RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer / rekestnummer: 12241486 \ AZ VERZ 26-76
Beschikking van 15 oktober 2026
in de zaak van
[werknemer] ,
te [plaats 1],
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [werknemer],
gemachtigde: mr. N. Soro,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats 2],
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [werkgever],
gemachtigde: mr. S. Meulstee-van den Berg.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding, transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding na een ontslag op staande voet door de werkgever. De kantonrechter wijst de verzoeken af, omdat het ontslag rechtsgeldig is verleend.
Het tegenverzoek van de werkgever om de gefixeerde schadevergoeding en onterecht uitbetaalde uren te betalen wordt toegewezen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 22 mei 2026 ontvangen verzoekschrift,
- het op 13 augustus 2026 ontvangen verweerschrift, met een tegenverzoek,
- de op 28 augustus 2026 ontvangen aanvullende productie 15 van [werknemer],
- de mondelinge behandeling van 3 september 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2 De feiten
[werknemer], geboren [datum] 1989, is sinds 12 december 2024 in dienst bij [werkgever]. De functie van [werknemer] is medewerker algemeen schoonmaakonderhoud 1 met een loon van laatstelijk € 16,55 bruto per uur. De arbeidsomvang van [werknemer] bedraagt 15 uur per week, waarvan 7,5 uur op de [locatie].
In de weergave van het jaargesprek van 10 december 2025 staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:
“Vraag 3: Complimenten en verbeterpunten in je functie
(…)
Tips vanuit de leidinggevende: beter kijken na de werkzaamheden wat ze doet, en de tijd nemen wat ze heeft
(…)
Vraag 5: Welke afspraken maken we?
(…)
Afspraken: de tijd nemen wat ze op locatie heeft , en beter werk nakijken als ze klaar is”
Op 23 maart 2026 heeft [werkgever] een gesprek gehad met [werknemer] over haar gewerkte uren op de [locatie]. In het opgemaakte gespreksverslag van 24 maart 2025 staat hierover - onder meer - het volgende vermeld:
“Op basis van gegevens uit het toegangssysteem en je werkrooster zijn afwijkingen geconstateerd tussen de uren waarvoor je was ingepland en betaald enerzijds, en de daadwerkelijke geregistreerde aanwezigheid op de locatie volgens het toegangssysteem anderzijds. (…)
Onderstaand overzicht geeft de verschillen weer tussen je rooster en je daadwerkelijke aanwezigheid:
|
Datum |
Dag |
Gepland |
Gewerkt |
Tekort |
|
01-03 |
Zondag (ipv vrijdag 27/2) |
2:30 |
0:32 |
1:58 |
|
02-03 |
Maandag |
2:30 |
0:57 |
1:33 |
|
04-03 |
Woensdag |
2:30 |
1:27 |
1:03 |
|
08-03 |
Zondag (ipv vrijdag 6/3) |
2:30 |
0:42 |
1:48 |
|
09-03 |
Maandag |
2:30 |
0:17 |
2:13 |
|
11-03 |
Woensdag |
2:30 |
1:23 |
1:07 |
|
13-03 |
Vrijdag |
2:30 |
0:38 |
2:52 |
|
16-03 |
Maandag |
2:30 |
0:00 |
2:30 |
|
Totaal |
14:04 |
Tijdens het gesprek heb je aangegeven dat het volgens jou niet mogelijk is om de werkzaamheden uit te voeren binnen de korte tijdsduur die in het systeem wordt weergegeven (bijvoorbeeld 17 minuten). Je hebt daarbij aangegeven dat de registratie daarom niet kan kloppen en dat de werkzaamheden wel degelijk zijn uitgevoerd. Ook heb je aangegeven dat je niet op de tijd let bij aanvang en afronding van je werkzaamheden.
Deze bevindingen en je verklaringen roepen ernstige twijfels op over de vraag of je je werkzaamheden hebt uitgevoerd conform het overeengekomen werkrooster. Op basis van de momenteel beschikbare informatie bestaat het vermoeden van onregelmatigheden in de uitvoering en/of registratie van je gewerkte uren, waaronder de mogelijkheid dat je bent betaald voor uren die niet daadwerkelijk zijn gewerkt.
De bovenstaande bevindingen en je verklaringen tijdens het gesprek geven aanleiding tot nader onderzoek (…)
Wij wijzen je erop dat, afhankelijk van de uitkomsten van het lopende onderzoek en jouw reactie, dit kan leiden tot arbeidsrechtelijke consequenties, waaronder mogelijk een onmiddellijke beëindiging van je dienstverband. Op dit moment is het onderzoek nog gaande en zijn er nog geen definitieve conclusies getrokken.
(…)”
Op 25 maart 2026 heeft een tweede gesprek plaatsgevonden en is [werknemer] op staande voet ontslagen.
In de ontslagbrief van 12 december 2025 staat - voor zover van belang - het volgende opgenomen:
“(…)
Nader onderzoek
Wij hebben de klant gevraagd ons de gegevens uit het toegangssysteem te verschaffen over de periode 6 oktober 2025 (jouw startdatum bij deze klant) t/m 25 februari 2026 en ons onderzoek tot die periode uitgebreid.
Uit het onderzoek blijkt dat :
-
er over de gehele periode sprake is van een structureel patroon waarbij je aanzienlijk minder tijd aanwezig bent geweest dan jouw ingeplande werktijden;
-
dit patroon zich consequent voordoet op al jouw reguliere werkdagen (maandag, woensdag en vrijdag), evenals op dagen waarop je werkzaamheden, hebt verplaatst naar zondag;
-
je tweemaal ’s nachts hebt gewerkt in plaats van binnen de gestelde werktijden tussen 16:00 en 20:30 uur, zonder voorafgaand overleg of toestemming. Ook op die momenten is overigens niet volgens rooster 2,5 uur heeft gewerkt, maar respectievelijk 10 minuten en 1:08 uur;
-
je ook in deze periode wel volledig voor 2,5 uur per werkdag bent betaald, zoals kenbaar was voor jou uit de salarisbetalingen en uit de bij de salarisstroken gevoegde urenspecificaties;
-
wij in deze periode 6 oktober 2025 t/m 25 februari 2026 uitkomen op een tekort aan gewerkte uren van 113:45 uur;
-
tezamen met het tekort aan uren in de periode 1 t/m 16 maart 2026, bedraagt het totale 127:49 tekort aan uren uur.
Vervolggesprek op 25 maart 2026
(…)
Tijdens het gesprek heb je onder meer verklaard dat:
-
je op de betreffende momenten ’s-nachts niet aanwezig bent geweest op deze locatie en geen verklaring hebt voor de registraties;
-
niemand anders toegang heeft tot het pand via jouw sleutel of alarmcode;
-
je jouw werkzaamheden niet in een korter tijdsbestek dan 2,5 uur kunt uitvoeren en dat de registratie in het toegangssysteem derhalve onjuist moet zijn.
(…)
Ontslag wegens dringende reden(en)
Op basis van jouw verklaringen en de uitkomsten van het door ons verrichte onderzoek is komen vast te staan dat jij in de periode vanaf 6 oktober 2025 tot en met 25 maart 2026 structureel en in aanzienlijke mate minder uren hebt gewerkt dan je op grond van jouw arbeidsovereenkomst diende te werken en waarvoor je wel salaris hebt ontvangen. Je was ermee bekend dat je per dienst 2,5 uur diende te werken en dat je voor deze uren werd betaald. Desondanks ben je gedurende een langere periode consequent aanzienlijk eerder vertrokken dan was toegestaan. Voor deze afwijkingen heb je geen concrete, verifieerbare en plausibele verklaring kunnen geven. Je hebt slechts gesteld dat het registratiesysteem onjuist zou zijn.
(…)
Door aldus te handelen heb je jouw verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst ernstig geschonden. Je hebt salaris ontvangen zonder dat daar een overeenkomstige arbeidsprestatie tegenover stond, hetgeen wij kwalificeren als urenfraude en/of dagdieverij. (…)
Voorts is van belang dat je eerder nota bene bent aangesproken op jouw functioneren, waaronder jouw aanwezigheid en de kwaliteit van jouw werkzaamheden. (…) Tijdens het gesprek van 25 maart 2026 heb je bovendien verklaringen afgelegd die, gelet op de objectieve gegevens, als onjuist moeten worden aangemerkt, hetgeen het vertrouwen verder heeft geschaad.
(…)
Na een zorgvuldige overweging, waarbij alle omstandigheden zijn meegewogen, kunnen wij niet anders dan de meest verstrekkende maatregel nemen. Jouw gedragingen, zoals hierboven omschreven, leveren op zichzelf alsmede in onderlinge samenhang bezien een dringende reden op voor ons om de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang beëindigen. (…)
De hierboven beschreven gedragingen kwalificeren als dringede reden in de zin van artikel 7:677 en 7:678 BW, in het bijzonder lid 2 sub d, j en k.
Om die reden hebben wij besloten jouw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen. Aan jou is derhalve ontslag op staande voet verleend.
(…)”
[werkgever] heeft in april 2026 een eindafrekening opgesteld. Op die eindafrekening heeft zij een bedrag van € 1.647,00 bruto ingehouden aan gefixeerde schadevergoeding en € 216,94 netto aan ingehouden schade.
3 Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek
[werknemer] verzoekt (samengevat) veroordeling van [werkgever] tot:
I. betaling van de gefixeerde schadevergoeding van € 2.079,99 bruto, een transitievergoeding van € 851,32 bruto en een billijke vergoeding van € 35.000,00 bruto,
II. betaling van het achterstallig salaris van € 1.647,00 bruto,
III. betaling van de wettelijke verhoging van € 823,50 bruto,
IV. betaling van de wettelijke rente over de vergoedingen onder I, II en III, vanaf de verzuimdatum tot aan de dag van voldoening,
V. betaling van de proceskosten.
Volgens [werknemer] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Zij voert daartoe aan dat de registraties van het urenregistratiesysteem niet juist zijn en dat [werkgever] nader en breder onderzoek had moeten doen naar de betrouwbaarheid van het betreffende systeem. Verder voert [werknemer] aan dat zij met [werkgever] de afspraak had gemaakt dat zij de locatie mocht verlaten zodra zij haar werkzaamheden had afgerond. Daarbij werd door [werkgever] niet strikt naar het werkrooster gekeken. Ook heeft [werknemer] nimmer de intentie gehad om zichzelf ten koste van [werkgever] te bevoordelen. Verder betwist [werknemer] dat er sprake was van disfunctioneren en dat zij hierop door [werkgever] was gewezen.
[werkgever] voert verweer en stelt dat de verzoeken moeten worden afgewezen. [werkgever] voert ‑ samengevat ‑ aan dat [werknemer] op de [locatie] over de periode 6 oktober 2025 tot en met 16 maart 2026 in totaal 109 uur en 13 minuten minder aanwezig is geweest dan waarvoor zij was ingeroosterd en betaald. De minder gewerkte uren verklaren volgens [werkgever] de klachten van de opdrachtgever over het geleverde schoonmaakwerk. [werkgever] is van mening dat [werknemer] zich schuldig heeft gemaakt aan urenfraude en/of dagdieverij en dat dit een dringende reden voor ontslag op staande voet opleverde. [werkgever] betwist dat er een afspraak was gemaakt met [werknemer] dat zij zoveel eerder de locatie kon verlaten dan waarvoor ze stond ingeroosterd. [werkgever] voert aan dat [werknemer] in het jaargesprek van 10 december 2025 er nog op is aangesproken dat zij beter haar werk moest nakijken en de tijd moest nemen die voor de locatie was ingepland. Door dit niet te doen, heeft zij niet alleen [werkgever], maar ook de opdrachtgever benadeeld en heeft zij het vertrouwen van [werkgever] geschonden.
[werkgever] heeft een tegenverzoek ingediend en verzoekt (samengevat) veroordeling van [werknemer] tot (hernummering door ktr):
I. betaling van € 2.411,43 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum indiening van het zelfstandig tegenverzoek,
II. betaling van de proceskosten.
Op de stelling van partijen wordt hierna - voor zover relevant - nader ingegaan.
4 De beoordeling van de verzoeken
De rechtbank stelt voorop dat deze beschikking, wegens ziekte, niet kan worden gewezen door de rechter ten overstaan van wie de mondelinge behandeling van 3 september 2026 heeft plaatsgevonden. Partijen zijn van de rechterswissel op de hoogte gesteld en hebben te kennen gegeven dat de beschikking zonder nadere mondelinge behandeling kan worden gewezen door de opvolgend rechter.
Het verzoek van [werknemer]
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven, of [werkgever] moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding, en of aan [werknemer] een billijke vergoeding moet worden toegekend. De kantonrechter is van oordeel dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en wijst de verzoeken van [werknemer] af. De kantonrechter legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
Ontslag op staande voet, juridisch kader
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is1. Dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Hij moet hierbij de aard en de ernst van de dringende reden afwegen tegen de door de werknemer aangevoerde omstandigheden. Voorop staat dat een ontslag op staande voet een ultimum remedium is. Gelet op de verstrekkende gevolgen van zo’n ontslag voor de werknemer mag dit alleen bij uitzondering worden gegeven.
Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden gelijktijdig met het ontslag worden meegedeeld aan de werknemer2. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. De van een werkgever te vergen mate van voortvarendheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard en omvang van een eventueel noodzakelijk onderzoek, de eventuele noodzaak tot het inwinnen van rechtskundig advies en tot het verzamelen van bewijsmateriaal, en de door de werkgever in acht te nemen zorgvuldigheid3. Nadat bij de werkgever een vermoeden is ontstaan van een dringende reden, dient hij voortvarend te handelen. Wanneer een werkgever een onderzoek instelt naar de gegrondheid van een dringende reden, is van belang dat dit onderzoek voortvarend wordt verricht, dat de werkgever zich actief op de hoogte laat stellen van tussentijdse bevindingen en dat de werkgever na kennisneming van de uitkomst van het onderzoek voldoende voortvarend is overgegaan tot het ontslag op staande voet4.
Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werkgever moet de dringende reden bewijzen.
Welke dringende reden(en) heeft [werkgever] aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd?
Het ontslag op staande voet is op 25 maart 2026 mondeling gegeven en dezelfde dag schriftelijk aan [werknemer] bevestigd. In deze brief heeft [werkgever] aangevoerd dat [werknemer] is ontslagen op grond van urenfraude en/of dagdieverij. [werkgever] stelt dat [werknemer] structureel minder uren op de [locatie] heeft gewerkt dan waarvoor zij werd ingeroosterd en betaald, en dat zij daarmee haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst ernstig heeft geschonden.
[werknemer] stelt dat [werkgever] ook disfunctioneren aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd, dat hiervan geen sprake is en dat disfunctioneren geen dringende reden oplevert. In de ontslagbrief5 heeft [werkgever] aan het ontslag op staande voet enkel de urenfraude / dagdieverij ten grondslag gelegd. De niet gewerkte uren verklaren volgens [werkgever] de klachten over de schoonmaak, maar zij heeft dit niet als dringende reden opgevoerd. Als dringende reden heeft [werkgever] alleen urenfraude en/of dagdieverij aangevoerd.
Komt urenfraude / dagdieverij vast te staan?
Ter onderbouwing van haar stellingen baseert [werkgever] zich op de van haar opdrachtgever ontvangen gegevens van het alarmsysteem waarop te zien is wanneer [werknemer] is ingeklokt en wanneer zij is uitgeklokt op de [locatie]6, de verklaring van haar opdrachtgever7 en op de door [werkgever] gegeven instructies uit het jaargesprek8.
[werkgever] stelt dat zij klachten had ontvangen van haar opdrachtgever over het schoonmaakwerk van [werknemer] op de [locatie]. Hierbij heeft de opdrachtgever ook haar twijfels geuit over de aanwezigheid van [werknemer] op de locatie. Van deze opdrachtgever had [werkgever] de gegevens van het alarmsysteem ontvangen waarop de registratie van [werknemer] is te zien over de periode 1 tot en met 16 maart 2026. [werknemer] heeft bevestigd dat zij in de korte werktijd die op het overzicht te zien is, haar werk niet naar behoren kon uitvoeren, maar heeft geen verklaring voor de geregistreerde tijden. Zij voert enkel aan dat de registratie niet klopt.
Naar aanleiding van deze betwisting van [werknemer], heeft [werkgever] nader onderzoek verricht. Zij heeft daarbij haar opdrachtgever gevraagd om de registratietijden van andere werknemers van [werkgever] te verstrekken en om de registratietijden van [werknemer] te verruimen met de periode 6 oktober 2025 tot en met 25 februari 2026. Tot slot heeft zij ook een verklaring van haar opdrachtgever ontvangen waarin deze aangeeft dat de tijden rechtstreeks afkomstig zijn uit het systeem en van de sleutel van [werknemer]. [werknemer] heeft niet betwist dat de registratietijden van haar sleutel zijn. Evenmin heeft zij de verklaring van de opdrachtgever bestreden. Daarmee staat vast dat met de sleutel van [werknemer] de aankomst- en vertrektijd op de [locatie] is vastgelegd. Uit het overgelegde overzicht is op te maken dat [werknemer] op geen enkele dag in de buurt komt van 2,5 uur (150 minuten). Het merendeel van de dagen is zij binnen 60 minuten vertrokken. De geregistreerde tijden liggen daarmee ver onder de (voor de [locatie]) uitbetaalde 150 minuten per werkdag en op sommige dagen nog geen 20 minuten.
[werknemer] heeft geen verklaring kunnen geven voor de registratietijden. Zij voert enkel aan dat zij met [werkgever] de afspraak had dat zij de locatie kon verlaten zodra zij klaar was met haar werkzaamheden en de locatie schoon was. De bewijslast van deze afspraak rust op [werknemer]9. Daartoe heeft [werknemer] een geluidsopname overgelegd van het gesprek van 25 maart 202610. In dit gesprek heeft [werknemer] aangevoerd dat door de rayonleidster is gezegd dat zij kon gaan als ze klaar was. [werkgever] heeft deze afspraak gemotiveerd betwist met de overlegging van het jaargesprek waarin [werknemer] erop is gewezen dat zij haar tijd moest nemen, en met de toelichting ter zitting van de rayonleidster. De rayonleidster heeft aangevoerd dat zij inderdaad heeft gezegd dat [werknemer] eerder weg kon, maar niet als ze maar zeventien minuten heeft gewerkt. Met de uitspraak heeft zij bedoeld dat [werknemer] een paar minuten eerder kon vertrekken als zij klaar was, niet al na een uur.
Gelet op deze gemotiveerde betwisting, is niet vast komen te staan dat tussen [werknemer] en [werkgever] de afspraak was gemaakt dat zij, met behoud van volledige betaling van de uren van haar werkrooster, zoveel eerder van de locatie kon vertrekken dan zij had gedaan. [werkgever] mocht van [werknemer] verwachten dat zij op de [locatie] per werkdag ongeveer 2,5 uur aan schoonmaakwerkzaamheden besteedde. Nu zij dit op geen enkele werkdag heeft gedaan, is sprake van een structurele schending van de arbeidsovereenkomst ten aanzien van de te werken uren. Omdat [werkgever] [werknemer] wel voor de overeengekomen uren heeft betaald, heeft [werknemer] [werkgever] ernstig benadeeld ten gunste van zichzelf.
[werknemer] voert nog aan dat zij geen opzet heeft gehad om [werkgever] te benadelen en enkel de afspraak naleefde. Zoals hierboven al overwogen, is van enige afspraak, om minder dan de roosteruren te werken, geen sprake. Tijdens de zitting heeft [werknemer] ook geen verklaring kunnen geven voor de forse urenverschillen. Bovendien heeft [werknemer] onvoldoende betwist dat zij bij elke loonspecificatie een urenstaat heeft ontvangen van de gewerkte en uitbetaalde uren, zodat zij ervan op de hoogte kon zijn dat zij veel meer uren uitbetaald kreeg dan zij daadwerkelijk gewerkt had. Door dan toch dezelfde werkwijze voort te zetten, heeft [werknemer] [werkgever] ernstig benadeeld.
Er is sprake van een dringende reden
Het stelselmatig minder uren werken dan is overeengekomen en is uitbetaald, is dermate ernstig dat dit op zichzelf staand een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert11. [werkgever] heeft aangevoerd dat zij er in haar bedrijf op moet kunnen vertrouwen dat de werknemers de ingeroosterde uren werken, te meer daar zij alleen en zonder toezicht werken. Door stelselmatig minder uren te werken dan waarvoor ze is uitbetaald, heeft [werknemer] niet alleen [werkgever] benadeeld, maar is zij ook dit vertrouwen onwaardig geworden. Van [werkgever] kan dan niet langer worden verwacht dat zij de arbeidsovereenkomst laat voortduren. De conclusie is dat er een dringende reden is voor het ontslag op staande voet.
Er is onverwijld opgezegd
[werkgever] heeft het ontslag op staande voet onverwijld verleend. Op 23 maart 2026 heeft zij [werknemer] geconfronteerd met de uitkomsten van het onderzoek naar de registratietijden van de periode 1 tot en met 16 maart 2026. Dat [werkgever] op 23 maart 2026 al had aangegeven dat de urenfraude een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert, maakt niet dat zij dit diezelfde dag had moeten verlenen. Naar aanleiding van de hoor en wederhoor die had plaatsgevonden en waarin [werknemer] haar twijfels over het registratiesysteem had geuit, heeft [werkgever] direct nader onderzoek uitgevoerd. Vervolgens heeft zij [werknemer] op 25 maart 2026 geconfronteerd met de resultaten van het bredere onderzoek en [werknemer] op staande voet ontslagen omdat een plausibele verklaring van [werknemer] uitbleef. Daarmee heeft [werkgever] voortvarend gehandeld en is het ontslag op staande voet rechtsgeldig verleend.
Afwijzing van de verzochte vergoedingen
De verzochte billijke vergoeding en gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging worden afgewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is.
Ook de verzochte transitievergoeding wordt afgewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Die feiten en omstandigheden brengen in dit geval ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van het handelen of nalaten van [werknemer] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Daarom is [werkgever] geen transitievergoeding aan [werknemer] verschuldigd12.
[werkgever] is [werknemer] geen loon verschuldigd.
[werknemer] verzoekt ook betaling van achterstallig loon van € 1.674,00. [werkgever] heeft dit bedrag als gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW verrekend met de eindafrekening. Dit verzoek zal worden afgewezen. Zoals hierboven overwogen heeft [werkgever] [werknemer] terecht op staande voet ontslagen. Als gevolg hiervan kan [werkgever] aanspraak maken op een gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW. Op grond van 7:632 lid 1 onder a BW is de werkgever gerechtigd om bij het einde van de arbeidsovereenkomst de door de werknemer verschuldigde schadevergoeding te verrekenen met het loon. [werkgever] heeft reeds in de ontslagbrief aangekondigd dat zij aanspraak zou maken op deze vergoeding, van welke verrekening [werkgever] [werknemer] nogmaals in kennis heeft gesteld in haar brief van 15 april 202613. Daarmee heeft [werkgever] voldaan aan de benodigde verrekeningsverklaring ex artikel 6:127 lid 1 BW. Nu [werknemer] de hoogte van het verrekende bedrag niet heeft betwist en niet heeft gesteld dat er te veel aan vergoeding is ingehouden, zal haar verzoek worden afgewezen.
Het daarmee verband houdende verzoek tot betaling van de wettelijke verhoging zal eveneens worden afgewezen.
Wettelijke rente wordt afgewezen
Nu de hoofdverzoeken van [werknemer] worden afgewezen, zal het daarmee verband houdende verzoek tot betaling van de wettelijke rente eveneens worden afgewezen.
Het tegenverzoek van [werkgever]
Schadevergoeding wordt toegewezen
[werkgever] verzoekt om [werknemer] te veroordelen tot betaling van de te veel betaalde uren van € 2.553,46 en de gefixeerde schadevergoeding van € 1.721,91 ex artikel 7:677 lid 2 BW. Doordat [werkgever] op de eindafrekening al een bedrag van € 1.863,94 heeft ingehouden, maakt zij nog aanspraak op betaling van € 2.411,43. Nu [werknemer] geen verweer heeft gevoerd tegen dit verzoek, is het verzochte bedrag in beginsel toewijsbaar.
De kantonrechter merkt echter op dat zowel de terugbetaling van de niet-gewerkte uren van € 2.553,46 als de gefixeerde schadevergoeding van € 1.721,91 brutobedragen zijn. In totaal gaat het om € 4.275,37 bruto. [werkgever] heeft op de eindafrekening € 1.647,00 bruto aan gefixeerde schadevergoeding in mindering gebracht en € 216,94 netto aan te veel uitbetaalde uren14. Daardoor resteert nog een bedrag van (€ 4.275,37 - € 1.647,00 =) € 2.628,37 bruto waarop de verrekende betaling van € 216,94 netto in mindering moet worden gebracht.
De hierover verzochte wettelijke rente zal, als onbetwist, worden toegewezen vanaf de datum van het indienen van het verzoek, zijnde 13 augustus 2026.
[werknemer] moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [werknemer], omdat [werknemer] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer]. De proceskosten aan de zijde van [werkgever] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De kantonrechter
op het verzoek
wijst de verzoeken af,
op het tegenverzoek
veroordeelt [werknemer] tot betaling van € 2.628,37 bruto, waarop het bedrag van € 216,94 netto in mindering strekt, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het genoemde bedrag in onderdeel 5.2. vanaf 13 augustus 2026 tot aan de volledige betaling
op beide verzoeken
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
verklaart deze beschikking voor wat betreft de onderdelen 5.2. en 5.3. uitvoerbaar bij voorraad15.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2026. |
||