RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2802
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2026
in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.I. Bal),
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing door de SVB van de aanvraag van eiser om een Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO-aanvulling), op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een AIO-aanvulling. De SVB heeft deze aanvraag met het besluit van 13 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 mei 2025 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 7 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de SVB.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
3. Eiser, geboren op [geboortedag] 1956, heeft een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Hij ontving samen met zijn echtgenote vanaf 12 oktober 2022 een AIO-aanvulling.
Bij twee afzonderlijke besluiten van 12 oktober 2023 heeft de SVB het recht op AIO-aanvulling van eiser en zijn echtgenote met ingang van 12 oktober 2022 ingetrokken en de teveel betaalde AIO-aanvulling over de periode van 12 oktober 2022 tot en met de maand juli 2023 teruggevorderd.
Met het besluit op bezwaar van 14 februari 2024 is de SVB bij die besluiten gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar bij deze rechtbank. De rechtbank heeft met de uitspraak van 11 april 2025 het beroep ongegrond verklaard.1 Eiser is in hoger beroep gegaan tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft nog geen uitspraak gedaan. Het hoger beroep is nog aanhangig.
Eiser heeft op 20 juni 2024 (opnieuw) een AIO-aanvulling aangevraagd voor hem en zijn echtgenote.
Met de brieven van 3 september 2024, 29 oktober 2024 en 5 november 2024 heeft de SVB aan eiser meer informatie gevraagd over zijn vermogen.
Totstandkoming van het (bestreden) besluit
4. Met het besluit van 13 januari 2025 is eisers aanvraag om een AIO-aanvulling afgewezen. De reden is dat eiser meer vermogen heeft dan is toegestaan. Eisers vermogen is vastgesteld op € 24.185,38. Dit betreft de waarde van de woning in Turkije, minus de schuld die eiser bij de SVB heeft. Dit is hoger dan het voor gehuwden toegestane maximum van € 15.150 (juni 2024) en € 15.500 (juli 2024).
Met het besluit van 19 mei 2025 is eisers bezwaar ongegrond verklaard. De aanvraag is terecht afgewezen. Het vermogen is in bezwaar vastgesteld op € 21.676,48. Het vermogen van eiser is in de periode in geding (vanaf de datum van de aanvraag tot en met het afwijzingsbesluit van 13 januari 2025) hoger dan de vermogensgrens. Op 30 december 2024 heeft de SVB een taxatierapport van 15 september 2024 van eisers woning ontvangen. Het beleid over wisselkoersen is aangepast naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB van 4 juni 2024.2 Voor het omrekenen wordt voortaan de meest gunstige dagkoers van de maand gebruikt.
Het is, in tegenstelling tot wat eiser heeft gesteld, niet mogelijk om fictief in te teren op het eigen vermogen. Eiser is nog steeds eigenaar van de woning in Turkije. De waarde van de woning behoort daarom tot eisers vermogen. Dat volgt uit artikel 35 van de Pw. De rechtspraak van de CRvB over een fictieve norm bij interen gaat voornamelijk over het onverantwoord interen op vermogen vóór het aanvragen van een uitkering, of het niet meerekenen van vermogen bij het vaststellen van de hoogte van terugvordering bij ten onrechte uitgekeerde bijstand. De rechtspraak van de CRvB ziet niet op het behouden van het vermogen én tegelijkertijd recht hebben op een uit gemeenschapsgeld bekostigde uitkering. De SVB verwijst naar de uitspraak van 13 mei 2020 van de Rechtbank Amsterdam.3
Heeft eiser recht op een AIO-aanvulling?
5. De periode in geding loopt van de datum van de aanvraag 21 juni 2024 tot en met het afwijzingsbesluit van 13 januari 2025.
De volgende feiten zijn niet in geschil. Eiser heeft een woning in Turkije. De waarde van die woning is per juni 2024 € 28.850,89. Eiser heeft een schuld bij de SVB wegens de terugvordering van ten onrechte betaalde AIO-aanvulling (zie r.o. 3.1). Die schuld bedraagt met ingang van juni 2024 € 7.174,41. Dat betekent dat eisers vermogen is vastgesteld op € 21.676,48. Dit is hoger dan de voor hem (en zijn echtgenote) geldende grens van het vrij te laten vermogen van € 15.150.
Eiser heeft betoogd dat hij (toch) recht heeft op een AIO-aanvulling. Eiser heeft namelijk fictief ingeteerd op zijn vermogen, omdat hij sinds 12 oktober 2022 geen AIO-aanvulling heeft ontvangen.
Op grond van artikel 47a, tweede lid, in verbinding met artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de Pw is één van de voorwaarden voor het recht op eenAIO-aanvulling dat er geen in aanmerking te nemen vermogen is. In artikel 34 van de Pw is geregeld wat onder vermogen wordt verstaan en wat niet als vermogen in aanmerking wordt genomen. Deze bepalingen hebben een dwingendrechtelijk karakter en laten geen ruimte voor de benadering van eiser die ervan uitgaat dat recht op een AIO-aanvulling kan bestaan indien er weliswaar daadwerkelijk in aanmerking te nemen vermogen is, maar de fictie wordt gehanteerd dat op dat vermogen is ingeteerd. Recht op een AIO-aanvulling kan slechts bestaan vanaf het moment dat eiser daadwerkelijk zoveel heeft ingeteerd op zijn vermogen dat de grens van het vrij te laten vermogen niet langer wordt overschreden.4 De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.