ECLI:NL:GHDHA:2026:2842

Datum uitspraak
08-09-2026
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
200.342.940/01
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

ontbinding huurovereenkomst bedrijfsruimte wegens huurachterstand

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Team Handel

Zaaknummer hof : 200.342.940/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : 10723411 RL EXPL 23-16102

Arrest van 8 september 2026

in de zaak van

[appellante] ,

wonend in [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. F.E. Boonstra, kantoorhoudend in Den Haag,

tegen

Haghestede B.V.,

gevestigd in Den Haag,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R. de Mooij, kantoorhoudend in Den Haag.

Het hof noemt partijen hierna [appellante] en Haghestede.

1 De zaak in het kort

1.1

Haghestede verhuurde bedrijfsruimte aan [appellante] en haar vennoot. Het hof oordeelt in dit arrest dat de vorderingen van Haghestede tot ontbinding van de huurovereenkomst en betaling van achterstallige huur terecht zijn toegewezen. Het verweer van [appellante] dat zij de overeenkomst zelf al rechtsgeldig had ontbonden, omdat Haghestede lekkage- en rioleringsproblemen niet oploste, wordt verworpen.

2 Procesverloop in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • de dagvaarding van 11 mei 2024, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 21 februari 2024;

  • het arrest van dit hof van 6 augustus 2024, waarin een mondelinge behandeling is gelast;

  • de akte producties van [appellante] voor de mondelinge behandeling van 8 oktober 2024, met bijlagen;

  • de memorie van grieven van [appellante], met bijlagen;

  • de memorie van antwoord van Haghestede.

2.2

Op 25 juni 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

3 Feitelijke achtergrond

3.1

Haghestede verhuurde sinds 1 augustus 2014 de bedrijfsruimte aan de [adres] te Den Haag (hierna: het gehuurde) aan de (voormalige) vennootschap onder firma [naam], waarvan [appellante] en [vennoot] (hierna: [vennoot]) de vennoten waren. Zij exploiteerden in het gehuurde een schoonheidssalon. De huurprijs bedroeg op het laatst € 3.507,80 per maand. De huurbetalingen dienden uiterlijk op de eerste dag van de maand te zijn voldaan.

3.2

In de artikelen 3.1 t/m 3.5 van de huurovereenkomst is het volgende bepaald over de duur en opzegging van de huurovereenkomst:

“ 3.1 Deze huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van 2 jaar, ingaande op 1 augustus 2014 (hierna “ingangsdatum”) en lopende tot en met 31 juli 2016.

3.2

Deze huurovereenkomst wordt, na ommekomst van de in 3.1 genoemde periode, behoudens beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging door uitsluitend huurder in overeenstemming met art. 3.4. en 3.5 voortgezet voor een aansluitende periode van 3 jaar.

3.3

Na ommekomst van de in 3.2. genoemde periode wordt deze huurovereenkomst, behoudens beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging door huurder of verhuurder in overeenstemming met 3.4. en 3.5 voortgezet voor aansluitende perioden van telkens 5 jaar.

3.4

Beëindiging van deze overeenkomst door opzegging vindt plaats door huurder aan verhuurder of door verhuurder aan huurder tegen het einde van de huurperiode als opgenomen in art. 3.1 met inachtneming van een termijn van tenminste 6 maanden en ten aanzien van de in art. 3.2 en 3.3 vermelde huurperioden met inachtneming van een termijn van tenminste 12 maanden.

3.5

Opzegging van deze huurovereenkomst dient te geschieden bij deurwaardersexploot of per aangetekend schrijven.”

3.3

De huurovereenkomst bevat in artikel 23 de volgende bepaling over het gebruik van de kelder:

“ 23. Ten aanzien van de onder het gehuurde bevindende kelder komen partijen overeen dat het huurder vrijstaat om gebruik te maken van deze kelder. Verhuurder is niet verantwoordelijk voor het droog c.q. vochtvrij houden van de kelder. Eventueel zich in de toekomst voordoende vocht c.q. wateroverlast in de kelder, danwel tengevolge daarvan optredende overlast/schade kan aan verhuurder niet worden tegengeworpen. Huurder vrijwaart verhuurder van alle aanspraken dienaangaande.”

3.4

Op de huurovereenkomst zijn de algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW (hierna: algemene bepalingen) van toepassing verklaard. In die algemene bepalingen is onder meer het volgende opgenomen:

“ 25.1 De betaling van de huurprijs (…) zal uiterlijk op de vervaldata (…) - zonder enige opschorting, korting, aftrek of verrekening met een vordering welke huurder op verhuurder heeft of meent te hebben - geschieden door storting dan wel overschrijving op een door verhuurder op te geven rekening.

(…)

25.3

Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 1% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300 per maand.”

3.5

Op verschillende momenten heeft [appellante] e-mails gestuurd aan Haghestede waarin zij schrijft met lekkage- en rioleringsproblemen te kampen in het gehuurde.

3.6

Ook in de zomer van 2021 heeft [appellante] te maken met lekkages in het gehuurde. [appellante] heeft de schade in het gehuurde laten herstellen voor een bedrag van € 11.406,10. Haghestede heeft van de verzekeraar van de Vereniging van Eigenaars (hierna: de VvE) voor die schade een bedrag van € 10.820,90 ontvangen. Haghestede heeft dat bedrag aan [appellante] doen toekomen door dit bedrag te verrekenen met de destijds bestaande huurachterstand. In een brief van 6 juli 2022 schrijft Metterwoon (de beheerder) namens Haghestede over deze lekkage aan [appellante]:

“In juli 2021 ondervond u lekkage komende vanaf het balkon behorende bij de bovengelegen etage. In de winkelruimte is dientengevolge schade opgetreden.

Inmiddels zijn in opdracht van de vereniging van eigenaren werkzaamheden uitgevoerd teneinde wateroverlast vanaf voornoemd balkon te voorkomen. Voor zover wij kunnen nagaan, hebben zich daarna vanaf het balkon op de eerste etage geen lekkages in de winkelruimte meer voorgedaan. Is dit juist?

De vereniging van eigenaren is door Metterwoon (namens Haghestede) aansprakelijk gesteld voor de opgetreden schade. De verzekering van de vereniging heeft de schade begroot op € 10.820,90. Het bedrag is uitgekeerd aan Metterwoon en zullen wij verrekenen met de huurachterstand die u heeft opgebouwd.”

3.7

In een e-mail van 7 februari 2023 schrijft [appellante] aan Haghestede onder meer:

“Gister zijn we er achtergekomen dat de kelder compleet blank staat. Daarbij is alles wat in de kelder stond compleet verwoest door het water. Gisteravond hebben we zoveel mogelijk weggehaald. De hele zaak stinkt naar vocht en schimmel door de kelders.

De kelders moeten met spoed leeggezogen worden.

(…)

Anderhalf jaar geleden heb ik al een heftige lekkage gehad. Ik heb weer meer dan 10.000€ schade. Graag verneem ik van jullie hoe dit opgelost wordt.

Ik stel jullie aansprakelijk voor alle schade.”

3.8

Op 8 februari 2023 reageert Haghestede daarop met de volgende e-mail:

“Wat vervelend dat dit is gebeurd! In de huurovereenkomst staat onder artikel 23 het volgende aangegeven:

23 . Ten aanzien van de onder het gehuurde bevindende kelder komen partijen overeen dat het huurder vrijstaat om gebruik te maken van deze kelder. Verhuurder is niet verantwoordelijk voor het droog c.q. vochtvrij houden van de kelder. Eventueel zich in de toekomst voordoende vocht c.q. wateroverlast in de kelder, danwel tengevolge daarvan optredende overlast/schade, kan aan verhuurder niet worden tegengeworpen. Huurder vrijwaart verhuurder van alle aanspraken dienaangaande.

Wij kunnen opdracht geven om de kelder leeg te pompen, echter zullen we de factuur hiervoor aan jou doorbelasten.”

3.9

Op 19 juni 2023 schrijft [appellante] in een e-mail aan Haghestede:

“Zoals u weet hebben we een discussie over de herstelwerkzaamheden die nog steeds niet hebben plaatsgevonden. Ik ben met 800 beboet omdat ik afspraken niet ben nagekomen terwijl wij beiden weten dat ik die emails nooit ontvangen heb, en de afspraak nooit schriftelijk bevestigd heb. Jullie begrijpen dat dit compleet in het verkeerde keelgat komt. Vervolgens meld ik een schade op dezelfde plek en wordt er leuk verteld dat het leeggepompt kan worden op mijn eigen kosten terwijl het probleem nog niet verholpen is. Als een klap op de vuurpijl slaat de hoofdschakelaar meerdere keren uit en willen jullie hier wederom niks aan doen. Ik gooi de handdoek in de ring. Jammer genoeg heb ik veel emotie bij het pand waardoor ik ervoor wilde vechten maar ik kan onder deze omstandigheden mijn onderneming niet voortzetten in dit pand. Ik zeg niet allen de huur op maar zal mijn activiteiten eerder moeten staken wegens tekortkomingen in het pand. Ik kan niet langer functioneren in een pand dat stinkt naar schimmel, vocht, aan alle kanten lekt, waar de elektriciteit stopt en de verhuurder mij steeds aanspreekt over mijn tekortkomingen.

Ik ben bereid met jullie in gesprek te gaan over het afronden van het contract en hoe we dit financieel gaan oplossen. Ik ben genoodzaakt om verdere juridische stappen te ondernemen als jullie mij niet tegemoetkomen. Ik ben zeer teleurgesteld in alles.”

3.10

Volgens het door Haghestede overgelegde overzicht van huurbetalingen was per 1 september 2023 sprake van een huurachterstand van € 17.707,18.

4 Procedure bij de rechtbank

4.1

Haghestede heeft [appellante] en [vennoot] gedagvaard en gevorderd, samengevat:

  1. ontbinding van de huurovereenkomst;

  2. ontruiming van het gehuurde;

  3. hoofdelijke veroordeling van [appellante] en [vennoot] tot betaling van:

- € 18.907,18 (de huurachterstand per 1 september 2023 van € 17.707,18 plus een boete van totaal € 1.200 omdat de huur over de maanden juni, juli, augustus en september 2023 niet op de vervaldagen was voldaan) met wettelijke rente;

- € 952,07 aan buitengerechtelijke incassokosten;

- € 3.507,80 per maand vanaf oktober 2023 tot aan de expiratiedatum van de huurovereenkomst, althans zolang het gehuurde nog in gebruik wordt gehouden.

4.2

De kantonrechter heeft de ontbinding en ontruiming toegewezen. Ook de door Haghestede gevorderde bedragen zijn toegewezen, met uitzondering van de wettelijke rente, waarbij de maandelijkse betalingen van € 3.507,80 zijn toegewezen vanaf oktober 2023 voor iedere maand dat [appellante] en [vennoot] het gehuurde in gebruik houden. [appellante] en [vennoot] zijn ook in de proceskosten veroordeeld.

5 Beoordeling in hoger beroep

5.1

Alleen [appellante] is in hoger beroep gekomen. Zij wil dat het hof het vonnis vernietigt en de vorderingen van Haghestede alsnog geheel afwijst.

Substantiëringsplicht Haghestede (grief 1)

5.2

Volgens [appellante] heeft Haghestede in de procedure bij de kantonrechter nagelaten om in de dagvaarding de verweren van [appellante] te vermelden, waardoor de schijn werd gewekt dat [appellante] zonder reden de huurpenningen heeft ingehouden.

5.3

Het hof overweegt hierover dat [appellante] bij conclusie van antwoord en tijdens de zitting bij de kantonrechter gelegenheid heeft gehad om haar verweren en standpunten naar voren te brengen. Bovendien heeft zij dat in hoger beroep nogmaals uitgebreid kunnen doen. Wat er verder ook zij van het verwijt van [appellante], het hof kan de zaak beoordelen met inachtneming van het volledige standpunt van [appellante], zodat aan deze grief van [appellante] geen consequentie wordt verbonden.

De gestelde ontbinding van de huurovereenkomst door [appellante] d.m.v. de e-mail van 19 juni 2023 (grief 2)

5.4

Een van de verweren van [appellante] is dat zij de huurovereenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd per 1 juli 2023 (althans 1 augustus 2023) nadat zij de hiervoor in 3.9 aangehaalde e-mail van 19 juni 2023 aan Haghestede had gestuurd.

5.5

De kantonrechter heeft de e-mail van 19 juni 2023 opgevat als een opzegging van de huurovereenkomst. Vervolgens is geoordeeld dat die opzegging (die gelet op de artikelen 3.1 t/m 3.3 overigens pas effect zou kunnen hebben per 31 juli 2024) niet rechtsgeldig is omdat dit volgens artikel 3.5 van de huurovereenkomst bij aangetekende brief of deurwaardersexploot had moeten gebeuren.

5.6

[appellante] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Volgens haar heeft de kantonrechter miskend dat de e-mail van 19 juni 2023 niet moet worden opgevat als een opzegging, maar als een buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst in de zin van artikel 6:265 BW, wegens tekortschieten van Haghestede in de nakoming van haar verplichtingen als verhuurder. Er is namelijk gedurende de looptijd van de huurovereenkomst meerdere keren sprake geweest van lekkage- en rioleringsproblemen in het gehuurde en Haghestede heeft nagelaten om deze problemen op te lossen. Artikel 6:267 BW bepaalt dat een ontbinding plaatsvindt door een schriftelijke verklaring en de e-mail voldoet daaraan, aldus [appellante]. Het hof stelt vast dat [appellante] het punt dat zij de huurovereenkomst heeft ontbonden al heeft aangestipt in nr. 51 van de memorie van grieven en dat zij dat verder heeft uitgewerkt tijdens de latere mondelinge behandeling.

5.7

Het hof overweegt hierover dat ook als de e-mail van 19 juni 2023 wordt opgevat als een ontbindingsverklaring van [appellante], die verklaring niet het door [appellante] gewenste effect kan hebben. Haghestede heeft er in eerste aanleg namelijk terecht op gewezen dat ontbinding door [appellante] niet aan de orde kan zijn omdat zij niet door [appellante] in gebreke is gesteld. Het hof licht dat hierna toe.

5.8

Artikel 6:265 lid 2 BW bepaalt dat - behoudens een uitzondering die zich hier niet voordoet - de bevoegdheid tot ontbinding pas ontstaat als de schuldenaar (hier: Haghestede) in verzuim is. Artikel 6:82 lid 1 BW bepaalt dat verzuim intreedt, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft. [appellante] heeft - tegenover de betwisting door Haghestede - geen stuk in het geding gebracht waaruit blijkt dat zij Haghestede op deze wijze in gebreke heeft gesteld.

5.9

[appellante] heeft tijdens de zitting bij de kantonrechter opgemerkt dat niet in alle gevallen de eis van een ingebrekestelling geldt, waarbij zij heeft verwezen naar artikel 6:83 BW. [appellante] heeft daarbij niet toegelicht en geconcretiseerd dat sprake is van één van de in dat artikel genoemde gevallen, terwijl dat wel op haar weg had gelegen. Dat bijvoorbeeld sprake zou zijn van een mededeling van Haghestede waaruit [appellante] moest afleiden dat Haghestede in de nakoming van een verbintenis zal tekortschieten, heeft [appellante] niet gesteld. Een beroep op de expliciet in dat artikel genoemde gevallen gaat daarom niet op.

5.10

Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat artikel 6:83 BW geen limitatieve opsomming bevat van de gevallen waarin een ingebrekestelling achterwege kan blijven, maar dat ook de maatstaven van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat verzuim intreedt zonder ingebrekestelling. [appellante] heeft aangevoerd dat van haar medio 2023, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, niet kon worden verlangd dat zij nog langer gebonden zou zijn aan de huurovereenkomst en dat Haghestede toen al in verzuim was (zie memorie van grieven nrs. 51 en 24). Het hof begrijpt dat [appellante] daartoe aanvoert dat Haghestede ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst al wist van het bestaan van de lekkage- en rioleringsproblemen en dat zij deze problemen tijdens de looptijd van de huurovereenkomst met [appellante] ook nooit heeft willen oplossen. Het hof vat het beroep van [appellante] op de redelijkheid en billijkheid zo op dat zij daarmee (ook) bedoelt te stellen dat een ingebrekestelling daarom ook niet vereist was.

5.11

Het hof verwerpt dat standpunt van [appellante]. [appellante] heeft - tegenover de betwisting van Haghestede - onvoldoende onderbouwd dat Haghestede bij de aanvang van de huurovereenkomst wist van de lekkage- en rioleringsproblemen die zich later tijdens de huur door [appellante] hebben gemanifesteerd en dat Haghestede de problemen vervolgens ook niet heeft willen oplossen.

5.12

Voor de lekkageproblemen wordt dat laatste als volgt toegelicht. Vaststaat dat er lekkageproblemen zijn geweest, waarbij water door het plafond van het gehuurde kwam, als gevolg van een ontoereikende regenpijpconstructie (hemelwaterafvoer) van het pand waarin het gehuurde is gelegen. Uit overgelegde beelden blijkt dat [appellante] daarvan met name in de zomer van 2021 ernstige overlast heeft ondervonden. Niet bestreden is dat daarna in opdracht van de VvE werkzaamheden zijn verricht om dit probleem op te lossen, dat Haghestede de schadevergoeding van de verzekeraar van de VvE heeft doorgesluisd naar [appellante], dat Haghestede in haar brief van 6 juli 2022 (zie 3.6) bij [appellante] heeft geïnformeerd of het juist is dat zij geen last meer heeft gehad en dat Haghestede geen bericht van [appellante] heeft ontvangen dat er nog problemen waren. Dit alles is moeilijk te rijmen met de stelling van [appellante] dat Haghestede de lekkageproblemen niet wilde laten oplossen.

5.13

Ten aanzien van de rioleringsproblemen, waardoor soms water in de kelders kwam te staan, geldt dat ook daarvan niet kan worden gezegd dat Haghestede die problemen niet wilde laten verhelpen. Haghestede heeft een brief overgelegd, gedateerd 18 mei 2022, gericht aan [appellante], op het adres van het gehuurde, waarin Metterwoon namens Haghestede schrijft:

“Vanuit de VvE beheerder bereikte ons het bericht dat firma De Lange Rioolservice probeert een afspraak met u te maken voor het opnemen van werkzaamheden aan het riool. Tot op heden is dat nog niet gelukt.

Ook de firma Zegwaard Rioolbeheer wil graag langskomen voor het opnemen van deze werkzaamheden, zodat ook zij aan de VvE beheerder een offerte kunnen uitbrengen.

Hiermee verzoeken wij u vriendelijk om contact op te nemen met de De lange rioolservice en Zegwaard zodat er afspraken worden gemaakt op voor u geschikte momenten.

De telefoonnummers zijn als volgt:

(…)”

5.14

Haghestede heeft ook een e-mail van 15 september 2022 overgelegd, gericht aan [appellante] op het e-mailadres dat zij ook zelf gebruikte in haar communicatie met Haghestede, waarin Metterwoon namens Haghestede aankondigt dat op 26 en 27 oktober herstelwerkzaamheden zullen plaatsvinden aan het riool in een deel van het gehuurde, te weten [adres]. Daarnaast heeft zij e-mails overgelegd van 2 november 2022 en 16 november 2022, gericht aan hetzelfde e-mailadres van [appellante], waarin wordt aangekondigd dat er op 16, 17 en 18 januari 2023 werkzaamheden zullen plaatsvinden aan het riool in het andere deel van het gehuurde, te weten [adres], en waarin [appellante] wordt verzocht haar medewerking te verlenen. Haghestede heeft gesteld dat het tweede deel van de rioolwerkzaamheden, die waren gepland in januari 2023, niet heeft kunnen plaatsvinden omdat [appellante] geen medewerking verleende en dat de door [appellante] in februari 2023 gemelde waterschade in de kelder was voorkomen als zij dat wel had gedaan. [appellante] betoogt dat zij deze e-mails over de werkzaamheden in januari nooit heeft ontvangen, maar dat is opmerkelijk omdat het bericht van Metterwoon in de e-mail van 16 november 2022 naar hetzelfde e-mailadres is gestuurd van waaruit [appellante] de dag ervoor een vraag aan Metterwoon stelde. Wat daar ook van zij, de overgelegde brief en e-mails tonen afdoende aan dat Haghestede wel degelijk bezig is geweest om ook de rioleringsproblemen opgelost te krijgen.

5.15

De conclusie is dat [appellante], als zij de huurovereenkomst wilde ontbinden, eerst een ingebrekestelling aan Haghestede had moeten sturen. Nu niet is komen vast te staan dat zij dat heeft gedaan, kan alleen al daarom geen sprake zijn van een rechtsgeldige ontbinding van de huurovereenkomst door [appellante] per 1 juli 2023 (althans 1 augustus 2023).

Huurachterstand; beroep op opschorting en huurprijsvermindering (grief 3)

5.16

Volgens de overzichten van Haghestede was per 1 september 2023 sprake van een huurachterstand van € 17.707,18 en is die achterstand daarna verder opgelopen. [appellante] betoogt dat zij de huurbetalingen mocht opschorten over de periode dat de lekkage- en rioleringsproblemen nog niet waren opgelost en dat zij recht heeft op huurprijsvermindering vanwege vermindering van het huurgenot als gevolg van die problemen.

5.17

Haghestede heeft er terecht op gewezen dat artikel 25.1 van de algemene bepalingen (weergegeven bij 3.4) inhoudt dat opschorting van de huurbetalingen niet is toegestaan. Dit brengt mee dat een beroep op opschorting van de huurbetalingen daarom al niet kan slagen. Het beroep op huurprijsvermindering kan er niet toe leiden dat [appellante] de gevorderde huurbetalingen niet hoeft te voldoen nu zij geen daarop gerichte reconventionele vordering heeft ingesteld.

5.18

De conclusie is dat [appellante] de huurbetalingen moet voldoen conform de beslissing van de kantonrechter (per 1 september 2023 € 17.707,18 en voor de periode daarna € 3.507,80 voor iedere maand dat [appellante] (en/of [vennoot]) het gehuurde in gebruik heeft gehouden).

Ontbinding en ontruiming, boete en buitengerechtelijke incassokosten (grief 4)

5.19

Vaststaat dat de huurachterstand per 1 september 2023 ruim vijf maanden bedroeg en dat die daarna verder is opgelopen. Gelet daarop heeft de kantonrechter terecht geoordeeld dat ontbinding van de huurovereenkomst door Haghestede gerechtvaardigd was en dat [appellante] het gehuurde moet ontruimen.

5.20

[appellante] heeft niet weersproken dat de huur over de maanden juni t/m september 2023 niet (op tijd) is betaald. Dat brengt mee dat Haghestede op grond van artikel 25.3 van de algemene bepalingen een boete van € 1.200 in rekening mocht brengen. Ook de toewijzing van de buitengerechtelijke incassokosten blijft in stand.

Conclusie en proceskosten

5.21

Voor zover [appellante] in hoger beroep bewijs heeft aangeboden, gaat het hof daaraan voorbij, omdat dat bewijsaanbod geen betrekking heeft op concrete, zich voor bewijs lenende feiten en omstandigheden danwel op (voldoende onderbouwde) stellingen die, als zij zouden worden bewezen, kunnen leiden tot een ander oordeel.

5.22

De conclusie is dat het hoger beroep van [appellante] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen.

5.23

Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

5.24

Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van Haghestede op:

griffierecht € 2.175

salaris advocaat € 3.340 (2 punten × tarief III)

nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 5.704

6 Beslissing

Het hof:

  • bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 21 februari 2024;

  • veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Haghestede begroot op € 5.704;

  • bepaalt dat als [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellante] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98;

  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. H.J.M. Burg, mr. A.A. Muilwijk-Schaaij en mr. J.A. Tuinman en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »