ECLI:NL:RBLIM:2026:11127

Datum uitspraak
15-10-2026
Instantie
Rechtbank Limburg
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Zaaknummer
12267906 \ AZ VERZ 26-83
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Verschil tussen gewerkte en uitbetaalde uren. De door de werkgever erkende uren worden toegewezen. Werknemer heeft de andere uren onvoldoende onderbouwd. Voor de berekening van de transitievergoeding moeten ook de maandelijks uitbetaalde vakantieuren worden meegenomen. Besluit loonbegrip.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer / rekestnummer: 12267906 \ AZ VERZ 26-83

Beschikking van 15 oktober 2026

in de zaak van

[bewindvoerder] HODN [bewindvoerderskantoor] IN ZIJN HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER OVER DE GOEDEREN DIE (ZULLEN) TOEBEHOREN AAN [werknemer],

te [plaats ],

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. N. Soro,

tegen

[werkgever] B.V.,

te [plaats ],

verwerende partij,

gemachtigde: mr. B. Burger.

De partijen worden hierna ‘de bewindvoerder’ en ‘[werkgever]’ genoemd. De onderbewindgestelde wordt hierna ‘[werknemer]’ genoemd.

De zaak in het kort

In deze zaak verzoekt de werknemer om nabetaling van zijn loon omdat de uitbetaalde uren niet overeenkomen met de gewerkte uren. De deel van de loonvordering dat door de werkgever wordt erkend, wordt toegewezen. Het overige gedeelte wordt afgewezen omdat de werknemer niet heeft onderbouwd dat hij deze uren heeft gewerkt.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift

- het verweerschrift

- de mondelinge behandeling van 27 augustus 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

1.2.

De beschikking is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

[werknemer], geboren op [datum] 1996, is op 22 maart 2025 bij [werkgever] in dienst getreden in de functie van keukenassistent en op basis van een nulurencontract voor de duur van één jaar. Het laatstgenoten salaris bedroeg € 15,00 bruto per uur.

2.2.

[werknemer] heeft zich eind december 2025 ziek gemeld.

2.3.

Nadat [werkgever] op 30 januari 2026 het einde van de arbeidsovereenkomst heeft aangezegd, is de arbeidsovereenkomst per 22 maart 2026 geëindigd.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[werknemer] verzoekt na vermindering van verzoek - samengevat -, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [werkgever]:

I. tot betaling van € 9.535,13 bruto aan achterstallig loon;

II. tot betaling van € 4.767,57 bruto aan maximale wettelijke verhoging;

III. tot betaling van € 966,17 bruto aan transitievergoeding;

IV. tot betaling van € 1.125,71 aan buitengerechtelijke incassokosten;

V. tot betaling van de wettelijke rente over de verzoeken I tot en met IV vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling;

VI. in de proceskosten.

3.2.

Aan zijn verzoeken heeft [werknemer] ten grondslag gelegd dat hij meer uren heeft gewerkt dan [werkgever] hem heeft uitbetaald. [werknemer] heeft de uitbetaalde uren vergeleken met zijn werkrooster. Volgens zijn berekening heeft hij over 2025 in totaal 337,07 uren niet uitbetaald gekregen, over januari en februari 2026 zijn 96,62 uur onbetaald gelaten en over maart 2026 heeft hij nog recht op uitbetaling van 121,2 uur. Omdat [werknemer] in de maanden januari tot en met maart 2026 ziek was, maakt hij aanspraak op 95% van het loon. Daarmee heeft [werknemer] zijn verzoek op de mondelinge behandeling verminderd. Over de niet betaalde uren maakt [werknemer] ook aanspraak op vakantietoeslag en de opgebouwde vakantieuren. Verder verzoekt [werknemer] om betaling van de transitievergoeding omdat de arbeidsovereenkomst op verzoek van [werkgever] niet is voortgezet.

3.3.

[werkgever] verzet zich tegen toewijzing van de verzoeken en voert daartoe het volgende aan. [werkgever] erkent dat [werknemer] een aanspraak heeft op niet uitbetaalde uren, maar niet in de mate die [werknemer] stelt. Zo is [werknemer] niet altijd conform het werkrooster werkzaam geweest. Soms is hij later begonnen en soms eerder gestopt. Ook is in maart 2026 al een deel van de transitievergoeding uitbetaald. Volgens [werkgever] is zij - na vermindering op de mondelinge behandeling - aan [werknemer] aan loon nog € 3.850,44 bruto en aan transitievergoeding nog € 252,60 bruto verschuldigd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna - voor zover relevant - nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat deze beschikking, wegens ziekte, niet kan worden gewezen door de rechter ten overstaan van wie de mondelinge behandeling van 27 augustus 2026 heeft plaatsgevonden. Partijen zijn van de rechterswissel op de hoogte gesteld en hebben te kennen gegeven dat de beschikking zonder nadere mondelinge behandeling kan worden gewezen door de opvolgend rechter.

4.2.

Doordat [werkgever] heeft erkend dat [werknemer] nog een aanspraak heeft op achterstallig salaris, gaat het in deze procedure niet om de vraag óf, maar welke aanspraken [werknemer] kan maken op achterstallig salaris. [werknemer] heeft zich hierbij gebaseerd op zijn werkroosters, waar wel de begintijden op staan vermeld, maar niet altijd de eindtijden. Wanneer de eindtijd niet aangegeven staat, is [werknemer] uitgegaan van de sluitingstijd plus 30 minuten voor schoonmaakwerkzaamheden. Bij een dienst van meer dan 5,5 uur, heeft [werknemer] 30 minuten pauze van de werktijd afgetrokken.

[werkgever] betwist de berekening van [werknemer]. Zij heeft niet meer de beschikking over de kloktijden van alle maanden, maar wel die van maart, november en december 2025. Voor de overige maanden is [werkgever] uitgegaan van de begintijd op de werkroosters tot de sluitingstijd. Dat [werknemer] altijd na sluitingstijd nog 30 minuten aan schoonmaakwerkzaamheden besteedde, heeft [werkgever] betwist. Verder voert [werkgever] aan dat [werknemer] naast een pauze van 30 minuten, ook altijd een rookpauze had van 6 minuten per dag.

De berekening van [werkgever] klopt

4.3.

De kantonrechter gaat uit van de juistheid van de hierboven ingelaste berekening van [werkgever] van € 3.850,44 bruto en zal hieronder uitleggen hoe hij tot dit oordeel is gekomen.

4.4.

[werkgever] heeft als werkgever de verplichting om een urenregistratie bij te houden. Dat heeft zij gedaan met de kloktijden, maar deze zijn deels verloren gegaan omdat er geen backup-mogelijkheid was. Niettemin heeft [werkgever] voor de maanden maart, november en december 2025 de gewerkte uren weten te herleiden uit de kloktijden, omdat die er voor deze maanden wel zijn. Er is geen reden om te twijfelen aan deze kloktijden. Daarnaast is de juistheid hiervan onvoldoende door [werknemer] betwist. Ook heeft [werknemer] de berekende rookpauze van zes minuten per dag niet betwist.

4.5.

Voor de overige maanden is [werkgever] uitgegaan van de werktijden op de werkroosters. Waar een eindtijd ontbreekt, is [werkgever] uitgegaan van de sluitingstijd. Onbetwist is dat de sluitingstijd op maandag tot en met zaterdag om 18:00 uur was en op zondag om 17:00 uur. Dat [werknemer] na sluitingstijd nog 30 minuten schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht, heeft hij onvoldoende onderbouwd. Daarom zal als eindtijd 18:00 uur of (op zondagen) 17:00 uur worden genomen. [werkgever] heeft dit ook zo in haar berekening verwerkt.

4.6.

[werkgever] heeft haar berekening op de zitting toegelicht en voor de maand juni 2025 aangepast: in deze maand waren namelijk geen 186 uur uitbetaald, maar 166 uur. De berekening is met deze 20 uur bijgesteld. [werknemer] heeft deze toelichting en berekening onvoldoende betwist. Zo heeft [werknemer] zelf niet bijgehouden welke uren hij heeft gewerkt. Bovendien is [werknemer] zelf ook uitgegaan van dezelfde werkroosters.

In haar berekening is [werkgever] uitgegaan van een hoger percentage aan vakantietoeslag, namelijk 8,85%. De kantonrechter zal dit hogere percentage volgen.

4.7.

Concluderend zal de loonvordering van [werknemer] voor het bedrag van € 3.850,44 bruto worden toegewezen.

Wettelijke verhoging wordt niet gematigd

4.8.

[werknemer] heeft de maximale wettelijke verhoging gevorderd. [werkgever] verzoekt om deze verhoging te matigen omdat zij niet eerder op de hoogte was van een incorrecte betaling en er bij haar geen sprake is van onwil. Daarnaast is volgens [werkgever] de prikkel om het loon tijdig te betalen niet meer aanwezig omdat het dienstverband al is geëindigd.

4.9.

De wettelijke verhoging is verschuldigd bij niet tijdige betaling van het loon indien de niet tijdige betaling aan de werkgever kan worden toegerekend1. [werkgever] heeft er misbruik van gemaakt dat er niet voor elke maand kloktijden zijn. Zij kan zich er niet achter verschuilen dat zij daardoor niet het correcte loon heeft kunnen betalen. En waar [werkgever] wel over kloktijden beschikt, heeft zij het loon niet of niet tijdig betaald. Dat er geen onwil is om te betalen, staaft [werkgever] ook niet in deze procedure. Zij heeft immers erkend een substantieel bedrag aan loon verschuldigd te zijn, maar had dit op de mondelinge behandeling ook nog steeds niet (deels) betaald. Daaruit volgt dat de maximale wettelijke verhoging zal worden toegewezen.

Transitievergoeding

4.10.

[werknemer] maakt aanspraak op de transitievergoeding en [werkgever] bevestigd dat [werknemer] dit toekomt. [werknemer] heeft zijn verzoek tot betaling van de transitievergoeding tijdig ingediend, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek. Partijen verschillen enkel over de hoogte van de transitievergoeding.

4.11.

Op de hierboven benoemde aangepaste berekening van [werkgever] staat als gemiddelde arbeidsomvang 36:32:34 uur, zijnde 36,53 uur per week opgenomen. Op de door [werkgever] overgelegde berekening van de transitievergoeding is zij evenwel uitgegaan van 37,18 uur per week2, zijnde 161,11 uur per maand. De kantonrechter zal deze laatste arbeidsomvang aangehouden omdat [werkgever] deze zelf ook heeft gebruikt voor de berekening van de transitievergoeding. Deze gemiddelde arbeidsomvang dient vermenigvuldigd te worden met het uurloon (€ 15,00) en de vakantieuren (0,096). De vakantieuren werden immers maandelijks uitbetaald en vormen daarmee een vaste looncomponent3. Tot slot moet het subtotaal vermenigvuldigd worden met de vakantietoeslag (8,85%).

Op grond van bovenstaande looncomponenten bedraagt het gemiddelde maandloon:

  • 161,11 x € 15,00 = € 2.416,65

  • 161,11 x 0,096 = € 232,05 +

-----------------

€ 2.648,70

8,85% over € 2.648,70 = € 234,41 +

-----------------

 Totaal € 2.883,11 bruto

4.12.

Omdat [werknemer] één jaar bij [werkgever] in dienst was, heeft hij recht op een transitievergoeding van 1/3 bruto maandsalaris. Dit komt neer op € 2.883,11 : 3 = € 961,04 bruto. De transitievergoeding is voor dit bedrag in beginsel toewijsbaar.

4.13.

[werkgever] stelt al een bedrag van € 624,26 bruto aan transitievergoeding te hebben betaald, maar [werknemer] heeft dit betwist. Nu een verdere onderbouwing met bijvoorbeeld een betaalbewijs achterwege is gebleven, zal de volledige transitievergoeding van € 961,04 bruto worden toegewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen

4.14.

[werknemer] verzoekt vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 1.125,71. Voor de onderbouwing van deze kosten heeft [werknemer] een brief overgelegd van 21 april 20264 waarin hij om betaling van zijn uren verzoekt.

4.15.

Bij de beoordeling van de vraag of de gevorderde buitengerechtelijke (incasso-) kosten voor vergoeding in aanmerking komen, hanteert de kantonrechter het uitgangspunt, dat verrichtingen voorafgaand aan het geding worden gezien als voorbereiding van de gedingstukken en instructie van de zaak. Bij afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komende kosten moet het gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Daarvan is in deze zaak niet gebleken. Het verzoek tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal daarom worden afgewezen.

Wettelijke rente

4.16.

De verzochte wettelijke rente over het verschuldigde loon en de wettelijke verhoging kan slechts worden toegewezen met ingang van de datum van het verzoekschrift (11 juni 2026) nu [werknemer] niet heeft gesteld vanaf welke datum [werkgever] hiermee in verzuim is. De verzochte wettelijke verhoging over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd5, dus vanaf 22 april 2026.

Proceskosten

4.17.

Omdat beide partijen op punten ongelijk hebben gekregen, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zijn dat partijen hun eigen proceskosten moeten betalen.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [werkgever] om binnen drie dagen na heden aan de bewindvoerder het achterstallig loon van € 3.850,44 bruto te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 11 juni 2026 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [werkgever] om binnen drie dagen na heden aan de bewindvoerder de transitievergoeding van € 961,04 bruto te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 22 april 2026 tot de dag van volledige betaling,

5.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

verklaart de onderdelen 5.1. en 5.2. van deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken door Etman op 15 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »