RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03-223334-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 5 augustus 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
thans gedetineerd in [adres] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. D.M. Penn, advocaat te Maastricht.
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 juli 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
feit 1
primair: heeft geprobeerd om [naam 1] met een mes te dwingen geld en drugs af te geven;
subsidiair: [naam 1] met een mes heeft bedreigd;
feit 2
primair: heeft geprobeerd om [naam 1] met een mes zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;
subsidiair: [naam 1] met een mes heeft mishandeld;
feit 3: een autoband heeft vernield.
3 De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en onder 2 subsidiair tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft hij gerekwireerd tot vrijspraak.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hij heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder 2 primair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde.
Het oordeel van de rechtbank
Feit 1 primair
De rechtbank komt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde, waarbij, gelet op de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting, conform artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Bewijsmiddelen 1
-
De bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting.
-
Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 1] (pagina’s 196 tot en met 201).
-
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] (pagina’s 88 tot en met 90).
-
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] (pagina’s 91 tot en met 93).
Feit 2 primair
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verdachte behoort te worden vrijgesproken van het onder 2 primair tenlastegelegde nu het wettig bewijs voor dat feit ontbreekt. Daarvan zal de rechtbank de verdachte daarom vrijspreken.
Feit 2 subsidiair
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier weliswaar dat de verdachte een mes heeft getoond en tegen de nek/keel van [naam 1] heeft gehouden, maar niet wat er daarna exact is gebeurd. [naam 1] en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verklaren daar namelijk niet eenduidig over. Hoewel door het letsel bekend is dat [naam 1] op enig moment gewond is geraakt aan zijn hand, kan de rechtbank daarom niet vaststellen dat dit letsel is ontstaan door de feitelijkheden die onder 2 subsidiair zijn tenlastegelegd. De rechtbank zal de verdachte daarom tevens vrijspreken van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde.
Feit 3
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verdachte behoort te worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde nu het wettig bewijs voor dat feit ontbreekt. Ook daarvan zal de rechtbank verdachte daarom vrijspreken.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
Ten aanzien van feit 1 primair:
hij op 11 augustus 2025 te Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [naam 1] te dwingen tot de afgifte van geld en crack en/of cocaïne, die aan die [naam 1] toebehoorden, door een mes te tonen en/of een mes tegen de keel en/of nek van die [naam 1] te zetten en door hem de woorden toe te voegen dat hij geld en van alles wilde en/of ‘geef alles wat je hebt’, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
Ten aanzien van feit 1 primair:
poging tot afpersing
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6 De straf en/of de maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van zestien maanden met aftrek van het voorarrest, zodat in de executiefase voorwaarden kunnen worden gesteld, en heeft voorts verzocht om oplegging van de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen van twee jaren, waarvan een jaar voorwaardelijk en subsidiair om de eis van de officier van justitie te volgen.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.
De verdachte heeft de bestuurder van een auto waarin hij meereed geprobeerd af te persen met behulp van een mes. Het slachtoffer heeft zich daardoor bedreigd gevoeld en ook de andere twee inzittenden van de auto zijn erg geschrokken door het handelen van de verdachte. De rechtbank rekent de verdachte dit aan. De rechtbank heeft acht geslagen op uitspraken in vergelijkbare zaken. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van de verdachte van 18 juni 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte in 2020 en 2021 reeds eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten. Dit weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee. Uit het strafblad blijkt tevens dat de verdachte nog niet eerder tot een lange voorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld. De rechtbank acht het daarom te vroeg voor een TBS met voorwaarden, zoals in de Pro Justitia rapportages van respectievelijk 2 en 3 april 2026 door de psycholoog en psychiater als optie wordt genoemd. Wel acht de rechtbank het noodzakelijk dat aan de verdachte een straf wordt opgelegd met - als stevige stok achter de deur - een aanzienlijk voorwaardelijk deel.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 22 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met oplegging van de hierna in de beslissing te noemen bijzondere voorwaarden en een proeftijd van drie jaren, passend en geboden is.
Deze straf wijkt af van de eis van de officier van justitie, omdat bij het volgen van die eis de periode waarin de voorwaarden in het kader van de VI van toepassing zouden zijn, naar het oordeel van de rechtbank onwenselijk kort is. Nu de rechtbank kiest voor een straf met een aanzienlijk voorwaardelijk strafdeel en een proeftijd van drie jaar, ziet de rechtbank geen noodzaak meer tot het daarnaast nog opleggen van de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38z Sr.
7 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 63 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8 De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van de onder 2 primair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten;
Bewezenverklaring
-
verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
-
spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
-
verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
-
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
-
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 22 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren;
-
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
-
bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van drie jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
-
stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:
a. meldplicht bij reclassering
de veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.
middelenverbod en middelencontrole
de veroordeelde gebruikt gedurende de proeftijd geen alcohol en geen drugs, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde werkt mee aan controles op het gebruik van alcohol/drugs. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd.
begeleid wonen
de veroordeelde verblijft zolang de reclassering dat nodig vindt in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels van de instelling waar hij verblijft.
ambulante behandeling
de veroordeelde zal meewerken aan een verslavingsbehandeling en eventuele andere door de reclassering noodzakelijk geachte behandelingen door door de reclassering te bepalen zorgverlener(s), zolang de reclassering de behandeling(en) nodig vindt. De wijze van behandeling wordt door de zorgverlener(s) bepaald.
meewerken aan schuldhulpverlening
de veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt dat de veroordeelde onder bewind wordt gesteld. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
-
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de bovengenoemde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
-
Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
-
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
-
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.B.A. Ferwerda, voorzitter, mr. C.G.A. Wouters en mr. J.P.E. Mullers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.W. Levelt-Iseger, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 5 augustus 2026.
Buiten staat
Mr. J.P.E. Mullers is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE : De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
T.a.v. feit 1 primair:
hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Heerlen
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[naam 1] te dwingen tot de afgifte van geld, crack en/of cocaïne in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [naam 1] , in elk geval aan die [naam 1] en/of een derde toebehoorde(n)
een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp te tonen en/of een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp tegen de keel en/of nek van die [naam 1] heeft gezet en/of door hem de woorden toe te voegen dat hij geld en van alles wilde en/of 'geef alles wat je hebt', althans woorden van gelijke aard en/of strekking,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
T.a.v. feit 2 primair:
hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Heerlen
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [naam 1]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
één of meerdere keren (met) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, langs en/of tegen de keel, nek, handen en/of duim van die [naam 1] heeft gesneden, gestoken, gehaald en/of bewogen,
en/of één of meerdere keren met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, steek- en/of snijbewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam van die [naam 1] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
T.a.v. feit 2 subsidiair:
hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Heerlen
[naam 1] heeft mishandeld, door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in die [naam 1] zijn hand en/of duim te snijden en/of steken en/of door een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp tegen die [naam 1] zijn hand te houden en/of drukken;
T.a.v. feit 3:
hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Heerlen
opzettelijk en wederrechtelijk
een auto en/of een autoband, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [naam 1] , [naam 2] en/of [naam 3] , toebehoorde
heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;