RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/4905
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 oktober 2026
in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. C. Karlas),
en
de burgemeester van de gemeente Ermelo
(gemachtigden: mr. L.M. Jonker en mr. M. Schut).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om de woning van verzoeker aan de [adres] in Ermelo voor de duur van drie maanden te sluiten. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij heeft bezwaar gemaakt en verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe voert hij een aantal gronden aan. 1.1. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester bevoegd is om tot sluiting van de woning aan de [adres] in Ermelo over te gaan en dat sluiting van de woning in het concrete geval geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat het bestreden besluit in bezwaar geen stand zal houden. De voorzieningenrechter acht het redelijk om verzoeker een termijn van één week na deze uitspraak te geven om aan de sluiting te voldoen. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek daarom toe en bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de burgemeester de woning van verzoeker met ingang van 13 oktober 2026 voor de duur van drie maanden mag sluiten.
Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 21 september 2026 heeft de burgemeester besloten dat de woning aan de [adres] in Ermelo voor drie maanden wordt gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Verzoeker woont in de woning aan de [adres] in Ermelo. Naar aanleiding van een melding van drugshandel vanuit de woning door verzoeker heeft de politie onderzoek verricht. 3.1. Het onderzoek door de politie heeft de volgende bevindingen opgeleverd. Op donderdag 2 juli 2026 werd omstreeks 19.00 uur gezien dat er in korte tijd twee bezoeken werden gebracht aan de woning van verzoeker. Deze bezoeken duurde ongeveer een minuut. Deze korte bezoeken zijn kenmerkend voor drugshandel vanuit een woning.Op dinsdag 7 juli 2026 werd om 20.05 uur gezien dat er een zwarte auto naast de [adres] te Ermelo parkeerde. De politie zag dat de bestuurder de woning inging en na 2 minuten weer verliet. De politie zag dat de bestuurder in de auto plaatsnam en richting Harderwijk reed. De bestuurder staat bij de politie bekend met het bezit van harddrugs. Vervolgens hield de politie de bestuurder van de zwarte Renault Clio staande in Harderwijk. De politie hoorde dat de bestuurder zei dat hij zojuist GHB had gekocht. De politie zag dat hij twee flesjes Carvan Cevitan met daarin een doorzichtige vloeibare substantie toonde. De politie hoorde dat hij zei dat hij sinds 3 maanden, 2 tot 3 keer per week GHB kocht van verzoeker aan de [adres] te Ermelo. De politie zag dat de bestuurder een Whatsapp geschiedenis liet zien tussen hem en verzoeker. De politie herkende verzoeker op de profielfoto, welke de bestuurder liet zien. De politie zag in het whatsappgesprek een bestelling van GHB vanuit de bestuurder, bij verzoeker. Vervolgens betrad de politie diezelfde dag om 23.30 uur de woning van verzoeker aan de [adres] te Ermelo. Verzoeker werd aangehouden op verdenking van handel en bezit van harddrugs. Verzoeker verklaarde dat er speed in de vriezer lag en GHB in de schuur.In de vriezer (in de woning) werden één bak, twee boterhamzakjes en twee gripzakjes aangetroffen met daarin een witte substantie (vermoedelijk speed/amfetamine) met een totaal brutogewicht van 418,25 gram. In de schuur werden twee flessen met doorzichtige vloeistof en een rode bak met zeven flessen/flesjes (waaronder Carvan Cevitan-flesjes), alsmede een soortgelijk flesje op de slaapkamer, bevattende vermoedelijk GHB met een totaal brutogewicht van 1198,46 gram.3.3. De politie heeft de burgemeester hier op 22 juli 2026 met een bestuurlijke rapportage van op de hoogte gesteld.3.4. De burgemeester heeft hierin aanleiding gezien verzoeker een last onder bestuursdwang op te leggen en de woning van verzoeker aan de [adres] in Ermelo voor de duur van drie maanden te sluiten.
De bevoegdheid van de burgemeester
4. De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang (het bevel tot sluiting van de woning) als in een woning een middel als bedoeld in lijst I of lijst II, behorend bij de Opiumwet (hierna kortweg: drugs, harddrugs of softdrugs), wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Doorgaans houdt de last in dat de woning voor een bepaalde periode wordt gesloten.
De burgemeester kan artikel 13b van de Opiumwet toepassen als er in of vanuit een woning in drugs wordt gehandeld (verkopen, afleveren, verstrekken) of als drugs met het oog op die handel in de woning aanwezig zijn. Als uitgangspunt kan worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 g harddrugs, 5,0 g softdrugs of vijf (hennep)planten (het door het openbaar ministerie gehanteerde criterium voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking.
Niet in geschil is dat de burgemeester bevoegd is om tot sluiting van de woning over te gaan. In zijn beleid heeft de burgemeester omschreven hoe en wanneer hij van die bevoegdheid gebruik maakt.1
Mocht de burgemeester gebruik maken van zijn bevoegdheid tot sluiting?
5. Als de burgemeester gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om een woning op grond van de Opiumwet te sluiten, geldt daarvoor het beoordelings- en toetsingskader van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zoals neergelegd in de uitspraak van 16 juli 2025.2 De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek aan de hand van de in deze uitspraak neergelegde uitgangspunten. Beoordeeld wordt of de burgemeester conform zijn beleid heeft gehandeld en of sluiting van de woning in het concrete geval geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
Is de sluiting in overeenstemming met het beleid?
6. Verzoeker betoogt dat de woning een sociale huurwoning is, die hij van Stichting Uwoon huurt. De beleidsregels van de burgemeester schrijven voor dat sociale huurwoningen niet worden gesloten. Er had dan ook een waarschuwing of last onder dwangsom opgelegd kunnen worden.
In paragraaf 4.3 van de beleidsregels is bepaald dat woningen, die worden verhuurd door toegelaten instellingen en die tot de sociale huurwoningvoorraad behoren wegens overtreding van de Opiumwet in beginsel niet met een last onder bestuursdwang worden gesloten, mits de betreffende toegelaten instelling actief probeert overtredingen te voorkomen en een geconstateerde overtreding actief beëindigt door zo spoedig mogelijk na constatering de huur op te zeggen. Wel wordt een last onder dwangsom opgelegd.
De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het beleid een aantal voorwaarden volgt waaraan voldaan moet zijn om tot een last onder dwangsom te kunnen komen. Pas als de verhuurder actief probeert overtredingen te voorkomen én een geconstateerde overtreding beëindigt door zo spoedig mogelijk na constatering de huur op te zeggen wordt de woning in beginsel niet gesloten.In de onderhavige zaak heeft de verhuurder de huur niet opgezegd. Wel heeft hij aan verzoeker een gedragsaanwijzing opgelegd. Als verzoeker zich daar niet aan houdt, wordt de huurovereenkomst alsnog ontbonden. Nu de huurovereenkomst niet is opgezegd, is daarmee reeds niet voldaan aan de in de beleidsregels opgenomen voorwaarden. De burgemeester handelt met het besluit tot sluiting van de woning dan ook niet in strijd met de beleidsregels. Het betoog van verzoeker slaagt daarom niet.
Is sluiting van de woning een geschikt middel?
7. Bij de geschiktheid wordt beoordeeld of het besluit geschikt is om het doel te bereiken. Tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat, kan ertoe leiden dat sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Door tijdsverloop kan zich immers de situatie voordoen dat de onrechtmatige situatie al is hersteld en beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde zijn of niet meer in die mate dat de woning moet worden gesloten. Aan wie het tijdsverloop te wijten is, is niet relevant. Zowel in het primaire besluit, de beslissing op bezwaar als een eventueel nader genomen besluit zal de burgemeester moeten beoordelen of sluiting op het tijdstip dat hem ingevolge deze besluitvorming voor ogen staat, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt. 7.1. Verzoeker stelt dat sluiting van de woning vanwege het tijdsverloop niet geschikt is en dat hij dat in de zienswijze al heeft aangevoerd. Sinds de observaties en aanhouding is geruime tijd verstreken. Nadien is geen sprake meer geweest van een verstoring van de openbare orde. Van signalen van herhaling is geen sprake. Er is geen loop meer naar de woning. De burgemeester is hier in het bestreden besluit volgens verzoeker ten onrechte niet op ingegaan.7.2. Tussen de constatering van de overtreding en het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting over wil gaan, zit bijna drie maanden. De burgemeester heeft niet gemotiveerd waarom sluiting van de woning bijna drie maanden na het constateren van de overtreding geschikt is om het doel van de sluiting te bereiken. Het bestreden besluit kent in zoverre dan ook een motiveringsgebrek. De burgemeester heeft op de zitting toegelicht dat er een ruime hoeveelheid harddrugs is aangetroffen, dat vanuit de woning is gehandeld als gevolg waarvan omwonenden melding hebben gemaakt van overlast, welke overlast bovendien al geruime tijd wordt ervaren. De verstreken tijd maakt volgens de burgemeester niet dat sluiting niet langer geschikt is om het doel te bereiken. Bovendien heeft de burgemeester er op zitting op gewezen dat met de sluiting een signaal wordt afgegeven dat wordt opgetreden tegen drugscriminaliteit. 7.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester met deze op de zitting gegeven nadere onderbouwing afdoende heeft gemotiveerd waarom sluiting een geschikt middel is. Het tijdsverloop van bijna drie maanden na het aantreffen van de drugs is niet zodanig dat sluiting van de woning niet langer een geschikt middel is. Het enkele feit dat nadien geen verstoring meer heeft plaatsgevonden van de openbare orde maakt, wat daar ook van zij, niet dat sluiting op dit moment niet langer een geschikt middel is. Met de gegeven nadere motivering kan de burgemeester in de beslissing op bezwaar het motiveringsgebrek herstellen. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is in zoverre dan ook geen reden. Wel wijst de voorzieningenrechter erop dat een bestuursrechtelijke herstelsanctie niet is bedoeld om als afschrikking te dienen of uitsluitend nog om uit te dragen dat de burgemeester handhavend optreedt.3Is er noodzaak de woning te sluiten?
8. Bij de beoordeling of sluiting van een woning noodzakelijk is, is de vraag aan de orde of de burgemeester, gegeven zijn bevoegdheid om bestuursdwang uit te oefenen, met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus ook moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Een minder ingrijpend middel dan woningsluiting is het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing.
Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. De burgemeester mag daarbij een onderscheid maken tussen hard- en softdrugs. Ook is relevant of de drugs feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld en of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Dat drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij of onderzoek van de politie over mogelijke handel vanuit de woning, verklaringen van buurtbewoners daarover of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit de woning zoals gripzakjes, ponypacks, een (grammen)weegschaal en grote hoeveelheden contant geld en/of wapens. Wanneer sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van de woning ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit. Verder kan sluiting van de woning noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang tot de woning wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Met de sluiting wordt de woning aan de keten van drugshandel onttrokken. Wanneer een woning ten slotte eerder betrokken is geweest bij overtreding van artikel 13b van de Opiumwet en dus sprake is van een situatie van herhaling, kan ook dit relevant zijn bij de beslissing om tot sluiting van de woning over te gaan, met het oog op het structureel beëindigen van de overtreding en de effecten ervan en op voorkomen van nieuwe overtredingen. Bij al het voorgaande dient de burgemeester ook rekening te houden met het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop hij ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat. Als het samenstel van omstandigheden meebrengt dat sluiting niet noodzakelijk is, dan dient de burgemeester hiervan af te zien.
De burgemeester heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid op het standpunt gesteld dat sluiting van de woning noodzakelijk is. Hierbij heeft de burgemeester kunnen betrekken dat er een grote hoeveelheid harddrugs is aangetroffen, die vanuit de woning werd verkocht. Er was derhalve sprake van loop naar de woning. Daardoor was sprake van overlast en omwonenden voelden zich niet veilig. Het tijdverloop sinds het aantreffen van de drugs is niet zodanig dat er geen noodzaak meer bestaat de woning te sluiten. Dat de overtreding inmiddels ongedaan is gemaakt en er geen concrete aanwijzingen zijn voor recidive of herhaling doet hier, wat daar overigens ook van zij, niet aan af. Hierbij heeft de burgemeester bovendien mogen meewegen dat uit de meldingen is gebleken dat de verkoop van drugs en de door de buurt ervaren overlast al langere tijd aan de gang was en de woning derhalve bekend was in het drugscircuit.
Is sluiting van de woning evenwichtig?
9. Als de conclusie is dat de burgemeester zijn beoogde doelen niet met een minder ingrijpend middel dan sluiting van de woning voor een bepaalde duur kan bereiken en een woningsluiting dus het aangewezen middel is, betekent dit nog niet dat hij hiertoe steeds mag overgaan. Daarvoor moet hij zich ervan vergewissen dat de sluiting in de gegeven omstandigheden ook evenwichtig is. 9.1. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de voor bewoners nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Deze laatste houden doorgaans verband met de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk acht. Een sluiting met zware nadelige gevolgen voor de bewoners is niet per definitie onevenwichtig. Wel dient de burgemeester aan de voor bewoners mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting van een woning - die een inmenging in het in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden neergelegde recht kan vormen - een zwaar gewicht toe te kennen bij beantwoording van de vraag of hij van zijn bevoegdheid gebruikmaakt. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn, zoals de bijzondere binding van de bewoners met de woning en de gevolgen voor hen van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven.9.2. Verzoeker stelt dat zijn belangen onvoldoende zijn betrokken. Daartoe voert hij aan dat zijn 2 (meerderjarige) kinderen ook geregeld bij hem verblijven. Hij heeft zich verder aangemeld voor behandeling bij zijn verslaving. De intake zal op korte termijn plaatsvinden. Ook heeft hij een baan. Behoud van een woning is belangrijk voor de stabiliteit in zijn leven. Hij staat bovendien onder bewind en kan geen dubbele woonlasten betalen. Op de zitting heeft hij er bovendien op gewezen dat hij twee katten heeft. Zij kunnen niet goed met elkaar in één ruimte zijn en het zijn ook echte buitenkatten.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat nu is vastgesteld dat de burgemeester de sluiting geschikt en ook noodzakelijk heeft kunnen achten, het belang van de burgemeester bij sluiting van de woning groot is. Daar staat tegenover het belang van verzoeker. Niet in geschil is dat verzoeker geen bijzondere (medische) binding heeft met de woning. Dat verzoeker een baan heeft en binnenkort een intake heeft bij een instelling in het kader van een behandeling tegen zijn verslaving maakt bovendien niet dat hij daarmee een bijzondere binding met de woning heeft. Niet is gebleken dat hij zijn werk niet vanuit een tijdelijk ander verblijfsadres kan vervullen. Dit geldt evenzeer voor de door verzoeker te starten behandeling tegen zijn verslaving. Ook wonen er geen minderjarige kinderen bij verzoeker in. Dat verzoekers meerderjarige kinderen geregeld bij hem verblijven heeft de burgemeester van minder belang kunnen achten. Zij hebben elders immers hun hoofdverblijf. Inherent aan een woningsluiting is bovendien dat dit voor de betrokkene tot enig (financieel) nadeel kan leiden, zoals dubbele woonlasten. Dit levert op zichzelf echter geen bijzondere omstandigheid op die ertoe leidt dat de burgemeester geen gebruik zou kunnen maken van zijn bevoegdheid. Dat is niet anders nu verzoeker onder bewind staat. Hierbij heeft de burgemeester bovendien mogen meewegen dat de sluiting geen onomkeerbare gevolgen zal hebben, nu de verhuurder vooralsnog niet tot de beëindiging van de huurovereenkomst over zal gaan.
Conclusie en gevolgen
10. De voorzieningenrechter is concluderend van oordeel dat de burgemeester bevoegd is om tot sluiting van de woning over te gaan en ook van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het bestreden besluit zal daarom naar verwachting in bezwaar in stand blijven.
11. De burgemeester heeft op de zitting toegezegd dat hij de uitspraak van de voorzieningenrechter af zal wachten. Dit betekent dat hij de woning op de dag van de uitspraak zou kunnen sluiten. De burgemeester kon op de zitting niet toezeggen dat hij verzoeker na de uitspraak nog een termijn zou bieden om aan de sluiting te voldoen. Verzoeker heeft daarop op de zitting aan de voorzieningenrechter gevraagd een ordemaatregel te treffen.
12. De voorzieningenrechter acht het redelijk verzoeker een termijn te bieden om de woning te sluiten. Dit sluit ook aan bij het beleid van de burgemeester, waarin is bepaald dat een begunstigingstermijn wordt geboden teneinde de belanghebbende de gelegenheid te geven om vóór de sluiting van het pand en/of het bijbehorende erf de maatregelen te treffen die nodig zijn in verband met de sluitingsperiode, zoals het verwijderen van persoonlijke spullen of bederfelijke waren, het afsluiten van gas, water en elektra, etc.4 De voorzieningenrechter acht een termijn van één week redelijk. De voorzieningenrechter zal daarom het verzoek toewijzen en bij wijze van voorlopige voorziening bepalen dat de burgemeester de woning met ingang van 13 oktober 2026 mag sluiten. 13. Omdat de te treffen voorlopige voorziening niet voortkomt uit een gebrek in het bestreden besluit ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat de burgemeester de woning aan de [adres] in Ermelo met ingang van 13 oktober 2026 voor de duur van drie maanden mag sluiten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.