ECLI:NL:RBGEL:2026:7980

Datum uitspraak
13-10-2026
Instantie
Rechtbank Gelderland
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Zaaknummer
0500001126
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eindvonnis. Verdachte was gedeeltelijk minderjarig en gedeeltelijk meerderjarig (18 jaar) ten tijde van de gepleegde feiten. De rechtbank komt terug op een eerdere beslissing en past het jeugdstrafrecht toe. Verdachte heeft lange tijd in voorarrest gezeten (230 dagen). De rechtbank legt een jeugddetentie op van 260 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk met de bijzondere voorwaarden van hulpverlening en contact met de jeugdreclassering en een contactverbod met het slachtoffer. De vordering tot tenuitvoerlegging wordt toegewezen (1 maand jeugddetentie)

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers: 05/000011-26 en 16/101079-26 en 16/222350-25 (tul)

Datum uitspraak : 13 oktober 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] (Syrië),

op dit moment gedetineerd in de JJI [instelling 1] in [verblijfplaats] .

Raadsman: mr. A.H.T. de Haas, advocaat in Putten.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op terechtzittingen met gesloten deuren.

1 De behandeling van de strafzaak door de rechtbank

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting achter gesloten deuren van 7 juli 2026, waarna het onderzoek is gesloten..

Bij tussenvonnis van 21 juli 2026 heeft de rechtbank:

  • bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder parketnummer 05/000011-26 onder feit 1 primair ten laste gelegde medeplegen van afpersing en de onder feit 2 primair ten laste gelegde diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

  • bewezenverklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder parketnummer 16/101079-26 primair ten laste gelegde diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen’;

  • vastgesteld dat de bewezenverklaarde feiten strafbaar zijn en verdachte daarvoor ook strafbaar is;

  • het volwassenenstrafrecht van toepassing verklaard om een indicatiestelling voor CTP [instelling 2] mogelijk te maken, gezien het belang van verdachte bij een plaatsing bij CTP [instelling 2] ;

  • het oordeel over de eventuele strafoplegging aangehouden onder de overweging dat de rechtbank zich onvoldoende voorgelicht achtte over de vragen welke hoogte van de straf, alsook welke eventuele behandeling binnen welk kader, gelet op de persoonlijkheid van verdachte, het meest passend is. Een en ander stond in verband met de onduidelijkheid over de mogelijkheid tot opname van verdachte in CTP [instelling 2] in [plaats] ;

  • het onderzoek ter terechtzitting heropend en de verdere behandeling van de zaak aangehouden met als doel zich nader te laten adviseren over de mogelijkheid tot opname van verdachte in CTP [instelling 2] in [plaats] om meer zicht te krijgen op de persoon van verdachte en een passende afdoening.

De rechtbank heeft zich in het tussenvonnis niet uitgelaten over de vordering tot tenuitvoerlegging onder het parketnummer 16/222350-25.

Op 29 september 2026 is het onderzoek ter terechtzitting hervat.

2 De motivering van straf en/of maatregel

Stand van zaken sinds het tussenvonnis van 21 juli 2026

In het belang van verdachte heeft de rechtbank op 21 juli 2026 beslist tot schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van het moment dat verdachte zou kunnen worden geplaatst bij CTP [instelling 2] . Verdachte is vervolgens, na wijziging van de voorwaarden, op 3 september 2026 geplaatst bij FPA [instelling 3] in [plaats] . Uit de rapportage van de reclassering van 7 september 2026 volgt dat dit niet goed is verlopen en dat verdachte zich op 5 september 2026 aan de behandeling heeft onttrokken door de kliniek te verlaten en niet terug te keren. Ter terechtzitting van 29 september 2026 zijn alle ontwikkelingen na het tussenvonnis van 21 juli 2026 besproken. De rechtbank is thans voldoende voorgelicht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de eerder, ter zitting van 7 juli 2026, geformuleerde eis gehandhaafd. Zij heeft nogmaals geëist dat verdachte - met toepassing van het jeugdstrafrecht - wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 300 dagen, met aftrek van de duur van het voorarrest. Verdachte heeft zich niet opengesteld voor behandeling bij FPA [instelling 3] , terwijl hij had ingestemd met behandeling als schorsingsvoorwaarde. Het klinische traject is daarmee afgesloten. Van de 300 dagen jeugddetentie moeten 50 dagen voorwaardelijk worden opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar, en met de volgende bijzondere voorwaarden:

- verdachte moet zich houden aan de voorwaarden van de jeugdreclassering;

- verdachte moet meewerken aan dagbesteding;

- verdachte moet zich houden aan het contactverbod met slachtoffers en medeverdachten;

- verdachte moet meewerken aan hulpverlening, indien en zolang de reclassering dat nodig vindt.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte voor alle feiten, ook voor de winkeldiefstal op 3 april 2026 gepleegd op 18-jarige leeftijd, wordt berecht met toepassing van het jeugdstrafrecht. Hij heeft verder bepleit dat het onvoorwaardelijke deel van de door de officier van justitie geëiste staf wordt gematigd. De raadsman heeft, uitgaande van een voorarrest van 201 dagen, voorgesteld dat verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 271 dagen, waarvan 56 dagen voorwaardelijk. Verdachte heeft dan nog 14 dagen om de uitspraak te laten bezinken en de impact van de straf in te zien. Verdachte is naar eigen zeggen bereid om zich te houden aan bijzondere voorwaarden.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank beschikt voor de afdoening van de zaak over de volgende stukken:

  • de briefrapportage van het Leger des Heils jeugdbescherming & reclassering van 13 januari 2026;

  • de briefrapportage van het Leger des Heils jeugdbescherming & reclassering van 21 januari 2026;

  • de briefrapportage van het Leger des Heils jeugdbescherming & reclassering van 25 februari 2026;

  • de e-mail van [persoon] van de Raad voor de Kinderbescherming van 21 mei 2026;

  • het briefverslag Forensisch Maatwerk van 2 juli 2026;

  • het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 2 juli 2026;

  • het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis van 21 juli 2026;

  • de voorzittersbeslissing tot wijzing van de schorsingsvoorwaarden van 20 augustus 2026;

  • het advies van Reclassering Nederland voortijdige negatieve beëindiging toezicht van 7 september 2026.

Daarnaast heeft de rechtbank tijdens de zitting van 29 september 2026 het standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) gehoord.

In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

Strafblad

Verdachte heeft zich eerder schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. In december 2025 heeft verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan diefstal en afpersing, waarbij ook geweld is gebruikt. Verdachte en de medeverdachten hebben het slachtoffer bedreigd met een machete en hem geslagen en getrapt, met als doel hem te dwingen tot afgifte van zijn telefoon en iCloud gegevens. Ook hebben verdachte en de medeverdachten sigaretten van aangever gestolen. Daarnaast heeft verdachte zich in april 2026 samen met een ander schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Verdachte heeft toen met een ijzeren staaf geslagen, maar heeft niemand geraakt. Het handelen van verdachte heeft angst en gevoelens van onveiligheid teweeggebracht bij de slachtoffers en roept ook angstgevoelens op in de samenleving.

Verdachte heeft bovenstaande feiten gepleegd tijdens een proeftijd. Nog geen twee maanden na een eerdere veroordeling is hij opnieuw in de fout gegaan.

Het is zorgelijk dat verdachte kennelijk makkelijk overgaat tot gewelddadig gedrag en lijkt te ontsporen, puur voor zijn eigen gewin.

Bij verdachte is sprake van complexe met elkaar samenhangende problematiek, in de vorm van trauma (PTSS), depressieve gevoelens, automutilatie, softdrugsgebruik (tijdelijk in remissie).

Het ontbreekt verdachte aan passende huisvesting, dagbesteding, een sociaal steunend netwerk, inkomen, begeleiding en enig perspectief om uit een voortdurende instabiele situatie te komen. Begeleiding, behandeling en stabilisering zijn noodzakelijk om verdere escalatie en recidive te voorkomen. Het gebrek aan stabiliteit maakt dat zorg en hulpverlening onvoldoende van de grond komt in een ambulant kader. Een meer dwingend kader lijkt noodzakelijk.

Ter terechtzitting heeft de onderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming twee mogelijkheden geschetst voor de strafafdoening. De eerste mogelijkheid is om verdachte nogmaals behandeling op te leggen als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel. Het is zeer de vraag of verdachte de behandeling ditmaal wel zal aangaan. De tweede mogelijkheid is om een straf op te leggen zonder de voorwaarde van behandeling. De kans op recidive is bij beide opties hoog. Het is de vraag of toezicht door de jeugdreclassering van meerwaarde is. Het zou voor verdachte nuttig kunnen zijn om met vragen bij de jeugdreclassering terecht te kunnen.

Toepassing van het jeugdstrafrecht

In het tussenvonnis van 21 juli 2026 heeft de rechtbank uit praktische overweging, om mogelijk te maken dat verdachte geplaatst zou kunnen worden bij CTP [instelling 2] , beslist dat het sanctierecht voor volwassenen in deze zaak van toepassing is. In dit vonnis komt de rechtbank terug op deze beslissing en overweegt daartoe als volgt. Nu de plaatsing bij CTP [instelling 2] niet van de grond is gekomen is het niet langer nodig om verdachte volgens het volwassenstrafrecht te berechten.

Verdachte was ten tijde van de feiten onder parketnummer 05/000011-26 minderjarig. Het toepassen van het jeugdstrafrecht is dan het uitgangspunt. Ten tijde van het feit onder parketnummer 16/101079-26 was verdachte 18 jaar. De rechtbank kan – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt – het jeugdstrafrecht toepassen. Gelet op de jonge leeftijd en de persoonlijkheid van verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is begaan ziet de rechtbank aanleiding om ook in die zaak het jeugdstrafrecht toe te passen.

De op te leggen straf

De rechtbank vindt het niet passend en noodzakelijk om verdachte terug te sturen naar de gevangenis. Verdachte heeft al geruime tijd in voorarrest doorgebracht.

Verdachte is verschillende malen geschorst geweest uit de voorlopige hechtenis, maar de schorsing is telkens weer opgeheven omdat verdachte zich niet aan de voorwaarden hield.

Zonder enige hulpverlening zal het voor verdachte moeilijk worden om zijn leven vorm te geven. Het is ook in het belang van de maatschappij om enige vorm van hulp en steun aan verdachte op te leggen omdat daarmee de kans op recidive wordt verkleind. De rechtbank hoopt, ondanks dat verdachte zich meermalen eerder niet aan de voorwaarden wist te houden, dat hij het deze keer met de nodige voorwaarden tot een goed einde kan brengen. Met deze uitspraak wil de rechtbank verdachte toch nog een (laatste) kans op hulpverlening geven.

Alles overziend zal de rechtbank een jeugddetentie opleggen van 260 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de duur van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijk deel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden van hulpverlening en contact met de jeugdreclassering verbinden. Ook ziet de rechtbank aanleiding voor het opleggen van een contactverbod met het slachtoffer.

3 De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 16/222350-25)

De kinderrechter heeft verdachte op 31 oktober 2025 veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie van een (1) maand.

De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf.

De raadsman heeft bepleit om de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde straf met een jaar te verlengen.

Toewijzing

Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd.

4 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 47, 77a, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

5 De beslissing

De rechtbank:

 veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 260 dagen;

  • bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, te weten 30 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de hierna te melden voorwaarden:

  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • stelt als bijzondere voorwaarden dat:

  • verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met het slachtoffer in de zaak met parketnummer 05/00011-26, [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 2007, zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt;

  • verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering;

  • verdachte meewerkt aan hulpverlening, indien en zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt;

 stelt als overige voorwaarden dat:

  • verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;

 geeft opdracht aan Leger des Heils jeugdbescherming en reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging

 beveelt de tenuitvoerlegging van de op 31 oktober 2025 door de kinderrechter voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een jeugddetentie van een maand (parketnummer 16/222350-25);

ten aanzien van de voorlopige hechtenis

 heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde straf.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.L. Tomassen (voorzitter en kinderrechter), mr. M.W. Stoet en mr. A. Bril, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Damen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »