RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/353312 / KG ZA 26-225
Vonnis in kort geding van 6 oktober 2026
in de zaak van
1 [eiser] ,
te [plaats 1] ,2. [eiseres],
te [plaats 2] ,
beiden in hun hoedanigheid van executeurs in de nalatenschap van mevrouw [erflaatster] ,
eisende partij,
hierna samen te noemen: de executeurs,
advocaat: mr. M.H. van den Berg,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats 3] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. P.W.M. Broekmans.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de mondelinge behandeling van 22 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van de executeurs- de pleitnota van [gedaagde] .
2 De feiten
Op [datum] 2024 is mevrouw [erflaatster] (hierna: moeder) overleden. Zij heeft vier kinderen: [eiser] , [eiseres] (de executeurs), [gedaagde] (gedaagde) en [persoon] .
Moeder heeft bij testament van 4 juni 2018 over haar nalatenschap beschikt en haar vier kinderen ieder voor een gelijk deel tot erfgenaam benoemd. Daarnaast heeft zij aan [gedaagde] , niet vrij van rechten en kosten, doch wel vrij van de verplichting tot inbreng van de waarde in haar nalatenschap, een deel van het aan haar toebehorende perceel [perceel 1] gelegateerd zoals schetsmatig is aangeduid op de in de uiterste wilsbeschikking gehechte situatietekening, die hieronder wordt weergegeven. Het is het deel van perceel [perceel 1] waarop de vader een moestuin had.
[afbeelding geanonimiseerd]
Na het opmaken van dit testament heeft moeder perceel [perceel 1] laten splitsen in de percelen [perceel 2] en [perceel 3] . Het aan [gedaagde] gelegateerde deel is perceel [perceel 3] zoals hieronder op de kadastrale kaart weergegeven. Op perceel [perceel 4] is de ouderlijke woning gelegen en een schuur met overkapping (bij pijl), die ook deels gelegen is op perceel [perceel 2] .
[afbeelding geanonimiseerd]
[gedaagde] , die op perceel [perceel 5] en [perceel 6] woont, heeft in de schuur en op perceel [perceel 2] materialen en oude tractoren staan.
De executeurs willen de woning van moeder met bijbehorende grond verkopen en hebben [gedaagde] gevraagd zijn spullen uit de schuur en van het perceel [perceel 2] te halen.
[gedaagde] wil daar niet toe overgaan.
3 Het geschil
De executeurs vorderen samengevat veroordeling van [gedaagde] om binnen 8 dagen na dit vonnis al zijn goederen, waaronder ook bouwhekken, van de percelen [perceel 4] en [perceel 2] te verwijderen, en daaraan een dwangsom te verbinden van € 5.000,-- per dag, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
[gedaagde] heeft verweer gevoerd. De executeurs dienen volgens hem in hun vorderingen niet ontvankelijk te worden verklaard, althans dienen de vorderingen te worden afgewezen, met veroordeling van de executeurs in de proceskosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4 De beoordeling
De executeurs hebben een voldoende spoedeisend belang gesteld bij de gevorderde voorziening. Moeder is ruim anderhalf jaar geleden overleden en sindsdien is de woning onbewoond en lopen de kosten door. De woning met ondergrond (perceel [perceel 4] ) en de daarnaast gelegen strook (perceel [perceel 2] ) vallen in de nalatenschap van de moeder en zij willen door middel van verkoop tot verdeling overgaan. Een goede presentatie van de woning is echter niet goed mogelijk omdat [gedaagde] nog materialen heeft staan in de schuur (op perceel [perceel 4] ) en op perceel [perceel 2] waardoor deze strook ook niet vrij toegankelijk is vanaf perceel [perceel 4] .
Het geschil tussen partijen gaat in de kern om de vraag of [gedaagde] gerechtvaardigde aanspraken heeft op de eigendom van perceel [perceel 2] en een deel van de schuur op perceel [perceel 4] en om die reden niet tot ontruiming van dat perceel hoeft over te gaan. [gedaagde] heeft namelijk als verweer aangevoerd dat hij door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van perceel [perceel 7] en een deel van de schuur op perceel [perceel 4] .
Omdat [gedaagde] zich op de rechtsgevolgen van de bevrijdende verjaring beroept, rust de stelplicht en bewijslast daarvan op hem. Dit betekent dat [gedaagde] voldoende feiten en omstandigheden dient te stellen en te onderbouwen waaruit volgt dat hij langer dan 20 jaar het bezit heeft gehad1 van perceel [perceel 7] en een deel van de schuur op perceel [perceel 4] .
De voorzieningenrechter is mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de executeurs van oordeel dat [gedaagde] daar in onvoldoende mate aan heeft voldaan zodat vooralsnog geen grond bestaat voor de conclusie dat [gedaagde] door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de betreffende stukken grond. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende overwegingen.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat artikel 3:107 BW bezit omschrijft als het houden van een goed voor zichzelf, dat wil zeggen het uitoefenen van de feitelijke macht over een goed met de pretentie rechthebbende te zijn. Art.3:108 BW bepaalt dat de vraag of iemand een goed voor zichzelf houdt, wordt beoordeeld naar verkeersopvatting, met inachtneming van de regels die in de op art. 3:108 BW volgende wetsartikelen worden gegeven, en overigens op grond van uiterlijke feiten. De (niet naar buiten blijkende) interne wil om als rechthebbende op te treden is voor het zijn van bezitter van geen betekenis; het komt aan op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvattingen een wilsuiting kan worden afgeleid.
Niet in geschil is dat [gedaagde] in de jaren negentig met toestemming van de vader van partijen (hierna: vader) spullen mocht stallen in en rond de schuur van vader op perceel [perceel 4] . Dat sprake was van een exclusief gebruik van de schuur en deel van het perceel is niet aannemelijk geworden. Vader had namelijk ook nog spullen in de schuur staan en de executeurs hebben onderbouwd gesteld dat broer [eiser] van vader ook gebruik mocht maken van de schuur voor het stallen van spullen2. Hieruit kan niet worden afgeleid dat [gedaagde] de feitelijke macht over de schuur en naastgelegen grond uitoefende, laat staan dat hij zich ten opzichte van anderen heeft gedragen als de rechthebbende.
[gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat hij eigenmachtig het tweede schuurgedeelte en de overkapping heeft gebouwd en ook verharding (onder andere betonnen stelcon platen) heeft aangebracht wat als bezitsdaad kunnen worden aangemerkt, maar dit hebben de executeurs gemotiveerd betwist. De schuur en overkapping zijn volgens executeurs door de vader en/of in samenwerking met [gedaagde] gebouwd. Verder hebben zij onder verwijzing naar de uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden van 16 februari 2010 (ECLI:NL:GHLEE:2010:BL4879) gesteld dat het enkele aanbrengen van bouwwerken of verharding op een gedeelte van het perceel nog geen bezitsdaad impliceert.
Verder hebben deze handelingen kennelijk met (al dan niet uitdrukkelijke) instemming van vader en/of moeder plaatsgevonden omdat de schuur en perceel [perceel 2] alleen via het perceel van vader en moeder bereikt kon worden en alleen nadat toestemming was verleend om gebruik te maken van de schuur en omliggende grond. In deze situatie valt niet in te zien dat het voor hen danwel derden duidelijk had moeten zijn dat [gedaagde] de schuur en omliggende grond in bezit had genomen met de pretentie eigenaar te zijn.
Het door [gedaagde] gestelde bezit verdraagt zich ook niet met zijn eigen voorstel (na het overlijden van moeder) om perceel [perceel 2] te kopen. Wanneer hij van mening was bezitter te zijn, had het in de rede gelegen dat hij zich van begin af aan op dat standpunt had gesteld en de eigendom had geclaimd.
Nu niet aannemelijk is dat [gedaagde] bezitter is van de schuur en perceel [perceel 2] bestond voor hem geen deugdelijke grond om de ontruiming te weigeren. De in dit kort geding gevorderde ontruiming door [gedaagde] komt dan ook voor toewijzing in aanmerking. Een belangenweging maakt dat niet anders.
De executeurs hebben gemotiveerd aangevoerd (onder andere met e-mails van de makelaar) dat het voor de verkoop en met name het plaatsen van foto’s op internet, noodzakelijk is dat alles wordt opgeruimd. Dit opruimen is niet of niet goed mogelijk zolang [gedaagde] zijn materialen, tractoren en bouwhekken daar heeft staan.
De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] niet in zijn standpunt dat de executeurs geen belang hebben bij ontruiming van perceel [perceel 2] omdat de woning op perceel [perceel 4] ook zonder die strook grond kan worden verkocht. De executeurs hebben gemotiveerd gesteld dat de woning minder goed verkoopbaar wordt en minder opbrengt wanneer deze zonder perceel [perceel 2] wordt aangeboden; het perceel biedt meer ruimte aan de zijkant van de woning en daardoor ook meer mogelijkheden. In ieder geval ontslaat het [gedaagde] niet van de plicht om de strook grond te ontruimen.
De vorderingen van de executeurs zullen daarom worden toegewezen zoals hierna aan te geven, waarbij de voorzieningenrechter aanleiding ziet om de gevorderde dwangsom te maximeren tot in totaal € 300.000,--.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Voor een vergoeding van de werkelijke proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. Daarvoor is buiten de in de wet voorgeschreven gevallen uitsluitend grond wanneer onrechtmatig wordt gehandeld en/of misbruik wordt gemaakt van procesrecht. Daarvan is hier geen sprake. Het is [gedaagde] ’s goed recht om verweer te voeren en de houdbaarheid van zijn standpunt door de rechter te laten toetsen
De proceskosten van de executeurs worden op basis van het forfaitaire tarief dan ook begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
153,02 |
|
|
- griffierecht |
€ |
341,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.177,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.860,02 |
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt [gedaagde] om binnen tweeëntwintig dagen na datum van dit vonnis al zijn bezittingen te verwijderen en verwijderd te houden uit de schuur op perceel [perceel 4] en van perceel [perceel 2] , waaronder spanten die zijn bevestigd aan de schuur op perceel [perceel 4] en de op deze percelen geplaatste bouwhekken,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan de executeurs van een dwangsom ter hoogte van € 5.000,-- per dag voor iedere dag dat hij nalaat aan de hoofdveroordeling onder 5.1 te voldoen totdat een maximum van € 300.000,-- aan verbeurde dwangsommen is bereikt,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.860,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. Timmermans-Vermeer en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026. |
||