ECLI:NL:RBLIM:2026:10749

Datum uitspraak
07-10-2026
Instantie
Rechtbank Limburg
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
12402163 \ CV EXPL 26-5354
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kort geding. Verzet. Ontruiming woonruimte en betaling huurachterstand. Ontruiming reeds plaatsgevonden. Meer dan drie maanden huurachterstand. Ontruiming gerechtvaardigd. Verzet deels gegrond ten aanzien van deel van de huurachterstand. Reconventie afgewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 12402163 \ CV EXPL 26-5354

Vonnis in kort geding van 7 oktober 2026

in de zaak van

1 [huurder 1], 2. [huurder 2],

beiden thans dakloos,

eisende partijen in verzet,

eisende partijen in reconventie,

hierna te noemen: [huurder 1], [huurder 2], en gezamenlijk [huurders],

gemachtigde: mr. M.A. Ploemen,

tegen

[verhuurder] ,

te [plaats],

gedaagde partij in verzet,

gedaagde partij in reconventie,

hierna te noemen: [verhuurder],

gemachtigde: mr. A.W. Smidt.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het door de kantonrechter op 10 augustus 2026 tussen [verhuurder] als eisende partij en [huurders] als gedaagde partij bij verstek gewezen vonnis onder zaaknummer 12307883 \ CV EXPL 26-3704,- de verzetdagvaarding en eis in reconventie van 28 september 2026 met producties 1 tot en met 18,

- producties 14 tot en met 26 van [verhuurder],

-producties 19 tot en met 22 van [huurders],

- de mondelinge behandeling van 1 oktober 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,

- de pleitnota van [huurders],

- de pleitnota van [verhuurder].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[huurders] huren van [verhuurder] (als opvolgend verhuurder per 3 juni 2020) de woonruimte aan de [adres] (hierna: het gehuurde). De huurprijs bedraagt thans € 898,49 per maand.

2.2.

[huurders] woonden in het gehuurde samen met de vrouw van [huurder 1] en haar minderjarige dochter (12 jaar oud). [huurder 1] is de Nederlandse taal niet machtig, [huurder 2] wel.

2.3.

[huurders] zijn meermaals schriftelijk gewezen op betalingsachterstanden in de huurpenningen. Dit is onder meer gebeurd bij aanmaningen van 15 juni 2025 (huurachterstand maart tot en met juni 2025), 8 december 2025 (huurachterstand november en december 2025) en 1 maart 2026 (huurachterstand januari tot en met maart 2026).

2.4.

[verhuurder] heeft op 7 december 2025 en op 20 juni 2026 een melding vroegsignalering gedaan bij de gemeente Heerlen.

2.5.

[huurders] zijn per brief middels deurwaardersexploten van 23 juni 2026 gewezen op hun betalingsverplichting als huurder. In die brief zijn [huurders] gesommeerd om de huurachterstand ter hoogte van € 5.010,70 binnen veertien dagen na betekening van dat exploot te voldoen. [huurders] zijn daarnaast gesommeerd om de huurovereenkomst uiterlijk binnen veertien dagen na de betekening van het exploot op te zeggen, met inachtneming van een opzegtermijn van één maand. In die brief is een kort geding aangekondigd, indien [huurders] niet voldoen aan het voorgaande.

2.6.

[verhuurder] heeft [huurders] gedagvaard in kort geding. [huurders] zijn bij verstekvonnis van 10 augustus 2026 (hierna: het verstekvonnis) onder meer veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van het vonnis en betaling van de huurachterstand zoals opgenomen in de inleidende dagvaarding. Het verstekvonnis is op 27 augustus 2026 respectievelijk 1 september 2026 betekend aan [huurders]. In het exploot is bevel gedaan om het gehuurde binnen veertien dagen na heden te ontruimen en om binnen twee dagen na heden een bedrag te betalen van in totaal € 10.056,77. In het exploot is tevens aangezegd dat bij niet- of niet tijdige voldoening van het bevel tot ontruiming, [verhuurder] zal overgaan tot de daadwerkelijke ontruiming van het gehuurde, welke gerechtelijke ontruiming alsdan is bepaald en zal plaatsvinden op woensdag 23 september 2026.

2.7.

[huurders] hebben het gehuurde niet zelf ontruimd. De gerechtelijke ontruiming van het gehuurde heeft plaatsgevonden op de aangezegde datum.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[verhuurder] heeft in de verstekprocedure – samengevat – veroordeling van [huurders] gevorderd tot ontruiming van het gehuurde binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, hoofdelijke veroordeling tot betaling van € 5.909,19, te vermeerderen met de wettelijke rente, € 756,89 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, € 898,49 uiterlijk vóór of op de eerste dag van iedere maand vanaf augustus 2026 tot aan de dag van ontruiming en de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard verstekvonnis van 10 augustus 2026 is [huurders] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van het vonnis en tot hoofdelijke betaling van € 5.909,19 aan achterstallige huur, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening, € 898,49 vóór of op de eerste dag van iedere maand vanaf augustus 2026 tot aan de dag van ontruiming, de proceskosten van € 1.140,09, te vermeerderen met de kosten van betekening en de wettelijke rente over de proceskosten, indien deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.

3.3.

[huurders] vordert bij verzetdagvaarding om hen te ontheffen van de veroordelingen die tegen hen zijn uitgesproken bij het verstekvonnis en, opnieuw rechtdoende, de oorspronkelijke vorderingen van [verhuurder] alsnog integraal af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als de kantonrechter geraden acht, met veroordeling van [verhuurder] in de kosten van de oorspronkelijke procedure en in de verzetprocedure, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis.

3.4.

[verhuurder] concludeert tot bekrachtiging van het verstekvonnis, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [huurders] in de proceskosten en de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis.

in reconventie

3.5.

[huurders] vorderen om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. [verhuurder] te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het vonnis [huurders], zijn echtgenote en haar minderjarige dochter onbelemmerd toegang te verschaffen tot het gehuurde, alle voor toegang noodzakelijke sleutels aan [huurders] ter beschikking te stellen en [huurders] volledig in het huurgenot van de woning te herstellen;

II. [verhuurder] te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van het vonnis alle bij of als gevolg van de ontruiming uit de woning verwijderde en aan [huurders] en hun gezin toebehorende zaken, waaronder de volledige privé-inboedel, persoonlijke goederen, bedrijfsgoederen en gereedschappen aan [huurders] terug te geven;

III. [verhuurder] te veroordelen, voor zover de hiervoor bedoelde zaken zich in opslag of op een andere locatie bevinden als gevolg van de door of namens hem uitgevoerde ontruiming, op eigen kosten zorg te dragen voor het transport en de terugbrenging van deze zaken naar het gehuurde en deze aldaar deugdelijk en onbeschadigd aan [huurders] ter beschikking te stellen;

IV. te bepalen dat [verhuurder] voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet volledig voldoet aan de veroordelingen onder I. tot en met III. een dwangsom verbeurt van € 1.500,00, tot een maximum van € 50.000,00, althans een door de kantonrechter te bepalen dwangsom;

V. [verhuurder] primair te veroordelen tot betaling van de daadwerkelijk door [huurders] gemaakte en nog te maken redelijke advocaatkosten, thans begroot op € 5.000,00 exclusief btw, exclusief griffierecht en explootkosten, te vermeerderen met de nadien nog redelijkerwijs te maken advocaatkosten, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag, althans [verhuurder] subsidiair te veroordelen in de proceskosten overeenkomstig het toepasselijke liquidatietarief;

VI. [verhuurder] te veroordelen in de overige kosten van het geding, waaronder het griffierecht, de explootkosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan.

3.6.

[verhuurder] voert verweer. [verhuurder] concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van [huurders] in hun vorderingen, althans hen deze als ongegrond dan wel onbewezen te ontzeggen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [huurders] in de proceskosten en de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis.

in conventie en in reconventie

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

Verzettermijn

4.1.

De kantonrechter oordeelt dat het verzet tijdig is ingesteld en dat [huurders] ontvankelijk zijn in hun verzet.

[huurder 2] als procespartij

4.2.

[huurders] stellen dat [huurder 2] geen partij is bij de huurovereenkomst waarop [verhuurder] haar vorderingen baseert en dat de vorderingen jegens [huurder 2] dan ook hadden moeten worden afgewezen. [huurder 2] fungeerde volgens [huurders] enkel als contactpersoon vanwege de taal- en leesproblemen van [huurder 1]. [huurder 2] was ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst, zowel tijdens het sluiten van de huurovereenkomst met de rechtsvoorganger van [verhuurder] in 2017 als op 3 juni 2020, minderjarig. Op grond van artikel 1:234 BW kan een minderjarige geen huurovereenkomst sluiten, aldus [huurders].

4.3.

De kantonrechter volgt het standpunt van [verhuurder] dat [huurder 2] wel partij is bij de huurovereenkomst op grond van het volgende. [verhuurder] heeft een verklaring van de vorige eigenaar van het gehuurde (Nalegra Vastgoed B.V.) in het geding gebracht waarin het volgende is vermeld. Bij de executieverkoop was een huurbeding ingeroepen. [huurders] konden daardoor niet meer blijven wonen in het gehuurde. [verhuurder] toonde interesse in het gehuurde en toen heeft de vorige eigenaar zowel [huurder 1] als [huurder 2] mondeling een nieuwe huurovereenkomst aangeboden, die zij accepteerden. De vorige eigenaar heeft verzuimd een schriftelijke overeenkomst op te stellen naar aanleiding van de mondelinge afspraken. [verhuurder] heeft de akte van levering van het gehuurde in het geding ingebracht, waarin Nalegra Vastgoed B.V. is opgenomen als verkoper en [verhuurder] als koper. De kantonrechter ziet naar aanleiding van de stellingen van partijen onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de voornoemde verklaring van Nalegra Vastgoed B.V.

4.4.

[huurder 2] was ten tijde van het sluiten van de mondelinge huurovereenkomst (juni 2020) 17 jaar oud. In beginsel is een minderjarige overeenkomstig artikel 1:234 lid 1 BW, mits hij met toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger handelt, bekwaam rechtshandelingen te verrichten, voor zover de wet niet anders bepaalt. Nu de kantonrechter aanneemt dat [huurder 1] samen met [huurder 2] een huurovereenkomst heeft gesloten, wordt deze toestemming verondersteld te zijn verleend. De minderjarigheid van [huurder 2] staat de geldigheid van de huurovereenkomst dus niet in de weg. [huurder 2] heeft ook huurbetalingen verricht. De kantonrechter oordeelt dan ook dat [huurder 2] terecht in deze procedure is betrokken. Dat [huurder 2] niet is opgenomen op het aanvraagformulier kort geding maakt dat niet anders. [huurder 2] is wel vermeld in de daarbij ingediende conceptdagvaarding.

Artikel 21 Rv en substantiëringsplicht

4.5.

[huurders] stellen dat [verhuurder] de in artikel 21 Rv neergelegde verplichting hebben geschonden, aangezien [verhuurder] in zijn dagvaarding feiten heeft gesteld die onjuist, althans onvolledig zijn. Daarnaast heeft [verhuurder] niet, althans onvoldoende, voldaan aan de substantiëringsplicht van artikel 111 lid 3 Rv. Dit omdat [verhuurder] de bij hem bekende standpunten en verweren van [huurders] niet heeft opgenomen in de dagvaarding. [verhuurder] betwist het voorgaande.

4.6.

De kantonrechter overweegt als volgt. Ingevolge artikel 21 Rv zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Kernachtig weergegeven komen de waarheids- en volledigheidsplicht van artikel 21 Rv neer op het volgende. Partijen mogen in elk geval: (i) geen feiten stellen waarvan zij weten dat die feiten niet juist zijn of niet juist kunnen zijn, (ii) geen feiten ontkennen waarvan zij weten dat die juist zijn en (iii) geen feiten achterhouden waardoor de rechter (en de wederpartij) op het verkeerde been wordt gezet.1

4.7.

[verhuurder] heeft zijn vordering gebaseerd op een betalingsoverzicht van zijn boekhoudster. Op grond van de stukken van partijen en het verhandelde ter mondelinge behandeling komt de kantonrechter niet tot het oordeel sprake is van het hiervoor onder (i), (ii) of (iii) genoemde. Er is dus geen sprake van schending van artikel 21 Rv.

4.8.

Ten aanzien van de substantiëringsplicht wordt als volgt overwogen. [huurders] hebben op gen enkele wijze gereageerd op de brief van 23 juni 2026, zoals die aan hen is betekend. Pas op 14 juli 2026 (zijnde de dag van uitbrengen inleidende dagvaarding) laten [huurders] per Whatsappbericht aan [verhuurder] weten dat zij van mening zijn dat geen sprake is van zes maanden huurachterstand. Onder deze omstandigheden is van schending van de substantiëringsplicht geen sprake.

Rauwelijks dagvaarden

4.9.

[huurders] stellen dat zij rauwelijks gedagvaard zijn en ook rauwelijks met de ontruiming (en het vonnis) geconfronteerd zijn en daarmee beperkt zijn in hun mogelijkheid om tijdig rechtsbijstand te organiseren en inhoudelijk verweer te voeren. [verhuurder] betwist het voorgaande.

4.10.

Naar het oordeel van de kantonrechter is geen sprake van rauwelijks dagvaarden. [huurders] zijn beiden bij brief middels deurwaardersexploot in kennis gesteld van de vordering van [verhuurder] en in die brief is expliciet opgenomen dat [verhuurder] een kort geding procedure zou starten, indien [huurders] niet zouden voldaan aan de sommaties in die brief. Ook de stelling dat [huurders] rauwelijks met de ontruiming zijn geconfronteerd houdt geen stand. [huurders] waren op de hoogte van de geplande mondelinge behandeling op 27 juli 2026. Zij hebben immers zelf schriftelijk om verplaatsing van die mondelinge behandeling gevraagd. Dit verplaatsingsverzoek is afgewezen, zoals toen ook aan [huurders] schriftelijk is medegedeeld, en [huurders] hebben verstek laten gaan. [huurders] hebben na het ontruimingsexploot van 27 augustus 2026 geen enkele actie ondernomen. Ter mondelinge behandeling hebben zij toegelicht dat zij, mede door de taalbarrière van [huurder 1], tot aan het moment van de gedwongen ontruiming op 25 september 2026 de ernst van de situatie niet inzagen. Dat moge zo zijn, maar dient wel voor rekening en risico van [huurders] te blijven.

4.11.

De voorgaande formele verweren van [huurders] slagen dus niet en de kantonrechter komt dan ook toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil.

Huurachterstand

4.12.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De kantonrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de kantonrechter mede betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.

4.13.

[verhuurder] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van de geldvordering, onder meer gezien de gestelde aanzienlijke betalingsachterstand, een onmiddellijke voorziening is vereist.

4.14.

Partijen staan lijnrecht tegenover elkaar ten aanzien van de hoogte van de huurachterstand. [verhuurder] stelt dat [huurders] sinds 1 april 2021 vrijwel structureel de huur niet tijdig (vóór of op het eerste van de desbetreffende maand) en/of volledig aan [verhuurder] betalen. [huurders] hebben al eerder betalingsachterstanden laten ontstaan en die achterstanden nadien weer ingelopen. Vanwege het grillige betalingsgedrag van [huurders] stelt [verhuurder] dat hij eind mei 2026 door zijn boekhoudster een overzicht heeft laten maken van het volledige betalingsgedrag van [huurders]. Uit dat overzicht volgt een betalingsachterstand van in totaal € 5.010,70 per mei 2026. Op het moment van dagvaarden bedraagt de huurachterstand volgens [verhuurder] € 5.909,19.

4.15.

[huurders] erkennen twee maanden huurachterstand (mei 2026 en augustus 2026) op het moment van de inleidende dagvaarding. [huurders] betwisten de juistheid van het betalingsoverzicht (hetgeen volgens hen een achteraf gemaakte constructie betreft) zoals [verhuurder] heeft overgelegd. Volgens [huurders] zijn in dat betalingsoverzicht een aantal contante betalingen aan [verhuurder] niet opgenomen. Het zou gaan om een contante betalingen van € 822,00 op 4 april 2025, naast de bankbetaling op die dag, € 500,00 op 17 juni 2025, € 822,00 op 1 juli 2025, € 860,00 op 7 oktober 2025 en twee huurtermijnen op 10 oktober 2025. In totaal gaat het om € 4.730,00 aan contante betalingen die niet zijn meegenomen in het overzicht. De betalingsachterstand is naar mening van [huurders] dus aanzienlijk lager dan dat [verhuurder] pretendeert. [huurders] hechten grote waarde aan het Whatsappbericht van [verhuurder] van 18 oktober 2025, waarin hij heeft medegedeeld aan [huurders] dat alles bij is en er geen achterstand bestaat en het Whatsappbericht van 12 april 2026 waarin wordt medegedeeld aan [huurders] dat per 1 januari 2026 alle betalingen bij waren en in april 2026 één maand huur openstond. [huurders] vinden deze mededelingen niet of moeilijk verenigbaar met de gestelde jarenlange bestaande aanzienlijke huurachterstand, zeker nu [verhuurder] in zijn berichten verwijst naar ruggespraak met zijn boekhoudster, de vervaardiger van het betalingsoverzicht.

4.16.

De kantonrechter vindt het begrijpelijk dat [verhuurder] een betalingsoverzicht heeft laten maken door zijn boekhoudster. De betalingen van [huurders] vonden namelijk niet structureel plaats. Zij vonden niet plaats op een vaste dag in de maand. Ook betaalden [huurders] niet elke maand de huurpenningen en betaalden zij soms meerdere maanden ineens om een achterstand in te lopen. Soms betaalden zij per bankoverschrijving en soms contant. Dit terwijl [verhuurder] meermaals heeft medegedeeld dat hij geen contante betalingen meer wenste te ontvangen. Het is dan ook niet ondenkbaar dat [verhuurder] op enig moment het overzicht is kwijtgeraakt. Dat [verhuurder] tweemaal per Whatsapp te kennen heeft gegeven aan [huurders] (na overleg met zijn boekhoudster) dat de betalingen bij waren, is onhandig, maar niet onbegrijpelijk gezien het betalingsgedrag van [huurders]. Tijdens de mondelinge behandeling zijn alle gestelde contante betalingen doorgenomen en naast de Whatsappcorrespondentie tussen partijen met betrekking tot die contante betalingen gelegd. Alles wat [huurders] aanvoeren ten aanzien van die betalingen is gemotiveerd betwist door [verhuurder]. Naar aanleiding van die betwistingen en de vergelijking tussen de gestelde contante betalingen, de correspondentie daarover en het betalingsoverzicht komt de kantonrechter tot de conclusie dat de contante betalingen, met uitzondering van de betaling van 4 april 2025, wél zijn opgenomen in het betalingsoverzicht. Daarbij wordt de correspondentie ten aanzien van de contante betaling op 4 april 2025 ook nog eens welwillend gelezen door de kantonrechter, aangezien die betaling niet concreet bevestigd wordt in de correspondentie. Er wordt enkel vermeld dat partijen de dag erna met elkaar afspreken, dus op 5 april 2025, om een contante betaling te verrichten. Het verweer van [huurders] dat maximaal sprake zou zijn van twee maanden huurachterstand slaagt dus niet.

4.17.

Van enig restitutierisico aan de zijde van [verhuurder] is niet gebleken. Het voorgaande leidt ertoe dat een bedrag van € 5.087,19 (€ 5.909,19 - € 822,00) aan huurachterstand wordt toegewezen.

Ontruiming van het gehuurde

4.18.

De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding. Die gevolgen zijn in dit kort geding reeds ingetreden.

4.19.

Voor toewijzing van een dergelijke vordering zal dan ook slechts plaats zijn indien in hoge mate waarschijnlijk is dat de bodemrechter een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst op grond van artikel 6:265 BW zal toewijzen. Volgens vaste rechtspraak rechtvaardigt een huurachterstand van drie maanden of meer in beginsel ontbinding van de huurovereenkomst, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

4.20.

De vraag is of de hiervoor genoemde huurachterstand van € 5.087,19 (ruim vijf maanden) kan leiden tot ontruiming van de woning. Volgens [huurders] hebben zij een zwaarwegend belang om in het gehuurde te kunnen blijven en dient de belangenafweging in hun voordeel uit te vallen. Dit omdat de gevolgen van de ontruiming voor hen buitengewoon ingrijpend zijn, mede omdat [huurders] een VOF exploiteren en hun gereedschappen om dit te kunnen doen zich in het gehuurde bevonden. Daarnaast wordt de minderjarige dochter van de partner van [huurder 1] rechtstreeks getroffen door het verlies van de woning.

4.21.

Ten aanzien van het minderjarige kind wordt als volgt overwogen. Bij de beoordeling van de ontruimingsvordering wordt het belang van het inwonende minderjarig kind in overweging genomen. Ingevolge het bepaalde in artikel 3 van het IVRK vormen de belangen van het kind de eerste overweging bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen. Aangenomen moet worden dat een ontruiming van de woning (ook) voor het minderjarige kind nadelige gevolgen meebrengt. Bij de beoordeling van een op zichzelf gerechtvaardigde vordering tot ontruiming zullen de belangen van de daarbij betrokken kinderen onder ogen gezien dienen te worden. Dit gaat evenwel niet zover dat de betrokkenheid van kinderen automatisch leidt tot een blokkade voor de toewijzing van een vordering tot ontruiming. Het is voor alles de taak van de ouders om de nodige maatregelen te nemen ter voorkoming van al te nadelige gevolgen. Zowel de verantwoordelijkheid voor de tekortkoming die tot de ontruiming leidt (of kan leiden) als de verantwoordelijkheid voor het welzijn van de kinderen ligt bij de ouders. Om die reden dient niet te snel te worden aangenomen dat de betrokkenheid van minderjarige kinderen aan toewijzing van de vordering tot ontruiming in de weg staat. Dit zal in bepaalde omstandigheden wel het geval kunnen zijn als de ontruiming tot een acute noodsituatie voor een kind zou leiden. De kantonrechter stelt daarbij voorop dat de gevolgen van een ontruiming altijd ingrijpend zijn, maar ook inherent eraan zijn. De moeder van het minderjarige kind heeft zich al gemeld bij de gemeente. Dat sprake is van een acute noodtoestand is onvoldoende aannemelijk geworden, zodat de enkele aanwezigheid van het minderjarig kind in dit concrete geval niet tot afwijzing van de ontruimingsvordering zal leiden. De aanwezigheid van een minderjarig kind zou in een dergelijk geval wel aanleiding kunnen geven om de gevorderde ontruimingstermijn te verlengen. Dat is in deze zaak echter niet meer aan de orde, aangezien de ontruiming reeds heeft plaatsgevonden.

4.22.

[huurders] hebben naar het oordeel van de kantonrechter geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die ertoe kunnen leiden dat de ontbinding (en dus de ontruiming in kort geding) in dit geval niet gerechtvaardigd is. De kantonrechter is van oordeel dat het belang van [huurders] om in de woning te wonen – gezien de substantiële huurachterstand en de historie in het betalingsgedrag van [huurders] – niet prevaleert boven het belang van [verhuurder] bij de ontruiming van het gehuurde.

4.23.

Nu het in hoge mate waarschijnlijk is dat de huurovereenkomst in een eventuele bodemprocedure zal worden ontbonden, is de gevorderde ontruiming in kort geding gerechtvaardigd.

Conclusie

4.24.

Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat de ontruiming van het gehuurde in het verstekvonnis terecht is toegewezen. [huurders] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 5.087,19 aan huurachterstand, in tegenstelling tot het verstekvonnis waarin een bedrag van € 5.909,19 is toegewezen. Dit leidt ertoe dat het verzet deels (ten aanzien van een deel van de huurachterstand) gegrond wordt verklaard. De kantonrechter zal met betrekking tot het verschuldigde bedrag opnieuw uitspraak doen. De overige veroordelingen worden bekrachtigd.

Proceskosten in verzet

4.25.

[huurders] zijn in verzet grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

€

865,00

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.009,00

4.26.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

in reconventie

Vorderingen herstel huurgenot en teruggave en terugplaatsing van de inboedel

4.27.

De vorderingen in reconventie liggen voor afwijzing gereed, aangezien de kantonrechter tot het oordeel is gekomen dat de ontruiming gerechtvaardigd is. De kantonrechter komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van deze vorderingen. Uit de wijze waarop [huurders] de vordering onder II (in combinatie met de vordering onder III) met betrekking tot teruggave van de aan hen toebehorende zaken hebben ingesteld, lijkt te volgen dat deze vordering losstaat van het al dan niet opnieuw ter beschikking stellen van het gehuurde. Voor zover dat het geval is, heeft [verhuurder] onweersproken aangevoerd dat [huurders] die zaken via tussenkomst van de gemeente kunnen terugkrijgen. Ook om die reden dient de vordering onder II te stranden.

Proceskosten

4.28.

[huurders] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

€

432,50

(factor 0,5 × 865,00)

Totaal

€

432,50

4.29.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

5.1.

verklaart het verzet deels gegrond,

5.2.

vernietigt het op 10 augustus 2026 onder zaaknummer 12307883 \ CV EXPL 26-3704 gewezen verstekvonnis voor zover betrekking hebbend op het volgende onderdeel in het dictum:

“veroordeelt [huurders] hoofdelijk om te betalen aan [verhuurder]:

a. a) € 5.909,19 aan achterstallige huur, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,”

en opnieuw rechtdoende:

“veroordeelt [huurders] hoofdelijk om te betalen aan [verhuurder]:

a. € 5.087,19 aan achterstallige huur, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,”,

5.3.

bekrachtigt voor het overige het op 10 augustus 2026 onder zaaknummer 12307883 \ CV EXPL 26-3704 gewezen verstekvonnis,

5.4.

veroordeelt [huurders] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in reconventie

5.5.

wijst de vorderingen af,

5.6.

veroordeelt [huurders] in de proceskosten van € 432,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in conventie en in reconventie

5.7.

veroordeelt [huurders] tot betaling van de kosten van betekening als [huurders] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

5.8.

veroordeelt [huurders] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zijn betaald,

5.9.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Noelmans en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »