RECHTBANK Gelderland
Wrakingskamer
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/470862 / KG RK 26-650
Beslissing van 14 september 2026
van de wrakingskamer van de rechtbank op verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot wraking van
mr. W. LOOF,
rechter in deze rechtbank,hierna te noemen: de rechter.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 30 juli 2026,
- de schriftelijke reactie van de rechter, ingekomen op 13 augustus 2026, - de mondelinge behandeling van 31 augustus 2026,- de pleitnota van verzoeker.
Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek zijn verzoeker, vergezeld van zijn echtgenote, en de rechter verschenen.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2 Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van de behandelend rechter in de zaak over het verzoek om herziening van de uitspraak van deze rechtbank van 14 januari 2016 met zaaknummer ARN: 25/1069 IB/PVV (hierna: de hoofdzaak). Verzoeker legt aan zijn wrakingsverzoek, zoals nader toegelicht tijdens de mondelinge behandeling, ten grondslag dat de rechter betrokken is geweest bij twee eerder door hem ingediende wrakingszaken. Verzoeker voert aan dat een deel van de onderhavige informatie in de wraking was opgenomen en dat hij zich niet kan verenigen met de eerste uitspraak van de wrakingskamer. Volgens verzoeker is het voor een onpartijdige rechtsgang noodzakelijk dat een andere rechter dan mr. Loof voor de behandeling van zijn zaak wordt aangewezen. Verzoeker maakt dan ook bezwaar tegen de behandeling van deze zaak door mr. Loof en hij verzoekt een andere rechter voor deze zaak aan te wijzen die niet bij zijn zaken betrokken is geweest.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft schriftelijk en ter zitting op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
3 De beoordeling
Het verzoek tot doorverwijzing van het wrakingsverzoek en het herzieningsverzoek
Verzoeker heeft ter zitting verzocht om het wrakingsverzoek en zo mogelijk ook het herzieningsverzoek direct door te verwijzen naar een andere rechtbank. Het verzoek om doorverwijzing van het wrakingsverzoek naar een andere rechtbank wordt afgewezen, omdat voor dat verzoek de wettelijke grondslag ontbreekt. Het wrakingsverzoek zal hierna dan ook inhoudelijk worden beoordeeld.
Het verzoek om doorverwijzing van het herzieningsverzoek wordt eveneens afgewezen. Dit verzoek treft de hoofdzaak. De wrakingskamer is daarom niet bevoegd om een beslissing te nemen op dit verzoek en evenmin om dit verzoek door te geleiden. Voor zover verzoeker heeft verzocht om het doorverwijzingsverzoek door te geleiden naar de instantie die hierover wel een beslissing kan nemen, geldt ook daarvoor dat de wrakingskamer daartoe niet kan beslissen.
Het verzoek tot wraking van de rechter
Ingevolge artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een rechter gewraakt worden als zich feiten of omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
Verder is het uitgangspunt dat de onpartijdigheid van een rechter niet reeds te lijden heeft enkel door de omstandigheid dat die rechter al eerder in een of meer andere gedingen heeft geoordeeld over de rechtsvraag die in geschil is.1 Er bestaat geen aanleiding om daar anders over te oordelen in een geval als de onderhavige, waarin de rechter betrokken is geweest bij eerdere wrakingsverzoeken van verzoeker. Dat verzoeker het niet eens is met de beslissing in één van de wrakingszaken kan zo zijn, maar dat doet aan het voorgaande niet af. Datzelfde geldt voor de door verzoeker aangevoerde grond dat in één van de wrakingszaken informatie van de hoofdzaak was opgenomen. In de feiten en omstandigheden die door verzoeker in zijn verzoek en ter zitting naar voren zijn gebracht heeft de wrakingskamer geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat sprake is van een zwaarwegende aanwijzing dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert of dat bij verzoeker daartoe een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat.
Voor zover verzoeker tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting nog andere gronden heeft aangevoerd, wordt daaraan voorbij gegaan. Hiertoe wordt overwogen dat alle feiten en omstandigheden waardoor naar het oordeel van verzoeker de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden op grond van artikel 8:16 lid 3 Awb gelijk moeten worden voorgedragen. Een wrakingsverzoek kan in beginsel niet later, bijvoorbeeld tijdens de wrakingszitting, nog worden aangevuld met nieuwe wrakingsgronden. Dit betekent dat de door verzoeker in zijn schriftelijke verzoek onbenoemd gelaten wrakingsgronden niet inhoudelijk worden beoordeeld. Verder is niet gesteld dat sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het wrakingsverzoek wordt afgewezen. Er wordt dan ook niet toegekomen aan de beoordeling van de aan het wrakingsverzoek gekoppelde verzoeken strekkende tot schorsing van de behandeling van het herzieningsverzoek en verwijzing van het verzoek naar een andere rechtbank of de daaraan voorafgaande vraag of de wrakingskamer daartoe bevoegd is.
4 De beslissing
De wrakingskamer:
wijst het verzoek om doorververwijzing van het wrakingsverzoek en het herzieningsverzoek af;
wijst het wrakingsverzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. Verhoeven, mr. S.H. Keijzer en mr. L.M. Vogel, leden, in tegenwoordigheid van de griffier [griffier] en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2026.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.