RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1873
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2026
in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Düsünceli),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, het college.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor tandartskosten die zijn begroot op € 2.147,96. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor tandartskosten terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor tandartskosten die zijn begroot op € 2.147,96. Het gaat om kosten voor een behandeling die bestaat uit 14 vullingen en daarmee verband houdende kosten. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 23 september 2024 afgewezen, omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) een voorliggende voorziening is.1 Met het bestreden besluit van 11 maart 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.2
Beoordeling door de rechtbank
Herhaling en inlassing van de gronden van bezwaar
3. De rechtbank stelt vast dat de gronden van beroep voor een groot deel een (letterlijke) herhaling zijn van de gronden van bezwaar. Eiser verwijst ook naar de gronden van bezwaar, die als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.
De rechtbank overweegt hierover dat het aan eiser is om in beroep gemotiveerd en specifiek aan te voeren waarom hij het niet eens is met het bestreden besluit. De verwijzing naar wat in bezwaar is aangevoerd wordt niet als zo’n gemotiveerde en specifieke betwisting opgevat. Daarop is immers gereageerd in het bestreden besluit. Eiser zal dus moeten aanvoeren waarom hij het met die reactie niet eens is. Gelet hierop zal de rechtbank de beoordeling van het beroep plaatsen in het licht van de in beroep nader uitgewerkte gronden en niet in het licht van wat in bezwaar is aangevoerd.
Is sprake van een voorliggende voorziening?
4. Eiser voert aan dat geen sprake is van een voorliggende voorziening, omdat de zorgverzekeraar zijn kosten niet vergoedt.
Geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich ook niet uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. Dit staat in artikel 15, eerste lid, van de Pw.
Eiser heeft via de gemeente een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering bij CZ. Volgens die verzekering worden bepaalde kosten van mondzorg tot maximaal € 570 per jaar vergoed. Niet in geschil is dat deze verzekering de kosten van eisers behandeling niet (volledig) vergoed. Dat betekent echter niet dat geen sprake is van een voorliggende voorziening. Het college heeft er terecht op gewezen dat het vaste rechtspraak is van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dat de Zvw in beginsel een toereikende en passende voorliggende voorziening is voor de kosten van een tandheelkundige behandeling. Dit geldt ook als de gemaakte kosten niet of niet volledig door de voorliggende voorziening worden vergoed.3 De noodzakelijke zorg is volgens de wetgever opgenomen in het verzekerd pakket. Wie meer of andere zorg wenst – welke zorg in de gedachtegang van de wetgever zorg betreft die voor rekening en verantwoordelijkheid van de verzekerde zelf kan komen – moet een aanvullende verzekering afsluiten of de kosten daarvan zelf dragen.4 De bijstandswetgeving moet zich aansluiten bij de bewuste keuze die binnen de Zvw is gemaakt dat vergoeding van bepaalde kosten wel noodzakelijk is en vergoeding van andere kosten niet. Dat hangt samen met het uitgangspunt dat het stelsel van de voorliggende voorzieningen niet moet worden doorkruist door bijstandsverlening.5 Deze beroepsgrond slaagt niet.
Kosten medisch noodzakelijk
5. Eiser voert aan dat de kosten noodzakelijk zijn voor zijn gezondheid en op advies van de tandarts de behandeling tijdig moet worden uitgevoerd. Eiser kan dit echter niet betalen. Hij heeft ook al een schuld aan de Gemeentelijke Kredietbank (GKB) van € 2.200 waarvoor betalingsregeling is getroffen. Het college had hier in het kader van de zorgvuldigheid rekening mee moeten houden.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen op grond van artikel 15, eerste lid, van de Pw. Dan wordt niet toegekomen aan de vraag of de kosten noodzakelijk zijn en of eiser niet beschikt over de middelen om daarin te voorzien als bedoeld in artikel 35 van de Pw. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
6. Eiser voert aan dat het college heeft gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Door de bijzondere bijstand af te wijzen, komt de gezondheid van eiser in gevaar, omdat hierdoor de situatie aan zijn gebit zal verslechteren en ook zijn psychische gesteldheid verder zal verstoren. Eiser heeft een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Hij heeft een intensieve zorgbehoefte. De afwijzing van zijn aanvraag raakt hem in zijn psychische gesteldheid waardoor hij uit balans raakt en dit gevolgen heeft voor meerdere klachten. Het college stelt dat eiser geen behandeling krijgt, maar eiser is na jarenlange behandelingen vanwege zijn psychische toestand uitbehandeld, daarom is hem de Wlz-indicatie toegekend. Het college weet hiervan.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Artikel 15, eerste lid, van de Pw heeft een verplichtend karakter. Daarom is er in beginsel geen ruimte voor toetsing van het daarop gebaseerde besluit aan het evenredigheidsbeginsel. Uit het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet volgt dat de rechter een bepaling van een wet in formele zin, zoals de Pw, niet mag toetsen aan de Grondwet en ook niet aan algemene rechtsbeginselen. Dit brengt mee dat de rechter niet mag oordelen over de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht bij de totstandkoming van die wettelijke bepaling. Als zich bijzondere omstandigheden voordoen waarmee de wetgever in zijn afweging geen rekening heeft gehouden, kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval als die bijzondere omstandigheden de toepassing van die bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die de wetgever bij de totstandkoming van de wet niet onder ogen heeft gezien. Wat hij over zijn gezondheid en psychische gesteldheid naar voren heeft gebracht, komt hierna aan de orde bij de beoordeling van de vraag of sprake is van zeer dringende redenen op grond waarvan het college toch bijzondere bijstand had moeten verlenen.
Had het college toch bijstand moeten verlenen vanwege zeer dringende redenen?
7. Eiser voert aan dat het college ten onrechte niet heeft getoetst aan artikel 16 van de Pw. Er is in het geval van eiser sprake van zeer dringende redenen die noodzaken tot het verlenen van bijstand, namelijk de enorme nadelige financiële gevolgen en de verslechtering van de gezondheidssituatie van eiser. De gebitsproblematiek en de psychische belasting die als gevolg van de gebitsproblematiek enorm verslechteren, vormen een enorme belemmering voor de gezondheidstoestand van eiser. Hierdoor zullen zijn klachten verergeren zodat een schrijnende situatie ontstaat waardoor weigering van bijstand onaanvaardbaar is. Het college heeft hier geen rekening mee gehouden.
Het college kan aan een persoon die op grond van artikel 15, eerste lid, van de Pw geen recht op bijstand heeft, toch bijstand verlenen als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken. Deze uitzonderingsmogelijkheid staat in artikel 16, eerste lid, van de Pw. Zeer dringende redenen als bedoeld in deze bepaling doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Dit is vaste rechtspraak. Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie doet zich voor als het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Eiser moet aannemelijk maken dat aan de voorwaarden voor deze uitzondering wordt voldaan.6
Wat eiser aanvoert, is grotendeels een herhaling van zijn bezwaar. Uit het bestreden besluit volgt dat, anders dan eiser stelt, het college wel degelijk getoetst heeft of sprake is van zeer dringende redenen om eiser toch bijzondere bijstand te verlenen. Het college heeft goed gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat die redenen zich voordoen. Eiser heeft zijn stelling dat sprake is van enorme nadelige financiële gevolgen, leidend tot een acute noodsituatie, niet onderbouwd. Het college heeft er in het bestreden besluit bovendien op gewezen dat niet is gebleken dat de behandeling niet kan worden uitgesmeerd over een langere periode zodat maximaal gebruik gemaakt kan worden van de vergoeding via de zorgverzekeraar en dat eiser ook een betalingsregeling zou kunnen treffen. Uit de tandartsverklaring die eiser in bezwaar heeft ingebracht volgt verder niet dat de behandeling acuut moet plaatsvinden noch heeft eiser daarmee onderbouwd dat zijn gezondheid in gevaar is en zijn psychische gesteldheid door zijn gebitsproblematiek zal verslechteren. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor tandartskosten terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.