te publiceren en gepubliceerd te houden dat [eisende partij] met het oorspronkelijke opinieartikel de Gedragscode niet heeft geschonden en de gewraakte passages niet beschouwd kunnen worden als een persoonlijke aanval op de burgemeester en haar echtgenoot; en indien de Gemeente niet voldoet aan deze veroordeling, zij een dwangsom van € 750,00 per dag of dagdeel dat zij niet aan de veroordeling voldoet aan [eisende partij] dient te betalen met een maximum van € 45.000,00;

9. de Gemeente te veroordelen om aan [eisende partij] binnen 14 dagen na datum vonnis een schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad c.q. aantasting eer en goede naam te betalen van een symbolisch bedrag van € 1,00;

10. de Gemeente te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder de proceskosten, eventuele kosten voor getuigenverhoor en nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis en indien voldoening binnen die termijn niet plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis;

11. althans zodanig te bepalen zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

3.2.

De Gemeente voert verweer. Kort gezegd heeft de Gemeente aangevoerd dat zij geen inbreuk heeft gemaakt op de vrijheid van meningsuiting en niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisende partij] . Ook betwist zij dat [eisende partij] in haar eer en goede naam is aangetast, laat staan dat zij daardoor schade heeft geleden.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eisende partij] stelt dat zij door het handelen van (de integriteitscommissie die onderdeel uitmaakt van) de Gemeente na(ar aanleiding van) de meldingen van de burgemeester in reactie op het opinieartikel, ten onrechte is beknot in haar recht van vrije meningsuiting. Aan dit standpunt koppelt zij de hiervoor onder 3.1. vermelde vorderingen. De rechtbank zal de vorderingen hierna puntsgewijs beoordelen.

Getuigenverhoor (petitum sub 1)

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat [eisende partij] bij dit deel van haar vordering geen voldoende (zelfstandig) belang in de zin van artikel 3:303 BW heeft. Mocht een beslissing op (één van) de andere vorderingen nopen tot bewijslevering door middel van (onder andere) getuigen, dan zal de rechtbank die gelegenheid bieden.

Verklaringen voor recht (petitum sub 2)

4.3.

[eisende partij] heeft ter onderbouwing van deze vordering - kort gezegd – het volgende gesteld.

Het oorspronkelijke opinieartikel, inclusief de gewraakte passages, valt volledig binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting en dit recht, bij afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval, weegt zwaarder dan het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de burgemeester en haar echtgenoot. Daarom bestond geen gerechtvaardigde reden om het oorspronkelijke opinieartikel te verwijderen en is (direct door [krant] en indirect door de Gemeente) een ongeoorloofde inbreuk gemaakt op

de vrijheid van meningsuiting.

In de conclusie van [bureau] , de raadsinformatiebrief van 5 februari 2024 en het krantenartikel van 7 februari 2024 komt het standpunt tot uitdrukking dat het oorspronkelijke opinieartikel slechts voor een (groot) deel onder de vrijheid van meningsuiting valt. Dat impliceert ten onrechte dat een gedeelte van het oorspronkelijke krantenartikel (te weten de gewraakte passages) dus niet onder de vrijheid van meningsuiting zou vallen. [eisende partij] heeft er daarom belang bij dat voor recht wordt verklaard dat het oorspronkelijke opinieartikel wel degelijk volledig binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting valt.

4.4.

De Gemeente heeft – onder meer – het volgende aangevoerd.

De vrijheid van meningsuiting van [eisende partij] is door de Gemeente nooit ter discussie gesteld. Dat [krant] het oorspronkelijke opiniestuk heeft verwijderd en wat zij heeft geschreven over het rapport van [bureau] , kan de Gemeente niet worden toegerekend. Gelet op het voorgaande heeft [eisende partij] geen belang bij haar vorderingen.

4.5.

De rechtbank stelt voorop dat [eisende partij] aan deze vordering de aanname ten grondslag legt dat haar vrijheid van meningsuiting in het geding is (geweest). Zij richt haar vordering tegen de Gemeente, wat betekent dat zij alleen voldoende belang bij deze vordering heeft als [eisende partij] is beperkt in haar vrijheid van meningsuiting of het gevaar daarop heeft bestaan en dat dit komt door het handelen van de Gemeente.

4.5.1.

Van belang is dus waaruit het handelen van de Gemeente heeft bestaan. Dit kan als volgt worden samengevat:- naar aanleiding van de meldingen van de burgemeester1 heeft de integriteitscommissie, als onderdeel van de Gemeente, deze conform het daartoe vastgestelde besluit in behandeling genomen,

- er is advies gevraagd bij het externe bureau [bureau] ,

- het vervolgens uitgebrachte advies van [bureau] is ter kennis is gesteld van de gemeenteraad,

- ook de op verzoek van [eisende partij] opgemaakte contra-expertise van [persoon 1] is aan de gemeenteraad ter kennis gesteld,

- [eisende partij] is uitgenodigd voor een gesprek.

Daarna heeft de gemeenteraad het advies van [bureau] en de contra-expertise van [persoon 1] voor kennisgeving aangenomen en aan de meldingen van de burgemeester geen verder vervolg gegeven.

4.5.2.

Deze gang van zaken kan niet tot de conclusie leiden dat [eisende partij] (mogelijk) door de Gemeente beknot is in haar vrijheid van meningsuiting. [eisende partij] heeft dat verder ook niet (deugdelijk) toegelicht. Dat zij het niet eens is met het advies van [bureau] , doet daar niet aan af. Het maakt namelijk niet alsnog dat [eisende partij] door de Gemeente is beperkt in het uiten van haar mening. De omstandigheid dat er - naar aanleiding van de melding - onderzoek is gedaan door de Gemeente kan op zichzelf ook niet tot de conclusie leiden dat dat de Gemeente het recht op vrije meningsuiting heeft beknot. [eisende partij] heeft er weliswaar op gewezen dat in een krantenartikel in [krant] wordt gemeld dat het advies van [bureau] concludeert dat haar opinie deels onder de vrijheid van meningsuiting viel - en deels dus niet – maar aan de Gemeente kan niet gelijk gesteld worden met [bureau] en kan daarnaast ook niet worden tegengeworpen wat [krant] concludeert en schrijft. Bovendien blijft overeind dat de Gemeente [eisende partij] op geen moment impliciet of expliciet heeft bewogen tot het aanpassen of verwijderen van het artikel.

4.5.3.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, moet worden geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn dat de Gemeente [eisende partij] heeft beperkt in haar vrije meningsuiting of dat het gevaar daartoe heeft bestaan. Daarom zal het hier besproken deel van de vordering van [eisende partij] , bij gebrek aan belang, worden afgewezen.

Publicatie (petitum sub 3)

4.6.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor (rov. 4.5.2. - 4.5.3.) is overwogen, zal ook dit deel van het door [eisende partij] gevorderde worden afgewezen.

Onrechtmatig handelen (petitum sub 4)

4.7.

[eisende partij] heeft - kort gezegd - gesteld dat de Gemeente onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld doordat:

  1. de Gemeente niet beschikt(e) over een protocol integriteitsschending hetgeen tot een onzorgvuldige en willekeurige behandeling van de melding zou hebben geleid;

  2. de burgemeester voetstoots naar de hoofdredacteur van [krant] heeft gebeld;

  3. de opdracht tot het uitvoeren van het onderzoek in strijd met de vereiste zorgvuldigheid is verleend;

  4. het door [bureau] in opdracht van de Gemeente verrichte onderzoek op zichzelf op onzorgvuldige wijze is uitgevoerd;

  5. de griffier op verschillende onderdelen onzorgvuldig en onrechtmatig jegens [eisende partij] heeft gehandeld.

4.8.

De rechtbank stelt voorop dat niet elk gedrag waarmee iemand het niet eens is of wat anders had gekund, een onrechtmatige daad jegens deze persoon oplevert. Om te kunnen spreken van onrechtmatig gedrag is – kort gezegd – nodig dat er door handelen of nalaten van de ene partij een norm is overschreden die strekt tot bescherming van de belangen van de andere partij en dat deze belangen zijn geschonden. Is er sprake van vervelend of ongewenst ervaren handelen dat niet aan deze voorwaarden voldoet, dan is er geen plaats voor ingrijpen door de rechter. De rechtbank zal hieronder op de verschillende verwijten ingaan.

Sub i

4.8.1.

[eisende partij] wijst op het bepaalde in artikel 170 lid 2 Gemeentewet, waarin staat dat de burgemeester gehouden is de bestuurlijke integriteit te bevorderen. Zij stelt vervolgens dat (niet de burgemeester maar) de Gemeente nalatig is gebleven met het opstellen en vaststellen van een integriteitsprotocol. Het besluit waarbij de integriteitscommissie is opgericht en de toelichting daarop maken volgens [eisende partij] duidelijk dat het de bedoeling was dat het protocol in het begin van de nieuwe raadsperiode en direct na de gemeenteraadsverkiezingen zou worden opgesteld en aangeboden. Nu de Gemeente daarin volgens [eisende partij] tekort is geschoten, zou zij een wettelijke verplichting alsook het raadsbesluit hebben geschonden. Daarmee is, aldus [eisende partij] , de zorgvuldigheidsnorm ernstig geschonden, wat zou hebben geleid tot een onzorgvuldige en willekeurige procedure en reputatieschade aan de zijde van [eisende partij] .

4.8.2.

Het betoog van [eisende partij] is gebaseerd op de stelling dat het (nog) niet vastgesteld zijn van een integriteitsprotocol jegens haar onrechtmatig is. Dat betoog kan niet worden aanvaard. Er is, anders dat [eisende partij] stelt, geen wettelijke of andere rechtsregel die maakt dat de Gemeente gehouden is een dergelijk protocol te hebben (nog afgezien van het feit dat [eisende partij] als raadslid bij uitstek in de positie was daar verandering in te brengen althans een aanzet daartoe te doen, wat zij kennelijk niet heeft gedaan). [eisende partij] heeft bovendien niet uitgewerkt hoe het ontbreken van het protocol tot een onzorgvuldige en willekeurige behandeling heeft geleid. Anders gezegd: het onder 4.5.1. weergegeven handelen van de Gemeente is niet gebaseerd op een protocol, omdat het er toen nog niet was, maar [eisende partij] heeft niet uitgelegd waarom het om die reden onrechtmatig handelen betreft.

Sub ii

4.8.3.

[eisende partij] heeft gesteld dat doordat de burgemeester voetstoots naar de hoofdredacteur van [krant] heeft gebeld, niet overeenkomstig de vereiste zorgvuldigheidsnorm is gehandeld, waarbij [eisende partij] zich heeft beroepen op art. 1 van de gedragscode2. Volgens [eisende partij] heeft de burgemeester haar invloed en gezagspositie gebruikt om een persoonlijk belang veilig te stellen, althans de schijn daartoe gewekt. Met haar handelen is de burgemeester niet respectvol met [eisende partij] omgegaan, heeft ze [eisende partij] op incorrecte wijze bejegend en heeft zij een persoonlijke aanval op [eisende partij] gericht als individueel raadslid. In de ogen van [eisende partij] heeft de burgemeester door het bellen naar de hoofdredacteur de gedragscode met voeten getreden en daarmee de te betrachten zorgvuldigheidsnorm ernstig geschonden. Het telefoontje van de burgemeester naar de hoofdredacteur had, aldus [eisende partij] , immers het enkele oogmerk om het oorspronkelijke opinieartikel te verwijderen dan wel aan te laten passen. Volgens [eisende partij] had de burgemeester uit oogpunt van zorgvuldigheid eerst in een vertrouwelijk gesprek met de integriteitscommissie, advies moeten inwinnen. De burgemeester is dus te lichtvaardig overgegaan tot het doen van een melding, aldus [eisende partij] .

4.8.4.

De rechtbank stelt vast dat de burgemeester de aan haar verweten handelingen overduidelijk niet namens de Gemeente, maar namens zichzelf (als privépersoon) verricht. Wat er ook zij van de gemaakte verwijten, deze kunnen dus niet - zoals [eisende partij] thans doet - aan de Gemeente worden gericht. Alleen al om die reden faalt de stelling van [eisende partij] dat de Gemeente een verwijt kan worden gemaakt en kan deze niet dienen als grondslag voor de stelling dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld.

Sub iii

4.8.5.

[eisende partij] heeft over de gang van zaken wat betreft opdrachtverlening aan [bureau] het volgende gesteld:

a. niet is onderbouwd waarom [bureau] is gevraagd;

b. niet is gebleken dat aandacht is geweest voor - de schijn van - belangenverstrengeling;

c. niet is gebleken dat een offerte is opgevraagd bij meerdere partijen;

d. niet is onderzocht of de opdracht aanbestedingplichtig is;

e. niet is onderzocht of gemotiveerd dat het transparantiebeginsel en gelijkheidsbeginsel (Didam-rechtspraak) in acht is genomen;

f. niet is gemotiveerd welke objectieve criteria gelden;

g. niet is gemotiveerd wanneer de keuze valt op een gekozen partij;

h. niet is gebleken dat is onderzocht of [bureau] voldoet aan de vereiste kwaliteitsnormen en over de benodigde certificering beschikt;

i. niet is gebleken dat de integriteitscommissie op 18 januari 2024 een vergadering heeft gehouden om de melding te bespreken;

j. bij de Gemeente is van toepassing de Algemene inkoopvoorwaarden [gemeente] voor leveringen en diensten 2017; niet is gebleken dat die voorwaarden van toepassing zijn verklaard en dat essentiële onderdelen als geheimhouding (artikel 7) van toepassing zijn verklaard;

k. bij de Gemeente is van toepassing de Mandaat-, volmacht- en machtigingsregeling College [plaats] ; niet is gebleken dat de griffier (noch de Integriteitscommissie) bevoegd is om zelfstandig opdracht te geven aan [bureau] terwijl uit de regeling blijkt dat enkel bevoegd is de Directeur Domein Bestuur, de Hoofd Afdeling Algemene en Juridische zaken en de

Clusterleider Rechtsbelangen en Communicatie.

4.8.6.

Over de door [eisende partij] aldus geuite (sub)verwijten oordeelt de rechtbank als volgt.

a. Deze stelling van [eisende partij] suggereert dat de Gemeente moet onderbouwen waarom [bureau] is benaderd, maar dat spreekt niet vanzelf en is niet verder toegelicht door [eisende partij] . Bovendien heeft de Gemeente toegelicht dat en waarom de integriteitscommissie een externe partij heeft benaderd, namelijk vanwege de betrokkenheid van de burgemeester bij de integriteitscommissie, wat zeer begrijpelijk en evident niet onzorgvuldig is.

b. Voor zover [eisende partij] met – de schijn van – belangenverstrengeling doelt op de positie van de burgemeester is die stelling onbegrijpelijk, gegeven het inschakelen van een externe partij. Voor zover [eisende partij] stelt dat [bureau] niet onafhankelijk is, heeft zij dat niet deugdelijk onderbouwd. Zij heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat [bureau] vaker opdrachten aanneemt van de Gemeente, maar zij heeft daar verder geen toelichting bij gegeven. In zoverre slaagt het verweer van de Gemeente dat deze enkele omstandigheid onvoldoende is om aan te nemen dat [bureau] niet onafhankelijk zou opereren. [eisende partij] heeft verder e-mails en WhatsApp-verkeer geciteerd waaruit blijkt dat de griffier van de Gemeente voorafgaand aan het akkoord van de integriteitscommissie contact heeft gehad met [bureau] over het onderzoek. De Gemeente heeft aangevoerd dat dit een afstemming betrof over de vraag of [bureau] - kort gezegd - het onderzoek zou kunnen uitvoeren. Het enkele feit dat er contact is geweest voorafgaand aan het akkoord van de integriteitscommissie is geen reden om aan de onafhankelijkheid van [bureau] te twijfelen. [eisende partij] verwijst nog naar WhatsApp-berichten van griffier aan gemeentesecretaris (laatste pijltje van randnummer 6 in de spreekaantekeningen zijdens [eisende partij] ). Voor zover daaruit kan worden afgeleid dat namens [bureau] een eerste reactie is gedeeld met de griffier, is ook dat onvoldoende om te concluderen dat [bureau] niet onafhankelijk heeft gerapporteerd. Daarbij is van belang dat [bureau] in haar later uitgebrachte rapport heeft uiteenzet hoe zij tot haar conclusies is gekomen. Dit geeft er blijk van dat [bureau] (ook) de positie van [eisende partij] zorgvuldig heeft laten meewegen.

c. [eisende partij] heeft niet uitgelegd waarom de Gemeente gehouden zou zijn om een offerte op te vragen bij meerdere partijen, zodat aan deze stelling voorbij wordt gegaan.

d. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet te ontdekken waarom de vraag naar een aanbestedingsplicht serieus aan de orde was en/of waarom de Gemeente ter zake een verwijt ten opzicht van [eisende partij] zou kunnen worden gemaakt.

e. en f. De relevantie van deze opmerking is - zeker zonder nadere toelichting, die ontbreekt - niet te ontdekken, zodat de rechtbank hieraan verder voorbijgaat.

g. De rechtbank verwijst dienaangaande naar hetgeen zij naar aanleiding van punten a. tot en met d. heeft overwogen.

h. Ook dit punt gaat over de keuze voor [bureau] . De rechtbank verwijst naar hetgeen zij onder a. heeft overwogen. Daarbij komt dat de Gemeente er terecht op heeft gewezen dat [eisende partij] niet heeft geduid op welke normen en certificering ze doelt.

i. en j. De rechtbank verwijst dienaangaande naar hetgeen zij naar aanleiding van punten e. en f. heeft overwogen.

k. Er veronderstellenderwijs van uitgaand dat deze stelling van [eisende partij] juist zou zijn, valt niet in te zien dat daardoor en jegens [eisende partij] een in dit kader in acht te nemen norm is geschonden.

4.8.7.

De slotsom is dat de onder sub iii opgevoerde (sub)verwijten niet kunnen dienen ter onderbouwing van het standpunt van [eisende partij] .

Sub iv

4.8.8.

[eisende partij] heeft - samengevat - gesteld dat het onderzoek van [bureau] onzorgvuldig is uitgevoerd omdat 1) het ten onrechte oordelen en eindconclusies zou bevatten, 2) [bureau] enkele onderdelen in het artikel ten onrechte als uitspraken van [eisende partij] zou duiden, terwijl [eisende partij] stelt enkel vragen te hebben opgeworpen, 3) [bureau] het bezwaar van de burgemeester te beperkt zou hebben opgevat (overigens zonder toe te lichten waarom dat nadelig voor [eisende partij] zou zijn) en 4) enkele conclusies van [bureau] naar de mening van [eisende partij] onjuist zijn. De Gemeente heeft deze verwijten gemotiveerd betwist, onder meer met een verwijzing naar de reactie van de integriteitscommissie van 23 april 20243 en een op haar verzoek geschreven opinie van [persoon 2] , verbonden aan het Steunpunt Integriteitsonderzoek Politieke Ambtsdragers (productie 35 van de Gemeente). Belangrijker echter is dat de Gemeente terecht heeft aangevoerd dat, indien het onderzoek door [bureau] (op onderdelen) niet goed zou zijn geweest, dit niet betekent dat de Gemeente daardoor onrechtmatig jegens [eisende partij] heeft gehandeld. Hiervoor is al geoordeeld dat het geven van de opdracht als zodanig niet aan de Gemeente kan worden verweten en [eisende partij] heeft niet uitgewerkt waarom de Gemeente verantwoordelijk zou zijn voor de gestelde fouten in het onderzoek. Dat klemt temeer nu de Gemeente aan het onderzoek geen gevolgen voor [eisende partij] heeft verbonden, anders dan het aanbieden van een gesprek dat door [eisende partij] is geweigerd, waarna de Gemeente er geen verder vervolg aan heeft gegeven. Het betoog van [eisende partij] kan dus niet bijdragen aan haar stelling dat de Gemeente jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld.

Sub v

4.8.9.

[eisende partij] heeft gesteld dat de griffier van de Gemeente (i) met zijn handelen blijk heeft gegeven van een vooringenomen houding en onjuiste roluitoefening, (ii) sturing heeft gehad op het rapport van [bureau] en (iii) de gemeenteraad van onvolledige informatie heeft voorzien.

4.8.10.

[eisende partij] heeft dus geklaagd over het handelen van de griffier na(ar aanleiding van) de melding van de burgemeester. [eisende partij] verwijt de griffier - op basis van enkele WhatsApp-berichten aan en van de gemeentesecretaris en een e-mail aan de burgemeester - vooringenomenheid. Ook beschuldigt zij hem - op grond van enkele WhatsApp-berichten en e-mails met (een contactpersoon bij) [bureau] - van het beïnvloeden van het rapport van [bureau] . Tot slot stelt zij dat de griffier de gemeenteraad onvolledig heeft geïnformeerd, door een e-mailbericht van [bureau] niet door te sturen.

4.8.11.

De Gemeente heeft de stellingen van [eisende partij] inhoudelijk betwist. Volgens haar heeft de griffier in overeenstemming met zijn rol gehandeld en was van vooringenomenheid of handelen op eigen houtje geen sprake. De griffier heeft ook geen sturing gehad op het rapport van [bureau] en het door [eisende partij] bedoelde e-mailbericht van [bureau] weldegelijk integraal doorgestuurd aan de voorzitter en leden van de integriteitscommissie, aldus de Gemeente.

4.8.12.

Wat opvalt is dat [eisende partij] weliswaar betoogt dat er (ook in dit opzicht) fouten zouden zijn gemaakt in de afhandeling van de melding van de burgemeester, maar zij heeft wederom geen aandacht besteed aan het feit dat er door de Gemeente geen vervolg is gegeven aan de melding nadat het rapport van [bureau] is uitgekomen. Aangezien het [eisende partij] is die heeft geconcludeerd dat de Gemeente - hier via de griffier - onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, lag het op haar weg om aandacht te besteden aan de gevolgen die dit handelen voor haar heeft (gehad). Om te kunnen concluderen dat de aangesproken partij onrechtmatig heeft gehandeld, dienen de gevolgen van het handelen van die partij namelijk met feiten en omstandigheden te worden geduid en onderbouwd. Dat heeft [eisende partij] niet gedaan. [eisende partij] heeft weliswaar gesteld dat zij is beperkt in haar vrijheid van meningsuiting en is aangetast in haar eer en goede naam, maar onderbouwt dat niet (zie ook hierna). Ook de hier besproken stellingen van [eisende partij] kunnen dus niet bijdragen aan haar standpunt dat de Gemeente jegens haar een onrechtmatige daad heeft gepleegd.

Conclusie vordering sub 4

4.9.

Omdat [eisende partij] niet wordt gevolgd in haar stelling dat de Gemeente jegens haar een onrechtmatige daad heeft gepleegd, wordt vordering sub 4 afgewezen.

Verklaring voor recht (petitum sub 5)

4.10.

[eisende partij] heeft wat betreft haar stelling dat haar eer en goede naam ernstig zijn geschaad zich - kort gezegd – gebaseerd op (i) de melding van de burgemeester, (ii) de onrechtmatigheden die door de Gemeente in de openbaarheid zijn gekomen en daardoor publieke opinie zijn geworden, (iii) de onzorgvuldige opdrachtverlening tot het eveneens onzorgvuldig uitgevoerde onderzoek door [bureau] , (iv) de bevindingen van [persoon 1] , (v) het onzorgvuldig handelen van de griffier, (vi) de door haar gevorderde symbolische schadevergoeding van € 1,00 en (vii) het belang bij herstel van de aantasting van de eer en goede naam.

4.11.

De Gemeente heeft als verweer aangevoerd dat [eisende partij] zal moeten stellen en bewijzen dat zij daadwerkelijk door het handelen van de Gemeente in haar eer en goede naam is aangetast en dat zij daardoor schade heeft geleden. De enkele stelling dat sprake is van een inbreuk, is daarvoor onvoldoende, mede gelet op wettelijk stelsel van vergoeding van werkelijke schade. Van een aantasting in haar eer en goede naam is bovendien geen sprake. [eisende partij] heeft dit niet onderbouwd; zij heeft slechts bloot gesteld dat door het handelen van de Gemeente de “publieke opinie” zou zijn gewijzigd. Maar wat die “publieke opinie” dan zou zijn en in welke zin deze zou zijn gewijzigd, wordt niet onderbouwd. Het is volgens de Gemeente bovendien met name [eisende partij] zelf geweest die (al dan niet in samenspraak met de [politieke partij] ) de publiciteit heeft gezocht. Ook de stelling van [eisende partij] dat zij zou worden geschaad in de [praktijk] die zij uitoefent, wordt volgens de Gemeente niet onderbouwd. Uit de website van haar praktijk zijn geen recente activiteiten af te leiden; het contactformulier werkt niet. Recente publicaties zijn online niet te achterhalen. Het is dan ook niet aannemelijk dat [eisende partij] minder klanten zou hebben gekregen en omzet zou hebben gemist als gevolg van deze kwestie, aldus de Gemeente.

4.12.

Alleen al op grond van het feit dat - zoals uit al het vooroverwogene is gebleken - geen onrechtmatig handelen door de Gemeente jegens [eisende partij] kan worden vastgesteld, dient de hier besproken vordering te worden afgewezen. [eisende partij] heeft bovendien niet toegelicht op grond waarvan kan worden vastgesteld dat zij is aangetast in haar eer en goede naam. De enkele stelling dat zij zich in haar eer en goede naam aangetast voelt is daarvoor uiteraard onvoldoende. Ook in zoverre heeft [eisende partij] haar stelling niet voldoende onderbouwd.

Bevel tot uitvoeren integriteitsonderzoek (petitum sub 6)

4.13.

Wat er ook zij van hetgeen partijen dienaangaande over en weer hebben aangevoerd, de rechtbank is niet bevoegd te bevelen dat de Gemeente een integriteitsonderzoek naar het handelen van de burgemeester dient uit te voeren en dat dit moet worden uitbesteed aan een extern gekwalificeerd deskundigenbureau. Dit deel van het door [eisende partij] gevorderde dient dan ook te worden afgewezen.

Verklaring voor recht (petitum sub 7)

4.14.

[eisende partij] heeft - kort gezegd - gesteld dat zij met het oorspronkelijke opinieartikel de gedragscode niet heeft geschonden en zij geen persoonlijke aanval heeft gedaan op de burgemeester.

4.15.

De Gemeente heeft aangevoerd dat zij zich niet op het standpunt heeft gesteld dat [eisende partij] de gedragscode heeft geschonden en dat [eisende partij] om die reden geen belang heeft bij gevraagde verklaring van recht. Dit verweer van de Gemeente slaagt. Bovendien zijn de burgemeester en haar echtgenoot geen partij in de onderhavige procedure, terwijl de gevraagde verklaring van recht wel over hen gaat, hetgeen ook een reden is op grond waarvan de gevorderde verklaring van recht in een procedure tegen de Gemeente niet toewijsbaar is.

Publicatie (petitum sub 8)

4.16.

Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen naar aanleiding van vordering sub 7, zal ook dit deel van het gevorderde worden afgewezen.

Schadevergoeding (petitum sub 9)

4.17.

Gelet op de voorgaande oordelen over de door [eisende partij] gestelde onrechtmatige daad en aantasting van eer en goede naam, die zullen worden afgewezen, moet ook dit deel van haar vordering worden afgewezen.

Eindconclusie

4.18.

Geen van de door [eisende partij] ingestelde vorderingen is toewijsbaar. [eisende partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten), tot op heden aan de zijde van de Gemeente begroot op:

  • griffierecht € 714,00

  • salaris advocaat € 3.265,00 (5 punten x tarief € 653,00)

  • nakosten € 189,00 (plus de verhoging, zoals vermeld

in de beslissing)

TOTAAL € 4.168,00.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 4.168,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op

2 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »