ECLI:NL:RBLIM:2026:11428

Datum uitspraak
19-10-2026
Instantie
Rechtbank Limburg
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Zaaknummer
ROE 24/3369
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eiser heeft bezwaar, als bedoeld in artikel 21 van de Algemene verordening gegevensbescherming, gemaakt tegen de verwerking van zijn persoonsgegevens. De rechtbank stelt vast dat de beslissing op bezwaar een motiveringsgebrek kent, maar dat deze in beroep is hersteld en dat voldoende is gemotiveerd dat er gerechtvaardigde gronden voor verwerking bestaan die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van eiser. Het beroep is gegrond en de rechtbank laat de rechtsgevolgen in stand.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: ROE 24/3369

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. C.C. Wijburg),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roerdalen

(gemachtigde: A.J.G.M. Kuijpers & G.W.N. Maes).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser gericht tegen de afwijzing van zijn verzoek om te stoppen met zijn persoonsgegevens te verwerken. Eiser is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van die beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de toewijzing van het verzoek.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is omdat de beslissing op bezwaar een motiveringsgebrek kent. Uiteindelijk krijgt eiser geen gelijk, omdat zijn gegevens wel verwerkt mogen worden door het college. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 7 november 2023 het college verzocht om zijn persoonsgegevens los te koppelen van zijn inwonende dochter. Het college heeft dit verzoek aangemerkt als een bezwaar tegen de verwerking van zijn persoonsgegevens als bedoeld in artikel 21 van de Algemene verordening gegevensbescherming (de AVG). Met het besluit van 9 januari 2024 heeft het college dit verzoek afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar ingediend.

2.1.

Op 27 november 2023 bij het college heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de doorgave en verwerking van zijn persoonsgegevens.

2.2.

Met de beslissing op bezwaar van 25 april 2024 heeft het college het bezwaar van eiser tegen het besluit van 9 januari 2024 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de verwerking van zijn persoonsgegevens van 27 november 2023 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing op bezwaar heeft eiser beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn dochter en de gemachtigden van partijen deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

3. De dochter van eiser woont bij hem in en is een uitkeringsgerechtigde op grond van de Participatiewet. Voor de uitvoering van de Participatiewet, meer specifiek voor het toepassen van de kostendelersnorm, worden voor de gemeente de gegevens van personen die bij uitkeringsgerechtigden wonen door het Bureau Informatiediensten Nederland (hierna: het inlichtingenbureau)1 doorgelicht. De gemeente controleert maandelijks (onder andere) wie er staat ingeschreven op het adres van de dochter van eiser, om na te gaan of er wijzigingen zijn in het recht op en de hoogte van de uitkering die de dochter ontvangt. Eiser maakt er bezwaar tegen dat zijn gegevens maandelijks worden verwerkt.

Omvang van het geding

4. Eiser heeft in het beroepschrift aangegeven dat zijn beroep zich uitsluitend richt tegen de beslissing dat het bezwaar tegen het besluit van 9 januari 2024 ongegrond is en niet wordt vernietigd. Gelet hierop zal de rechtbank het bezwaar van 27 november 2023, die met de beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, buiten beschouwing laten.

Beroepsgronden van eiser

5. Eiser voert aan dat zijn persoonsgegevens ten onrechte worden verwerkt door de gemeente vanwege het feit dat zijn meerderjarige dochter bij hem inwoont en een uitkeringsgerechtigde is. Een rechtstreekse wettelijke grondslag hiervoor ontbreekt nu het college geen redelijk belang heeft bij die verwerking. De verwerking is in strijd met het subsidiariteitsbeginsel, het proportionaliteitsbeginsel, het transparantiebeginsel en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (het EVRM). Het is daarnaast voor eiser niet duidelijk wat het college doet met zijn persoonsgegevens en waarom steeds dezelfde informatie wordt aangeleverd en opgevraagd. Voor zover het doel van het college ziet op fraudebestrijding of opsporing van bijzondere risico’s, is sprake van een schending van het verbod op detournement de pouvoir, aldus eiser.

5.1.

Eiser voert daarnaast aan dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld en hem op het verkeerde been heeft gezet, door aan te geven dat eiser bij het inlichtingenbureau, de verwerker van de gegevens, moet zijn.

Wettelijk kader

6. In artikel 21 van de AVG is bepaald dat de betrokkene te allen tijde het recht heeft om vanwege met zijn specifieke situatie verband houdende redenen bezwaar te maken tegen de (doorlopende) verwerking van hem betreffende persoonsgegevens die is gebaseerd op artikel 6, eerste lid, onder e (noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag) of onder f (noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde), van de AVG. Deze grondslagen laten de verwerkingsverantwoordelijke een zekere beoordelingsruimte waarbij beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een belangrijke rol spelen. Bij de beslissing die de verwerkingsverantwoordelijke vervolgens neemt, kan hij slechts rekening houden met de hem kenbare, normale omstandigheden van het geval. Deze omstandigheden afwegende kan hij tot de beslissing komen dat de gegevensverwerking gerechtvaardigd is. Het is echter mogelijk dat de bijzondere persoonlijke omstandigheden van een betrokkene de balans doen doorslaan naar de andere kant. Om deze reden is er bij deze grondslagen voorzien in de mogelijkheid voor de betrokkene om, vanwege zijn of haar specifieke omstandigheden, bezwaar te maken tegen de verwerking. Als de betrokkene bezwaar maakt moet de verwerkingsverantwoordelijke ophouden met de verwerking, tenzij hij gronden kan aanvoeren die ofwel meer gewicht hebben dan de belangen van de betrokkene ofwel die verband houden met de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering.

6.1.

De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de verwerking is gebaseerd op artikel 6, onder e, van de AVG. Het college moet op grond van artikel 18 van de Participatiewet de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afstemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Daarvoor is (onder meer) van belang of de kostendelersnorm, als bedoeld in artikel 22a van de Participatiewet, al dan niet moet worden toegepast. Een manier om te controleren of de kostendelersnorm van toepassing kan zijn, en zo ja, hoeveel deze bedraagt, is door te controleren of iemand (onder andere) een medebewoner heeft en wat diegene zijn leeftijd is. Verder geeft de Participatiewet in artikel 18a een concrete rol aan het college om – kort gezegd – uitkeringsfraude tegen te gaan. Ook daarvoor moet het college het recht op bijstand (blijven) controleren.

Beoordeling door de rechtbank

7. De rechtbank overweegt dat het college in de beslissing op bezwaar – kort gezegd – heeft aangegeven dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft ingebracht op grond waarvan moet worden geoordeeld dat in zijn geval de gegevensverwerking gestaakt moet worden. Zoals de rechtbank hiervoor ook onder 6 heeft overwogen, is dat echter een onjuist uitgangspunt. Wanneer een betrokkene bezwaar maakt tegen de verwerking van zijn persoonsgegevens, is het aan de verwerkingsverantwoordelijke om de verwerking te staken of om aan te tonen dat er dwingende gerechtvaardigde gronden zijn die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokkene in de zin van artikel 21, eerste lid, van de AVG.2 Het college heeft dat echter nagelaten, zodat sprake is van een motiveringsgebrek. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank zal de beslissing op bezwaar vernietigen. De rechtbank ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Hierover overweegt zij als volgt.

8. In het verweerschrift en ter zitting heeft het college aangegeven dat zij als taak heeft om de rechtmatigheid van de door haar verstrekte uitkeringen te controleren, waarvoor het nodig is om gegevens over uitkeringsgerechtigden te controleren. Dat gebeurt door middel van het inlichtingenbureau, dat hiervoor is opgezet door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Vereniging van Nederlandse gemeenten. Bij het inlichtingenbureau kunnen gemeenten doorgeven welke inwoners een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangen en welke (rechtmatigheids)signalen zij willen ontvangen, die allen van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van een uitkering. Het inlichtingenbureau controleert elektronisch (naar de rechtbank begrijpt: door middel van een geautomatiseerd systeem) op verzoek van het college of er wijzigingen hebben plaatsgevonden die van invloed zijn op het recht op of de hoogte van de uitkering, en zo ja, dan krijgt het college daar een melding van. Als er geen wijziging heeft plaatsgevonden, dan worden de persoonsgegevens van eiser weliswaar (automatisch) gecontroleerd door het informatiebureau – als onderdeel van het verzoek van het college om de uitkeringsgerechtigheid van de dochter van eiser te controleren – maar de gegevens van eiser worden niet daadwerkelijk door het college verstuurd of opgevraagd, noch krijgt het college daar inzage in. De gevolgen voor eiser zijn daarom relatief gering. Verder heeft het college in het kader van proportionaliteit en subsidiariteit gekeken of zij haar doel op een minder ingrijpende wijze kan bereiken, maar gemotiveerd aangegeven dat aan de beschikbare alternatieve grote bezwaren kleven, zoals het in gevaar komen van de mogelijkheid om vroegtijdig wijzigingen te signaleren of in de uitvoerbaarheid.

9. De rechtbank is van oordeel dat het college met het verweerschrift en wat is besproken ter zitting voldoende heeft gemotiveerd dat er gerechtvaardigde gronden voor de verwerking van persoonsgegevens bestaan, die in dit geval zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van eiser, en dat de verwerking niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit of anderszins met het EVRM. Anders dan eiser lijkt te stellen, krijgt het college niet maandelijks de informatie van eiser en is duidelijk dat de verwerking die plaatsvindt bedoeld is voor de goede uitvoering van de Participatiewet. Het standpunt van eiser dat er een gebrek is aan transparantie, kan de rechtbank dan ook niet (langer) volgen. Dat verder op de dochter van eiser (ook) een informatieplicht geldt, op grond waarvan het college ook zou moeten worden geïnformeerd over wijzigingen, laat onverlet dat het college ook actief kan, en mag, controleren op de goede uitvoering van de Participatiewet. Het motiveringsgebrek is daarmee alsnog in de beroepsfase hersteld.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond omdat sprake is van een motiveringsgebrek in de beslissing op bezwaar. De rechtbank vernietigt daarom de beslissing op bezwaar, maar ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand te laten. Dat betekent in dit geval dat het college het bezwaar van eiser ongegrond heeft mogen verklaren en dat zij niet opnieuw op het bezwaar hoeft te beslissen.

11. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Die kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt de beslissing op bezwaar van 25 april 2024;

  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;

  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van mr. B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2026

De rechter is verhinderd

om de uitspraak te ondertekenen.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 19 oktober 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »