ECLI:NL:RBGEL:2026:7887

Datum uitspraak
01-10-2026
Instantie
Rechtbank Gelderland
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
05/179107-26; 05/322658-26 (gev. ttz)
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 41-jarige man uit Harderwijk voor bedreiging, het aanwezig hebben van een mes en huisvredebreuk. De rechtbank legt een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op voor de duur van 2 jaar.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummers: 05/179107-26; 05/322658-26 (gev. ttz)

Datum uitspraak : 1 oktober 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] ,

op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] .

Raadsman: mr. K. Karakaya, advocaat in Apeldoorn.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 1 oktober 2026.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van parketnummer 05/17910-26

1.hij op of omstreeks 22 juni 2026 te Harderwijk [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door- een mes uit zijn broeksband te pakken en/of dat mes (op korte afstand) te houden naar en/of in de richting van die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3]- met een mes stekende bewegingen te maken naar en/of in de richting van die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3]

2.hij op of omstreeks 22 juni 2026 te Harderwijk een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een een mes zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen.

Ten aanzien van parketnummer 05/322658-26

hij op of omstreeks 27 november 2025 te Harderwijk in het besloten lokaal bij [stichting] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 25 november 2025 schriftelijk de toegang tot dat pand/die locatie ontzegd voor de duur van 1 week.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van parketnummer 05/17910-26 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat verdachte partieel vrijgesproken moet worden van het bedreigen van [aangever 3] omdat verdachte geen dreigende handelingen heeft gemaakt in zijn richting. Daarnaast stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van het maken van stekende bewegingen met een mes. Er is één getuige die hierover heeft verklaard maar dit wordt niet ondersteund door de camerabeelden.

De beoordeling van de rechtbank

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen feit 1:

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , p. 8 en 9;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 26 en 27;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 oktober 2026.

Partiële vrijspraak

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het bedreigen van [aangever 3] . [aangever 3] zat in zijn bedrijfsbus ten tijde van het incident. Uit de beschrijving van de camerabeelden volgt dat [aangever 3] geen deel uitmaakt van de discussie die verdachte heeft met de andere personen. Ook wordt er niet met het mes in zijn richting gedreigd door verdachte.

De rechtbank zal verdachte daarnaast vrijspreken van het maken van stekende bewegingen met het mes. Getuige [aangever 2] heeft verklaard dat verdachte met het mes dreigend naar hem en zijn collega's toeliep en steekbewegingen maakte. Uit de beschrijving van de camerabeelden volgt echter dat er geen stekende bewegingen zijn waargenomen. Dit deel van de getuigenverklaring wordt voorts niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel in het dossier.

Bewijsmiddelen feit 2:

- het proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 15 en 16;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 20 en 21;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 oktober 2026.

Ten aanzien van parketnummer 05/322658-26 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De beoordeling van de rechtbank

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen

  • Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] , p. 6;

  • Het proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 12 en 13;

  • Het proces-verbaal van bevindingen, p. 19;

  • De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 oktober 2026.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

Ten aanzien van parketnummer 05/179107-26

1.hij op of omstreeks 22 juni 2026 te Harderwijk [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door- een mes uit zijn broekband te pakken en/of dat mes (op korte afstand) te houden naar en/of in de richting van die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3]- met een mes stekende bewegingen te maken naar en/of in de richting van die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3]

2.hij op of omstreeks 22 juni 2026 te Harderwijk een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een mes zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen.

Ten aanzien van parketnummer 05/322658-26

hij op of omstreeks 27 november 2025 te Harderwijk in het besloten lokaal bij [stichting] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 25 november 2025 schriftelijk de toegang tot dat pand/die locatie ontzegd voor de duur van 1 week.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 05/179107-26

feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

Ten aanzien van parketnummer 05/322658-26

in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van de maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van 2 jaar zonder aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht af te trekken van de duur van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Verdachte heeft tijdens een discussie met willekeurige omstanders een mes getrokken uit zijn broekband en hiermee gedreigd. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij die dag erg in de war was en dat hij al een aantal weken geen medicijnen voor zijn schizofrenie had gehad. Verdachte heeft met zijn handelen een zeer onveilige situatie gecreëerd. Het meenemen van een mes naar buiten in een verwarde toestand brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee. Verder is verdachte het pand van Stichting de Ontmoeting in Harderwijk binnengedrongen, terwijl hij een locatieverbod had voor dat pand. Dit is een vervelend feit dat voor de gedupeerden overlast en ergernis met zich meebrengt.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie van verdachte van 1 september 2026 waaruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport van 28 juli 2026 waaruit volgt dat verdachte bekend staat als een zeer actieve veelpleger. Sinds 2022 is er een toename van meldingen van overlast en delictgedrag door verdachte bekend bij de politie. Verdachte is gediagnosticeerd met schizofrenie en een stoornis in de emotieregulatie. Als gevolg van vele meldingen van overlast raakte verdachte in 2024 zijn woning kwijt, waarna er problemen op vrijwel alle leefgebieden zijn ontstaan. Het ontbreekt verdachte nog altijd aan huisvesting, hij heeft geen zinvolle dagbesteding en er is sprake van druggebruik. Passend bij schizofrenie is er sprake van een gebrekkig ziektebesef en probleeminzicht. Gezien zijn forse toename aan justitie- en politiecontacten voor met name overlastgevend gedrag, wordt verdachte besproken in het Zorg- en Veiligheidshuis van Harderwijk. Het plan van aanpak vanuit daar is om in te zetten op een stringenter kader. In het plan van aanpak wordt beschreven dat ambulante trajecten niet hebben geleid tot stabiliteit in de situatie van verdachte. Er zou sprake zijn van een WLZ-indicatie, maar in het kader daarvan zou verdachte niet gemotiveerd zijn voor hulp en meermaals grensoverschrijdend gedrag hebben getoond. De GGZ zou betrokken zijn in het kader van medicatie, maar ook daar zou hij inmiddels uit beeld raken. De reclassering adviseert om een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen omdat zij geen mogelijkheden zien om met voorwaarden en/of toezicht de risico’s te beperken. Het voordeel van een traject binnen de onvoorwaardelijke ISD-maatregel is, dat verdachte bij terugval in gebruik, onttrekking aan voorwaarden en/of recidive direct teruggeplaatst kan worden in detentie voor een time-out, zodat verdere afglijding en schade aan de maatschappij voorkomen kan worden. Dit creëert tevens de mogelijkheid tot aanscherping c.q. aanpassing van het re-integratieplan. Dit strikte kader lijkt de reclassering noodzakelijk, mede gezien de hoge kans op onttrekking aan voorwaarden. Verdachte geeft ter terechtzitting aan dat hij gemotiveerd is om mee te werken aan een ISD-maatregel. Hij denkt dat een ISD-maatregel hem zal helpen om toe te werken naar de benodigde stabiliteit. Verdachte geeft aan dat hij denkt snel te recidiveren als er niets aan zijn situatie zou veranderen.

Een ISD-maatregel kan worden opgelegd als aan de voorwaarden van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht is voldaan. In dit kader is het volgende van belang.

De rechtbank stelt vast dat het door verdachte begane feit een misdrijf is waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. Daarnaast blijkt uit het strafblad van verdachte dat hij in de afgelopen vijf jaar wegens een soortgelijk misdrijf meer dan drie keer onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld en dat hij het bewezenverklaarde feit heeft begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Gelet op de inhoud van het hiervoor genoemde reclasseringsrapport moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte weer een misdrijf zal begaan. Met het oog op de veiligheid van de maatschappij en ter voorkoming van recidive eist de veiligheid van personen of goederen de oplegging van een ISD-maatregel.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat aan alle wettelijke eisen voor oplegging van de ISD-maatregel wordt voldaan. Er wordt ook voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige zeer actieve veelplegers.

Gelet op de complexiteit van de onderliggende problematiek, het belang van beveiliging van de maatschappij en van beëindiging van de recidive van de verdachte, acht de rechtbank de

ISD-maatregel voor de (maximale) duur van twee jaren passend en geboden. Om de behandelmogelijkheden in het kader van de maatregel niet te doorkruisen en ten behoeve van de maximale beveiliging van de maatschappij, zal de rechtbank bij het bepalen van de duur geen rekening houden met de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht dus niet in mindering brengen op de duur van de ISD-maatregel.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de maatregel is gegrond op de artikelen:

- 38 m, 38n, 57, 138 en 285 van het Wetboek van Strafrecht;

- 27 en 54 van de Wet wapens en munitie.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 legt op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. van Breevoort – de Bruin (voorzitter), mr. J.S.W. Lucassen en mr. C.J.M. van Oijen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »