RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12307480 \ CV EXPL 26-3688
Vonnis in kort geding van 29 juli 2026
in de zaak van
[verhuurder] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [verhuurder] ,
gemachtigde: mr. E.H.H. Schelhaas,
tegen
1 [huurder 1] ,
te [woonplaats] ,2. [huurder 2],
zonder bekende woon- en/of verblijfplaats,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [huurders] ,
niet verschenen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling van 15 juli 2026
- het tegen [huurders] verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Met ingang van 7 maart 2023 huren [huurders] samen van [verhuurder] de winkelunit die onderdeel uitmaakt van [winkelcentrum] gelegen aan de [adres] te [plaats 2] met als bestemming ‘winkelruimte’ (hierna: het gehuurde). [huurders] zijn door contractoverneming de opvolgende huurders geworden. De maandelijkse huurprijs bedraagt thans € 2.603,52 inclusief een voorschot servicekosten en btw.
Op de huurovereenkomst zijn de Algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW (model ROZ) (hierna: de algemene bepalingen) van toepassing.
[huurders] hebben het gehuurde al enige tijd niet geëxploiteerd en er is een huurachterstand ontstaan. Ondanks aanmaningen daartoe zijn zij niet tot exploitatie van het gehuurde overgegaan en is de huurachterstand niet betaald.
3 Het geschil
[verhuurder] vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
-
[huurders] hoofdelijk veroordeelt het gehuurde binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen;
-
[huurders] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de huurachterstand ter hoogte van € 4.075,60 en ingaande 1 augustus 2026 een bedrag van € 2.691,05 per maand tot aan het moment van ontruiming, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid tot het moment van betaling;
-
[huurders] hoofdelijk veroordeelt tot voldoening van de contractuele boete ter hoogte van € 27.500,00 te vermeerderen met € 250,00 voor iedere dag dat het gehuurde met ingang van 1 juli 2206 niet wordt geëxploiteerd;
Subsidiair
4. [huurders] hoofdelijk veroordeelt het gehuurde binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis weer te exploiteren op verbeurte van een dwangsom van € 750,00 per dag dat zij hiermee in gebreke zijn met een maximum van € 75.000,00;
5. indien [huurders] niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan het onder sub 4 bepaalde hebben voldaan en/of indien zij gedurende twaalf maanden na de datum van dit vonnis de exploitatie wederom staken, [huurders] veroordeelt het gehuurde binnen veertien dagen na hun verzuim te ontruimen;
Primair en subsidiair
6. [huurders] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten.
[verhuurder] legt aan haar vordering ten grondslag dat partijen in artikel 5 van de algemene bepalingen een contractuele exploitatieverplichting zijn overeengekomen die [huurders] al sinds januari 2026 niet nakomen, ook niet na sommatie daartoe. Verder is er sprake van een huurachterstand. Ook gedragen [huurders] zich niet als een goed huurder omdat zij niet meewerken aan ongediertebestrijding, terrasmeubilair laten staan en niet meewerken aan herstelwerkzaamheden aan de sprinklerinstallatie.
4 De beoordeling
Verstekverlening
[huurders] zijn niet op de mondelinge behandeling verschenen. Daarom dient de voorzieningenrechter allereerst te beoordelen of ten aanzien van de dagvaarding de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen.
[verhuurder] heeft de voorzieningenrechter verzocht op grond van artikel 117 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) de dagvaardingstermijn te verkorten. De voorzieningenrechter heeft hiervoor toestemming verleend onder de voorwaarde dat de dagvaarding uiterlijk 10 juli 2026 om 12:00 uur is betekend. Daaraan is voldaan, aangezien de dagvaarding tijdig aan [huurder 1] is betekend doordat deze in een gesloten envelop op zijn woonadres is achtergelaten en, omdat [huurder 2] geen bekend woon- of verblijfadres heeft, de dagvaarding tijdig openbaar aan [huurder 2] is betekend. Gelet hierop wordt tegen [huurders] verstek verleend.
Het verlenen van verstek houdt in beginsel in dat de vordering wordt toegewezen als deze de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Daarnaast geldt het toetsingskader voor toewijzing van een (geld)vordering in kort geding.
Spoedeisend belang
De gevorderde voorziening strekt tot ontruiming van het gehuurde en betaling van meerdere geldsommen.
Een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming is een maatregel die diep in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder ingrijpt. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet volgens vaste jurisprudentie grote terughoudendheid worden betracht, nu in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een (diepgaand) onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is. Voorts is voor de toewijzing van een vordering tot ontruiming in kort geding vereist dat het in hoge mate waarschijnlijk is dat een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is ook terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die uit hoofde van onverwijlde spoed meebrengen dat een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de voorzieningenrechter in de afweging van de belangen van partijen mede moet betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vordering tot ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurachterstand en de gebruiksvergoeding kunnen worden toegewezen. De vordering tot betaling van de contractuele boete moet worden afgewezen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Huurachterstand en ontruiming
De vordering tot betaling van de huurachterstand en ontruiming van het gehuurde komen niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze toewijsbaar zijn. Daarbij is het volgende van belang.
In de rechtspraak wordt doorgaans aangenomen dat een huurachterstand van minder dan drie maanden van te geringe betekenis is om ontbinding van de huurovereenkomst met daaraan verbonden ontruiming van het gehuurde te rechtvaardigen. De huurachterstand van € 4.075,60 bedraagt bij een huurprijs van € 2.691,05 minder dan drie maanden huur. Gelet op de door [verhuurder] gestelde en niet weersproken schending door [huurders] van de contractuele exploitatieverplichting, acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat de rechter in een eventuele bodemprocedure ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde alsnog zal toewijzen. De gevorderde ontruiming en betaling van de huurachterstand zal daarom in dit kort geding worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Omdat de primaire vordering ten aanzien van het gehuurde wordt toegewezen, wordt aan de subsidiaire vordering tot exploitatie van het gehuurde met dwangsommen niet meer toegekomen.
Contractuele boete
Daargelaten of het bestaan van een vordering van [verhuurder] op [huurders] tot betaling van een contractuele boete voldoende aannemelijk is, ligt het eerst op de weg van [verhuurder] om het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening te onderbouwen. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het belang om betaling te verkrijgen een algemeen belang is dat nagenoeg automatisch inherent is aan het hebben van een geldvordering, maar dit maakt deze vordering nog niet spoedeisend.
[verhuurder] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die maken dat wegens onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening tot betaling van de contractuele boete is vereist. Vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang wijst de voorzieningenrechter de vordering af.
Proceskosten
[huurders] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
252,92 |
|
|
- griffierecht |
€ |
1.504,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
577,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
2.477,92 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [huurders] hoofdelijk om het gehuurde gelegen aan de [adres] te [plaats 2] , onderdeel uitmakend van het [winkelcentrum] te [plaats 2] , binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen met al wie of wat zich daarin of daarop aan de kant van [huurders] mocht bevinden en het gehuurde ter vrije beschikking te stellen van [verhuurder] ,
veroordeelt [huurders] hoofdelijk tot betaling van de huurachterstand ter hoogte van € 4.075,60 en ingaande 1 augustus 2026 een bedrag van € 2.691,05 per maand tot aan het moment van ontruiming, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [huurders] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.477,92, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurders] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [huurders] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken door mr. Dohmen op 29 juli 2026.