RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 03.219886.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 augustus 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1984,
wonende te [adres 1] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. E.M. Geboers, advocaat kantoorhoudende te Amsterdam.
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 augustus 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Een medewerker van slachtofferhulp heeft namens aangeefster een contact- en locatieverbod gevraagd.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er - na wijziging van de tenlastelegging - kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte in Mook:
feit 1: op 16 juni 2025 zijn levensgezel [slachtoffer] heeft mishandeld door haar hoofd tegen een wasmachine te drukken en/of haar te slaan en/of haar te trappen en/of een hand op haar mond te plaatsen;
feit 2: op 17 juli 2025 zijn levensgezel [slachtoffer] heeft mishandeld door haar te slaan en/of haar te schoppen, en/of aan haar haren te trekken en/of haar hoofd in een emmer water te duwen en/of haar keel dicht te knijpen;
feit 3: op 25 juli 2025 samen met (een) ander(en) een pistool en 67 kogelpatronen voorhanden heeft gehad;
feit 4: op 25 juli 2025 samen met (een) ander(en) opzettelijk 511,63 gram GHB en/of 17,52 gram cocaïne aanwezig heeft gehad;
feit 5: op 25 juli 2025 samen met (een) ander(en) opzettelijk 9 cilinders met in totaal 14.296,8 gram lachgas aanwezig heeft gehad.
3 De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de twee mishandelingen omdat het dossier geen ondersteunend bewijs biedt voor de verklaringen van aangeefster.
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw eveneens vrijspraak bepleit omdat de verdachte niets wist dat er een wapen in de bergkast van zijn woning lag.
Voor wat betreft de feiten 4 en 5 heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank 1
Vrijspraak feit 1: mishandeling van [slachtoffer] op 16 juni 2025
Evenals de raadsvrouw, acht de rechtbank de onder feit 1 ten laste gelegde mishandeling op 16 juni 2025 niet wettig en overtuigend bewezen.
Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting kan worden vastgesteld dat er op 16 juni 2025 ruzie tussen de verdachte en aangeefster is geweest. Over wat er tijdens die ruzie is voorgevallen, lopen hun verklaringen echter uiteen. Aangeefster heeft verklaard dat zij door de verdachte met haar hoofd tegen de wasmachine is gedrukt, met gebalde vuist tegen haar hoofd is geslagen en tegen haar lichaam is getrapt. Volgens aangeefster is de kapper die gevestigd is op de begane grond naar de woning gekomen en heeft hen uit elkaar gehaald. Van het letsel heeft zij de politie foto’s en filmpjes verstrekt.
De verdachte ontkent deze mishandeling stellig. Hij heeft alleen een hand op aangeefsters mond gehouden zodat ze zou stoppen met schreeuwen. Vervolgens is hij naar de kapper beneden gelopen die op zijn verzoek naar boven is gegaan om te kijken.
Deze kapper, getuige [naam getuige 1] , heeft over 16 juni verklaard dat hij geschreeuw hoorde en dat de verdachte vervolgens zijn zaak binnenkwam, vertelde dat hij een woordenwisseling had gehad en wegging. De verdachte gaf vervolgens de telefoon van aangeefster aan de getuige, waarna de getuige op zijn beurt de telefoon aan aangeefster heeft teruggegeven en heeft gevraagd of hij nog iets voor haar kon doen. Daarop antwoordde zij ontkennend. De getuige heeft geen letsel bij aangeefster waargenomen. De getuigenverklaring biedt om die reden geen steunbewijs voor de geweldshandelingen waar aangeefster over verklaart. Dat geldt ook voor de ongedateerde letselfoto’s die aangeefster heeft overhandigd omdat op basis van het dossier niet is vast te stellen dat deze beelden verband houden met de mishandeling op 16 juni 2025.
Omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is, spreekt de rechtbank de verdachte vrij.
Vrijspraak feit 3: aanwezig hebben pistool en kogelpatronen
Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachte wist dat er in zijn bergkast een pistool en munitie lag. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De verdachte woont in een appartementencomplex. In de centrale hal heeft de verdachte een bergkast die geheel losstaat van zijn woning. Op 25 juli 2025 zijn in deze bergkast een pistool met daarin 7 kogelpatronen, tien kogelpatronen in een doorzichtige handschoen en 50 kogelpatronen in een doosje aangetroffen. In de bemonstering van de handschoen en de daarin verpakte kogelpatronen is een DNA-mengprofiel aangetroffen met daarin DNA van de verdachte, aangeefster en een derde.
De verdachte heeft verklaard dat hij er niet van op de hoogte was dat er een pistool en munitie in de bergkast lagen. Volgens de verdachte kon de bergkast met de sleutel van de voordeur geopend worden en had ook aangeefster een sleutel van zijn voordeur. De politie heeft dit niet gecheckt, maar uit het dossier valt af te leiden dat aangeefster inderdaad beschikte over een sleutel van de woning van de verdachte.
Over de aanwezigheid van zijn DNA op de doorzichtige handschoen met daarin de kogelpatronen verklaart de verdachte dat hij dit soort handschoenen in het huishouden gebruikt en dat hij daarvan een doos in zijn woning heeft staan. Bij het pakken van een handschoen uit deze doos is er mogelijk DNA op de andere handschoenen terecht gekomen. De rechtbank overweegt dat zowel aangeefster als de verdachte toegang hadden tot zowel de handschoenen als de bergkast. Het enkele aantreffen van het wapen en de munitie in de bergkast levert daarom geen wettig en overtuigend bewijs op dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van een pistool en munitie op die plaats. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij.
Feit 2: mishandeling [slachtoffer] op 17 juli 2025
Bewijsmiddelen
[slachtoffer] deed aangifte van mishandeling plaatsgevonden in de woning aan het [adres 1] te Mook en verklaarde als volgt:2
Ik wil hierbij aangifte doen tegen mijn ex-partner. Op 17 juli 2025 kwamen [verdachte] en ik terug van een feest. Toen we de woning betraden, deed hij de deur op slot en werd hij boos. Tijdens een ruzie beschuldigde [verdachte] mij van ontrouw. Hij sloeg mij meerdere keren. Toen ik daar de kans toe zag, appte en belde ik gauw mijn vriendin [naam getuige 2] . Ik schreeuwde: “Je moet nu komen. Hij heeft me helemaal in elkaar geslagen”. Ik opende mijn videobelcamera. [naam getuige 2] heeft mij vervolgens opgehaald uit de woning van [verdachte] .
Getuige [naam getuige 2] verklaart over dit voorval het volgende:3
Ik kreeg via snapchat een filmpje van mijn vriendin [slachtoffer] . Ik schrok van dit filmpje. Dat was naar aanleiding van een ruzie met haar ex. Ik zag op het filmpje dat [slachtoffer] een dikke blauwe lip had en een rood oog. Dit werd in de loop der dagen blauwer. [slachtoffer] vroeg om hulp in dit filmpje. Dit was in de nacht van 16 op 17 juli. Ik ben vervolgens naar [slachtoffer] gegaan. Zij was toen bij haar ex.
Aanvullend verklaarde [slachtoffer] over de mishandeling op 17 juli 2025 in Mook als volgt:4
Hij heeft mij toen meerdere keren met kracht met zijn vuisten op mijn gezicht
geslagen. Ik krijste van de pijn. Ik ben op 21 juli 2025 bij de huisarts geweest. Ik ben diezelfde avond nog naar het Radboud gegaan voor een MRI en een oogscan. Er was ook een stukje van mijn voortand afgebroken. Verder had ik veel beurse plekken.
De medische informatie over [slachtoffer] vermeldt over het onderzoek op 22 juli 2025 dat er sprake is van een hematoom linkeroog. Uit radiologisch onderzoek blijkt dat er sprake is van een wortelbreuk van tandelement 11 (rechter bovenste grote voortand). Enige weke delen induratie/hematoom subcutaan (=vlak onder de huid) langs de voorwand van de sinus maxillaris (-bovenkaakholtes) beiderzijds, links meer dan rechts.5
Verbalisant [naam verbalisant] relateerde – zakelijk weergegeven – als volgt:6
Op 26 juli 2025 had ik verbalisant een aanvullend verhoor met [slachtoffer] . Tijdens dit verhoor verstrekte zij mij onder meer filmpjes, foto’s en screenshots van een WhatsApp gesprek tussen haar en de verdachte.
Ik beschrijf een bestand dat hoort bij de mishandeling op 17 juli 2025.
Foto 23 tot en met foto 26: Ik herken [slachtoffer] op deze foto's. Ik zie dat zij een verdikking heeft ter hoogte van haar rechter oog. Ik zie ook een blauw, rode verkleuring ter hoogte van het ooglid van het rechteroog. Ik zie tevens een verdikking van de bovenlip en een blauw/rode verkleuring aan de binnenkant van de bovenlip van [slachtoffer] .
De verdachte verklaarde ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – als volgt:7
Op 17 juli 2025 heb ik naar [slachtoffer] gestuurd “Jouw schade over een paar weken ben je weer goed, maar mijn schade dat jij wie ik 100% vertrouw glas hard in mijn gezicht staat te liegen (…)”8, omdat zij een foto van haar lip stuurde. Met ‘jouw schade’ bedoelde ik haar letsel, omdat zij haar oog en lip noemde
Overwegingen van de rechtbank
Op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 17 juli 2025 in Mook [slachtoffer] , zijn levensgezel, tegen haar hoofd heeft geslagen.
Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario waarbij het letsel min of meer per ongeluk is ontstaan, acht de rechtbank niet aannemelijk. Volgens de verdachte heeft hij een hand voor de mond van aangeefster gehouden, omdat zij schreeuwde. Aangeefster zou de verdachte toen in zijn hand hebben gebeten en als gevolg daarvan zou de hand van de verdachte in het gezicht van aangeefster zijn gedrukt. Mogelijk is zijn vinger daarbij in haar oog terecht gekomen. De rechtbank is van oordeel dat het geconstateerde letsel van aangeefster niet past bij dit scenario van de verdachte. Zij had namelijk niet enkel een hematoom aan haar oog, maar ook een wortelbreuk van een tandelement, een verdikte bovenlip, een verkleuring aan de binnenkant van haar lip en blauwe plekken ter hoogte van beide jukbenen. Dit letsel past daarentegen goed bij de verklaring van aangeefster dat zij door de verdachte is geslagen.
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de overige tenlastegelegde geweldshandelingen omdat er naast de verklaring van aangeefster geen ander bewijs voorhanden is dat deze verklaring ondersteunt.
Feiten 4 en 5: opzettelijk aanwezig hebben GHB, cocaïne en lachgas
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte 511,63 gram GHB, 17,52 gram cocaïne (feit 4) en 14.296,8 gram distikstofmonoxide (lachgas) (feit 5) opzettelijk aanwezig heeft gehad. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het medeplegen van beide feiten, omdat er onvoldoende bewijs is van betrokkenheid van een ander.
De rechtbank volstaat ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, omdat de verdachte de bewezenverklaarde feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit. De rechtbank baseert dit oordeel op:
Ten aanzien van feit 4:
- de bekennende verklaring van de verdachte zoals afgelegd bij de politie d.d. 27 juli 2025;9
- proces-verbaal van bevindingen;10
- de kennisgevingen van inbeslagneming;11
- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen;12
- de NFI rapportages.13
Ten aanzien van feit 5:
- de bekennende verklaring van de verdachte zoals afgelegd bij de politie d.d. 27 juli 2025;14
- het proces-verbaal van bevindingen;15
- het proces-verbaal van bevindingen;16
- het proces-verbaal van bevindingen.17
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
feit 2
op 17 juli 2025 te Mook [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] tegen het hoofd te slaan, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
feit 4
op 25 juli 2025 te Mook opzettelijk aanwezig heeft gehad
- 511,63 gram GHB, en
- 17,52 gram cocaïne,
zijnde GHB en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
feit 5:
op 25 juli 2025 te Mook opzettelijk aanwezig heeft gehad negen cilinders met in totaal 14.296,8 gram distikstofmonoxide (lachgas), zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
feit 2: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel;
feit 4: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 5:opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
Psycholoog [naam 1] heeft over de geestvermogens van de verdachte op 23 april 2026 een rapport uitgebracht. De psycholoog heeft geen psychische problematiek bij de verdachte geconstateerd. Ten tijde van het tenlastegelegde lijkt er sprake geweest te zijn van stemmingsproblematiek, maar de aard daarvan kon niet goed vastgesteld worden. De psycholoog doet geen uitspraak over de mate waarin de mishandeling aan de verdachte kan worden toegerekend, omdat de verdachte ontkent en de psycholoog geen goed zicht heeft gekregen op het psychische toestandsbeeld van de verdachte ten tijde van dit feit. Ten aanzien van de GHB, cocaïne en lachgas adviseert de psycholoog om dit volledig aan de verdachte toe te rekenen.
De rechtbank komt op basis van de bevindingen en het advies in dit rapport niet tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6 De straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 12 maanden en een geldboete van
€ 2.020,40. Daarnaast heeft zij de oplegging gevorderd van een dadelijk uitvoerbare maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) inhoudende een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor de straat van aangeefster voor de duur van 5 jaren, waarbij per keer dat dit contact- en/of locatieverbod wordt overtreden de verdachte 2 weken hechtenis dient te ondergaan, met een maximum van 6 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest. Verder is de verdachte bereid zich te houden aan een contactverbod. Zij heeft verzocht het locatieverbod te beperken tot de woning van aangeefster.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft tijdens een ruzie waarin de emoties hoog opliepen zijn toenmalige partner [slachtoffer] geslagen. Uit de medische informatie blijkt dat dit flinke klappen zijn geweest. Aangeefsters gezicht was bont en blauw, zij had een wortelbreuk van een van haar voortanden en haar oog was beschadigd. Uit de verklaring van aangeefster blijkt dat met name het oogletsel haar zorgen baarde. Na ruim een week had zij daar nog last van. De verdachte heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Dergelijk gedrag is onacceptabel. Dat er sprake was van een ongezonde dynamiek in de relatie waarbij partijen elkaar over en weer afstootten en aantrokken, maakt daarbij geen verschil.
Daarnaast heeft de verdachte GHB, cocaïne en lachgas aanwezig gehad. Drugsproblematiek heeft veel impact op de samenleving en levert grote risico’s op voor de gezondheid van gebruikers. Niet uit te sluiten is dat het gebruik van dit soort middelen heeft bijgedragen aan de hiervoor genoemde ongezonde dynamiek in de relatie en de telkens escalerende ruzies.
Uit het reclasseringsrapport van 23 juli 2026 volgt dat de verdachte zich gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis aan de voorwaarden heeft gehouden. Inmiddels werkt hij als dakdekker. De reclassering acht de verdachte in staat zijn leven op een delictvrije manier in te richten zonder bemoeienis van de reclassering. Verder is de reclassering van mening dat het voorzetten van toezicht met bijzondere voorwaarden niet zal bijdragen aan het verminderen van het recidiverisico dat ingeschat wordt als gemiddeld. De reclassering adviseert dan ook een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Omdat de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie, zal zij een aanzienlijk lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft gevorderd. Alles overwegende zal de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf van 110 dagen opleggen. Deze straf is gelijk aan de duur van het voorarrest.
De rechtbank acht het niet opportuun om aan de verdachte tevens een geldboete op te leggen. De enkele omstandigheid dat geld bij hem in beslag is genomen waarop inmiddels conservatoir beslag ligt, is daarvoor onvoldoende redengevend.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat, gezien de ernst daarvan, een vrijheidsbeperkende maatregel rechtvaardigt. Om te waarborgen dat de verdachte in de nabije toekomst geen contact met [slachtoffer] zoekt en opnieuw strafbaar feiten jegens haar pleegt of zich belastend jegens haar gedraagt, zal de rechtbank hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opleggen, namelijk een contactverbod- en locatieverbod. De rechtbank beperkt dit locatieverbod tot de woning van [slachtoffer] omdat niet is gebleken van de noodzaak voor een ruimer locatieverbod. Bovendien wil de rechtbank de verdachte gelet op zijn werkzaamheden als dakdekker niet onnodig in zijn bewegingsvrijheid te beperken. De vrijheidsbeperkende maatregel zal worden opgelegd voor de duur van 2 jaren. Voor iedere keer dat de verdachte de maatregel overtreedt zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van 1 week. Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens het slachtoffer, zal de rechtbank bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Gelet op de opgelegde straf zal de rechtbank ten slotte het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis opheffen met ingang van heden.
7 De wettelijke voorschriften
8 De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten;
Bewezenverklaring
-
verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
-
spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
-
verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
-
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
-
veroordeelt de verdachte voor de feiten 2, 4 en 5 tot een gevangenisstraf van 110 dagen;
-
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Voorlopige hechtenis:
- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;
Vrijheidsbeperkende maatregel (contact- en gebiedsverbod)
- legt voor feit 2 op aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid en beveelt de verdachte dat hij zich voor de duur van 2 jaren:
-
onthoudt van – direct of indirect – contact met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1999;
-
niet ophoudt aan de [adres 2] ;
-
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, welke vervangende hechtenis ten hoogste 1 week bedraagt voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft en waarbij op grond van artikel 38w lid 3 Sr van rechtswege geldt dat de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt;
-
beveelt dat de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid dadelijk uitvoerbaar is.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.S. Vijn, voorzitter, mr. M.J.A.G. van Baal en mr. L. Feuth, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.H.M. Meisen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 augustus 2026.
Buiten staat
Mr. S.S. Vijn is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging – ten laste gelegd dat
1.
hij op of omstreeks 16 juni 2025 te Mook, althans in Nederland [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermaals, althans eenmaal
- met het hoofd tegen een wasmachine te drukken, en/of
- ( met gebalde vuist) in het gezicht en/of tegen het hoofd, althans tegen het lichaam te slaan, en/of
- tegen het lichaam te trappen, en/of
- een hand op de mond te plaatsen en/of te drukken en/of de mond dichtgedrukt te houden
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
2.
hij op of omstreeks 17 juli 2025 te Mook, althans in Nederland [slachtoffer] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meermaals, althans eenmaal
- ( met gebalde vuist) in het gezicht en/of tegen het hoofd, althans het lichaam te slaan,
- in het gezicht en/of tegen het hoofd, althans tegen het lichaam te trappen en/of te schoppen,
- aan haar haren te trekken en/of vervolgens (aan haar haren) te verslepen,
- met haar hoofd in een emmer water te duwen en/of geduwd te houden,
- de keel en/of de nek dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden,
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
3.
hij op of omstreeks 25 juli 2025 te Mook, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk Browning FN 1910, kaliber 7.65 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool,
en/of
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 67 kogelpatronen van het merk Sellier & Bullot 18, kaliber 7.65 mm Browning en/of Sellier & Bullot 13, kaliber 7.65 mm Browning en/of Norma, kaliber 7.65 mm
zijnde (telkens) een wapen en/of munitie van categorie III voorhanden heeft gehad;
4
hij op of omstreeks 25 juli 2025 te Mook, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen opzettelijk aanwezig heeft gehad
- 511,63 gram GHB, zijnde GHB, en/of
- 17,52 gram cocaïne, zijnde cocaïne
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
5
hij op of omstreeks 25 juli 2025 te Mook, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen opzettelijk aanwezig heeft gehad negen, althans meerdere, cilinders met (in totaal) ongeveer 14.296,8 gram distikstofmonoxide (lachgas), althans in elk geval een hoeveelheid lachgas, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.