RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12005701 \ CV EXPL 25-5529
Vonnis van 14 oktober 2026
in de zaak van
[eisende partij] ,
te [plaats] (België),
eisende partij in verzet,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. J.L.H. Holthuijsen,
tegen
NEXT FINANCE B.V. (voorheen genaamd JJ&G Finance B.V.),
te Lunteren, gemeente Ede,
gedaagde partij in verzet,
hierna te noemen: Next Finance,
gemachtigde: mr. J.N.C. de Kluijver.
1 De procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 8 juli 2026
- de akte van [eisende partij]
- de akte van Next Finance.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De beoordeling
Verzettermijn
Partijen zijn bij voornoemd tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om een kopie van het exploot van betekening van het verstekvonnis over te leggen, met mededeling op welke datum het verstekvonnis aan [eisende partij] is betekend en of die betekening in persoon heeft plaatsgevonden. Naar aanleiding van de akten en de ingediende stukken van partijen oordeelt de kantonrechter dat het verzet tijdig en op de juiste wijze is ingesteld. Nu [eisende partij] ontvankelijk is in zijn verzet, komt de kantonrechter toe aan de verdere inhoudelijke beoordeling.
Cessie
[eisende partij] betwist allereerst dat Next Finance verkrijgster is geworden van een vordering die Santander op [eisende partij] zou hebben. Dit omdat Next Finance niet gesteld heeft wanneer zij verkrijgster zou zijn geworden. Ook heeft Next Finance niet gesteld of zij doelt op een authentieke of geregistreerde onderhandse akte als bedoeld in artikel 3:94 lid 3 BW, dan wel een andere akte. Mocht sprake zijn van een andere akte, dan betwist [eisende partij] dat de vereiste mededeling heeft plaatsgevonden. [eisende partij] heeft herhaaldelijk verzocht bij Next Finance om een afschrift van de akte, maar Next Finance weigert deze te verstrekken. Ten aanzien van de overige wettelijke vereisten voor een rechtsgeldige overdracht heeft Next Finance niets gesteld. Op grond van het voorgaande kan volgens [eisende partij] niet worden vastgesteld dat sprake is van een rechtsgeldige overdracht.
Volgens Next Finance heeft wel een rechtsgeldige cessie plaatsgevonden. Die cessie is tweemaal aan [eisende partij] medegedeeld. Allereerst bij brief van 7 augustus 2012 (productie 3 bij inleidende dagvaarding) en in de inleidende dagvaarding zelf van 27 november 2012. De brief is verzonden en de dagvaarding is betekend aan het in het bevolkingsregister bekende adres van [eisende partij] .
[eisende partij] is, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, vervolgens niet meer ingegaan op de stellingen van Next Finance. De kantonrechter overweegt als volgt. Voor een rechtsgeldige overdracht van vorderingsrechten is ingevolge artikel 3:84 BW juncto artikel 3:94 BW vereist een door de cedent ondertekende authentieke of onderhandse akte, die bestemd is tot levering van de vorderingen aan de cessionaris en een mededeling van deze cessie aan de debiteur. De kantonrechter merkt daarbij op dat het vereiste van mededeling geen vormvoorschrift kent. Met de mededeling in de dagvaarding, die op correcte wijze aan het juiste adres van [eisende partij] is betekend, is aan het vereiste van mededeling voldaan. Next Finance heeft de akte van cessie van 27 juli 2012 bij conclusie van antwoord in verzet overgelegd (productie 4). Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat een rechtsgeldige cessie heeft plaatsgevonden en aan Next Finance dus een vorderingsrecht toekomt.
Verjaring
[eisende partij] doet subsidiair een beroep op bevrijdende verjaring op grond van artikel 3:307 lid 1 BW. In voornoemd artikel is bepaald dat een vordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Uit de stellingen van Next Finance moet volgens [eisende partij] worden begrepen dat de vordering in elk geval op 6 augustus 2012 opeisbaar was (datum waarop vordering ter incassering uit handen zou zijn gegeven), zodat de vordering, behoudens stuiting, uiterlijk op 7 augustus 2017 zou verjaren. Er is nimmer een stuitingshandeling verricht. Dit leidt er volgens [eisende partij] toe dat de vordering tot betaling van de hoofdsom en daarmee ook de rentevordering ruimschoots verjaard is.
Volgens Next Finance is geen sprake van verjaring van de vordering aangezien geen sprake is van een voltooide verjaringstermijn tot aan het moment van het wijzen van het verstekvonnis en dat vanaf dat moment een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen.
De kantonrechter volgt de voorgaande stelling, die [eisende partij] onweersproken heeft gelaten, van Next Finance. De overeenkomst is gesloten op 21 oktober 2011. De dagvaarding in de verstekprocedure is betekend op 6 juni 2013 en het verstekvonnis is gewezen op 3 juli 2013. Zoals door Next Finance terecht is aangevoerd vangt vanaf het moment van vonnisdatum overeenkomstig artikel 3:324 lid 1 BW een verjaringstermijn van twintig jaar aan ten aanzien van de hoofdsom. Er is dan ook geen sprake van verjaring op grond van artikel 3:307 lid 1 BW.
De kredietovereenkomst
Meer subsidiair stelt [eisende partij] zich op het standpunt dat hij nooit een kredietovereenkomst is aangegaan. [eisende partij] kent de door Next Finance overgelegde overeenkomst niet. Next Finance heeft in haar dagvaarding niets gesteld over de totstandkoming van de overeenkomst. [eisende partij] betwist dat de handtekening onder de overeenkomst zijn handtekening is. Ingevolge artikel 159 lid 2 Rv levert een onderhandse akte geen bewijs op tegen een partij die de ondertekening betwist, zo lang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is. [eisende partij] verzoekt een handtekeningonderzoek. [eisende partij] stelt zich daarnaast op het standpunt dat hij de genoemde kredietsom van € 35.000,00 nooit ontvangen heeft.
Next Finance stelt zich op het standpunt dat [eisende partij] wel degelijk op 21 oktober 2011 een kredietovereenkomst is aangegaan met Santander en dat [eisende partij] het geleende bedrag ook heeft ontvangen. Next Finance heeft bij conclusie van antwoord in het verzet ter onderbouwing daarvan stukken overgelegd. Zo heeft [eisende partij] bij de aanvraag van het krediet een kopie van een rekeningafschrift van zijn betaalrekening bij de ING verstrekt (productie 8), een salarisspecificatie verstrekt van september 2011 (productie 9) en een kopie van zijn Italiaanse identiteitsbewijs overgelegd (productie 10). Uit het transactie-overzicht (productie 6) blijkt dat [eisende partij] het kredietbedrag van € 35.000,00 in één keer heeft opgenomen. Zoals volgt uit productie 11 heeft [eisende partij] daarvan € 23.248,36 gebruikt om een lening bij de ING af te lossen. Bij de kredietovereenkomst heeft [eisende partij] ook nog een protectieplan afgesloten (productie 12). Next Finance merkt nog op dat in de overeenkomst is opgenomen dat de termijnbedragen zullen worden afgeschreven van [rekeningnummer] . Dat is het rekeningnummer van [eisende partij] zoals volgt uit de stukken. Uit het overgelegde transactieoverzicht volgt dat via automatische incasso in totaal € 1.575,00 van deze rekening is geïncasseerd.
Aangezien [eisende partij] niet meer heeft gereageerd op de voorgaande stellingen en de producties van Next Finance, terwijl deze stellingen en producties wel tot een nadere stellingname ter onderbouwing van het verweer van [eisende partij] noopten, zal de kantonrechter het verweer van [eisende partij] als niet voldoende onderbouwd verwerpen. De kantonrechter zal geen handtekeningenonderzoek gelasten.
Betwisting hoogte hoofdsom en rente en verjaring rente
Volgens [eisende partij] is het onbegrijpelijk dat Next Finance stelt dat een krediet van € 35.000,00 is verstrekt, maar dat de gevorderde hoofdsom zonder enige toelichting € 35.406,69 bedraagt. Ten aanzien van het bedrag van € 406,69 is geen grondslag aangevoerd, zodat dit deel van de vordering al helemaal voor afwijzing gereed ligt. [eisende partij] betwist dat in de kredietovereenkomst een samengestelde rente van 0,447% per maand zou zijn overeengekomen. In de overgelegde overeenkomst is enkel opgenomen dat op jaarbasis een rente van 5,5% zou gelden. De contractuele rentevordering is in haar geheel niet toewijsbaar gezien het bepaalde in artikel 34 van de Wck. Indien de hoofdsom toewijsbaar is, komt Next Finance in beginsel alleen de wettelijke rente toe. [eisende partij] stelt zich op het standpunt dat de vordering tot betaling van de wettelijke en contractuele rente over de periode 20 oktober 2012 tot en met september 2020 inmiddels verjaard is op grond van artikel 3:307 lid 1 BW dan wel op grond van 3:324 lid 3 BW.
Ten aanzien van het gevorderde bedrag van € 35.406,69 heeft Next Finance een transactieoverzicht overgelegd met een specificatie van het gevorderde bedrag (productie 6). Met betrekking tot de gevorderde contractuele rente voert Next Finance aan dat deze rente bedongen is in artikel 3.6 onder f van de van toepassing zijnde algemene voorwaarden. Ten aanzien van de stelling van [eisende partij] dat een deel van de rentevordering verjaard is voert Next Finance het volgende aan. Hoewel [eisende partij] eigenlijk geen beroep op verjaring toekomt - omdat [eisende partij] meer dan tien jaar spoorloos is geweest voor Next Finance - is Next Finance bereid een deel van de rentevordering als verjaard te beschouwen. Dit omdat Next Finance de rentevordering niet openbaar gestuit heeft. Volgens Next Finance is het verstekvonnis op 17 september 2025 betekend aan [eisende partij] en betreft dit een stuitingshandeling voor de rentevordering en mag de renteaanspraak vanaf die datum vijf jaar worden teruggerekend.
[eisende partij] heeft niet gereageerd op de voorgaande stellingen en producties van Next Finance betreffende de hoogte van de hoofdsom en bedongen rente op grond van de van toepassing zijnde algemene voorwaarden (die naar het oordeel van de kantonrechter niet in strijd is met artikel 34 van de Wck), terwijl ook deze stellingen en producties wel tot een nadere stellingname ter onderbouwing van het verweer van [eisende partij] noopten. De kantonrechter zal deze verweren daarom als niet voldoende onderbouwd verwerpen.
Met betrekking tot het geschil ten aanzien van de verjaring van de rentevordering wordt als volgt overwogen. Op grond van artikel 3:324 lid 3 BW verjaart de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak met een veroordeling tot betaling van vertragingsrente na vijf jaar (tenzij de verjaring binnen die termijn wordt gestuit).1 Er heeft geen stuitingshandeling plaatsgevonden binnen de voornoemde termijn. Dit leidt ertoe dat de vordering tot betaling van de maandelijkse contractuele rente op 3 juli 2018 is verjaard. Dat [eisende partij] onvindbaar was voor Next Finance maakt dit niet anders. Next Finance had immers, zoals zij zelf ook aanvoert, gebruik kunnen maken van de mogelijkheid van openbare betekening. De kantonrechter kan de stelling dat de rentevordering tot vijf jaar vóór de door Next Finance zogenoemde stuitingshandeling op 17 september 2025 is verjaard, niet volgen.
Conclusie
Op grond van het voorgaande is de gevorderde hoofdsom van € 35.406,69 toewijsbaar, te vermeerderen met de contractuele rente daarover van 0,447% per maand, maar niet meer dan ingevolge de Wck en het Besluit Kredietvergoeding maximaal toelaatbare percentage, vanaf 30 juni 2012 tot 3 juli 2018.
Dit leidt ertoe dat het verzet deels (ten aanzien van een deel van de rentevordering) gegrond wordt verklaard. De kantonrechter zal met betrekking tot de periode waarover [eisende partij] de rente verschuldigd is opnieuw uitspraak doen. De veroordeling tot betaling van € 35.987,44 (hoofdsom en rente vanaf 30 juni 2012 tot 20 oktober 2012) wordt bekrachtigd, alsook de proceskostenveroordeling.
Proceskosten in verzet
[eisende partij] wordt in verzet grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in verzet betalen. De proceskosten van Next Finance worden begroot op:
|
- salaris gemachtigde |
€ |
865,50 |
(1,5 punt × € 577,00) |
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.009,50 |
3 De beslissing
De kantonrechter
verklaart het verzet deels gegrond,
vernietigt het op 3 juli 2013 onder zaaknummer 506284 CV EXPL 12-11109 gewezen verstekvonnis voor zover betrekking hebbend op het volgende onderdeel in het dictum: “te vermeerderen met de overeengekomen rente ad 0,447% per maand doch niet meer dan ingevolge de Wck en het Besluit Kredietvergoeding maximaal toelaatbare percentage, vanaf 20 oktober 2012 tot aan de dag der voldoening” en opnieuw rechtdoende: “te vermeerderen met de overeengekomen rente ad 0,447% per maand maar niet meer dan ingevolge de Wck en het Besluit Kredietvergoeding maximaal toelaatbare percentage, vanaf 20 oktober 2012 tot 3 juli 2018.”
bekrachtigt voor het overige het op 3 juli 2013 onder zaaknummer 506284 CV EXPL 12-11109 gewezen verstekvonnis,
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten in verzet van € 1.009,50, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op
14 oktober 2026.