ECLI:NL:RBGEL:2026:7379

Datum uitspraak
25-08-2026
Instantie
Rechtbank Gelderland
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Zaaknummer
K/5001/12161431
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten de subsidair gestelde grondslag, een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie (g-grond). Voor zover het verzoek primair is gebaseerd op bedrijfseconomische omstandigheden (a-grond), wordt dit afgewezen. Anders dan het UWV heeft geoordeeld, is er naar het oordeel van de kantonrechter weliswaar sprake van een bedrijfseconomische noodzaak maar er is niet voldaan aan de herplaatsingsplicht. Het tegenverzoek tot betaling van de transitievergoeding en een aantal nevenverzoeken wordt toegewezen. De verzochte billijke vergoeding wordt afgewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer / rekestnummer: 12161431 \ HA VERZ 26-64

Beschikking van 25 augustus 2026

in de zaak van

POLYMOUNT SLEEVES B.V.,

te Nijkerk,

verzoekende partij,

verwerende partij in het tegenverzoek,

hierna te noemen: Polymount Sleeves,

gemachtigde: mr. M.R. Jansen-Schuurman,

tegen

[verweerder] ,

te [woonplaats] ,

verwerende partij,

verzoekende partij in het tegenverzoek,

hierna te noemen: [verweerder] ,

gemachtigde: mr. H. Senyuva.

De zaak in het kort

In deze zaak verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten de subsidair gestelde grondslag, een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie (g-grond). Voor zover het verzoek primair is gebaseerd op bedrijfseconomische omstandigheden (a-grond), wordt dit afgewezen. Er is naar oordeel van de kantonrechter weliwaar sprake van een bedrijfseconomische noodzaak maar er is niet voldaan aan de herplaatsingsplicht.

Het tegenverzoek van werknemer tot betaling van de transitievergoeding wordt toegewezen, alsmede een aantal andere nevenverzoeken. Het verzoek tot betaling van een billijke vergoeding wordt afgewezen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift, tevens een tegenverzoek;

- de akte aan de zijde van Polymount Sleeves van 2 juli 2026 met producties 3, 22 en 34;

- de akte aan de zijde van Polymount Sleeves van 6 juli 2026, met producties 37 tot en met 40;

- de e-mail aan de zijde van [verweerder] van 8 juli 2026 aanvullende producties 46 en 47.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 juli 2026, waar de gemachtigden van beide partijen het woord hebben gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. De griffier heeft van hetgeen verder is besproken aantekeningen gemaakt.

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling is, vanwege de nauwe samenhang, ook het ontbindingsverzoek gericht tegen de directe collega en broer van [verweerder] , de heer [broer eiser] , besproken. Dit verzoekschrift is bekend onder zaaknummer 12161343 \ HA VERZ 26-63. In die zaak is op 12 augustus 2026 uitspraak gedaan.

1.4.

De beschikking is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

Polymount Sleeves produceert en verkoopt drukcilinders ("Sleeves" genoemd). Deze drukcilinders worden door drukkerijen gebruikt voor voornamelijk het bedrukken van voedsel- of drankverpakkingen.

2.2.

Bij Polymount Sleeves zijn in totaal ca. 19 werknemers werkzaam, voornamelijk in de productie en magazijn. Polymount Sleeves heeft verder verkoopmedewerkers die actief zijn in Frankrijk, Spanje, Oost-Europa, Verenigd Koninkrijk, Turkije en India en voorheen ook Duitsland.

2.3.

Polymount Sleeves is een dochtervennootschap van Polymount International B.V. Een zustervennootschap is Polymount B.V., welke vennootschap zich (nagenoeg uitsluitend) bezighoudt met de verkoop van machines. Aandeelhouders zijn de heer en mevrouw [naam 1] , die als bestuurder respectievelijk HR-functionaris en financieel medewerker in de onderneming Polymount Sleeves werkzaam zijn.

2.4.

[verweerder] is eerder in dienst geweest van Polymount International, waar toentertijd de zogeheten sleeves-activiteiten plaatsvonden. Dit was vanaf 1 januari 2008 tot 1 maart 2018. Per 1 maart 2018 zijn de sleeves-activiteiten door Polymount International verkocht aan de [firma] . Ook de zogeheten TAM-Business, het schoonmaken van machines bij de grootste klant [naam 2] , is (deels) aan [firma] verkocht. [verweerder] is mee overgegaan en vanaf 1 maart 2018 bij [firma] in dienst getreden.

2.5.

[verweerder] is op 1 januari 2020 in dienst getreden bij Polymount B.V.

2.6.

In of omstreeks maart 2021 is Polymount Sleeves opnieuw gestart met de productie van sleeves. In verband daarmee is [verweerder] , evenals zijn broer [broer eiser] , verzocht bij Polymount Sleeves in dienst te treden. Dit verzoek heeft geleid tot een nieuw gesloten arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, ingaande op 1 april 2021, met een salaris van op dit moment € 9.375,96 bruto. Daarnaast heeft [verweerder] aanspraak op een bonusplan (5% over de jaarwinst/EBIT), een verkoopbonus van 5% als Polymount Sleeves wordt verkocht, vakantiegeld en een auto van de zaak.

2.7.

Ook de broer van [verweerder] , [broer eiser] , is op 1 april 2021 in dienst getreden van Polymount Sleeves in dezelfde functie en op basis van dezelfde arbeidsvoorwaarden.

2.8.

De functie van [verweerder] heette, net als die van zijn broer, aanvankelijk Quality Manager, maar in 2024 is de functiebenaming gewijzigd in die van Technical Quality.

2.9.

In verband met de tegenvallende financiële resultaten heeft Polymount Sleeves in 2025 besloten tot een reorganisatie en de functies van [verweerder] en zijn broer te laten vervallen in het kader van noodzakelijke kostenbesparingen. Beide heren verdienen samen evenveel als het overige personeel tezamen. De taken van [verweerder] en zijn broer zijn inmiddels overgenomen door collega's, waardoor een efficiencyslag gemaakt is.

Daarnaast is het verkoopkantoor in Duitsland gesloten, waardoor de functie van één verkoopmedewerker is vervallen en zijn drie werknemers bij Polymount Sleeves afgevloeid door natuurlijk verloop. Ook de functies van deze drie medewerkers zijn vervallen.

2.10.

Op 9 september 2025 heeft Polymount Sleeves zonder voorafgaande aankondiging ter zake een voorgenomen reorganisatie uitsluitend bij monde van haar advocaat aan [verweerder] gemeld dat zijn functie komt te vervallen. Tevens is medegedeeld dat de dag ervoor, op 8 september 2025, een ontslagaanvraag is ingediend bij UWV. [bestuurder] noch zijn echtgenote waren bij dit gesprek aanwezig.

2.11.

Dezelfde dag heeft zijn broer dezelfde mededeling op dezelfde wijze gekregen. Net als zijn broer, moest [verweerder] gelijk al zijn bedrijfsspullen inleveren, werd hij onmiddellijk vrijgesteld van werk en werd hem de toegang tot het bedrijf met onmiddellijke ingang ontzegd.

2.12.

In de brief van 9 september 2025 schrijft [bestuurder] aan [verweerder] :

“Zoals we je vandaag tijdens ons gesprek hebben toegelicht, heeft Polymount Sleeves B.V. moeten besluiten een herstructurering door te voeren. Deze herstructurering is ingegeven vanwege het feit dat de orders en financiële resultaten achterblijven. We draaien al jaren achtereen verlies en het inloopverlies is inmiddels gegroeid naar ruim € 1.500.000,-. Het jaar 2024 sluiten we net onder break-even af, echter de financiële vooruitzichten voor 2025 en verder zijn somber. De orderinname voor 2025 ligt ongeveer 10% lager dan in dezelfde periode vorig jaar. De markt waarin wij opereren is zeer onstabiel. Veel klanten annuleren opdrachten of schuiven deze door vanwege onzekerheden op de financiële markt. Daarnaast staan onze marges onder druk vanwege een nieuw prijsbeleid bij onze grootste concurrent.

De bedrijfskosten drukken al jarenlang te zwaar op het resultaat. Er zijn diverse

bezuinigingsmaatregelen getroffen, waaronder het doorbelasten van verpakkingskosten aan de klant, het reduceren van personeelskosten (creditcard, bedrijfsauto, reduceren contracturen, niet vervangen van collega's die vertrekken), het beëindigen van het schoonmaakcontract, verlagen productiekosten van kleefplaten hetgeen een aanzienlijke kostenbesparing oplevert en het sluiten van Polymount Dach (Duitsland). Echter blijken deze maatregelen onvoldoende om de tekorten te compenseren. Polymount Sleeves heeft dan ook moeten besluiten om verder te snijden in de kosten om de financieel neerwaartse spiraal te doorbreken.

Bovengenoemde heeft tot gevolg dat jouw functie van Technical Quality met ingang van 9

september 2025 is komen te vervallen. Het besluit om deze functie te laten vervallen is, (ook) ingegeven vanwege het feit dat — ondanks inspanningen vanuit onze kant — onze grootste klant [naam 2] Polymount Sleeves al drie jaar achtereen geen onderhoudscontract voor de schoonmaakmachine gunt. Dit onderhoudscontract voor de schoonmaakmachine bij [naam 2] en de levering van reserve onderdelen betreft een van de hoofdtaken binnen de functie Technical Quality. Feitelijk is al jaren sprake van een (gedeeltelijke) boventalligheid in de functie van Technical Quality hetgeen ook merkbaar is in (de omvang van) jouw werkzaamheden; er zijn nauwelijks nog werkzaamheden.

Het financiële tekort specifieke vanwege het verlies van deze omzet bij [naam 2] en van Polymount Sleeves in zijn algemeenheid wordt al jaren geabsorbeerd (door de holding). [naam 2] heeft recentelijk te kennen gegeven ook voor komend jaar (2026) geen onderhoudscontract te zullen sluiten met Polymount Sleeves. Hierdoor is het onwenselijk en (financieel) onverantwoord de functie van Technical Quality te blijven handhaven. Er is geen sprake (meer) van een volwaardige functie. De resterende kwaliteitswerkzaamheden zijn/zullen opgevangen worden door de teamleider/productie medewerkers all-round.

Het laten vervallen van de functie Technical Quality zal een aanzienlijke kostenbesparing met zich meebrengen hetgeen noodzakelijk is om het achterblijven van de omzet op te vangen, het financiële tij van Polymount Sleeves te keren en de continuïteit van de onderneming te waarborgen.

We hebben bekeken en besproken of er een andere passende functie beschikbaar is of zal komen binnen Polymount Sleeves of een aan haar gelieerde vennootschap, echter hebben we samen vastgesteld dat dit niet het geval is.

Wij begrijpen uiteraard de impact van deze boodschap en willen je dan ook graag een — in onze ogen goed — voorstel tot beëindiging van jouw dienstverband doen. Met dit voorstel hebben we recht willen doen aan jouw situatie en jouw inzet door de wettelijke transitievergoeding maal 2 aan te bieden. Voorts is er uiteraard rekening gehouden met de geldende opzegtermijn. Dit voorstel tref je bijgaand aan in de vorm van een vaststellingsovereenkomst (in tweevoud).

Mocht je in willen stemmen met het voorstel, dan ontvangen wij de vaststellingsovereenkomst graag uiterlijk 16 september 2025 getekend retour. We zijn bereid je tot die tijd vrij te stellen van werkzaamheden, zodat je de tijd en ruimte hebt om hierover na te denken en daarover advies in te winnen. Dit betekent dat je geen werkzaamheden meer behoeft te verrichten en je ook niet op het werk behoeft te verschijnen.

Indien je niet wilt instemmen met de vaststellingsovereenkomst zullen wij de ontslagprocedure wegens bedrijfseconomische redenen bij UWV voortzetten. Voor de goede orde wijzen wij je erop dat de uitkomst daarvan financieel (veel) lager voor je uitvalt.

Mocht je naar aanleiding van bovenstaande of bijgevoegde vaststellingsovereenkomst vragen hebben, dan kun je me uiteraard daarover contacten.”

2.13.

[verweerder] heeft zich op 10 september 2025 ziekgemeld. [verweerder] is tot op heden nog steeds volledig arbeidsongeschikt.

2.14.

Polymount Sleeves heeft [verweerder] een vaststellingsovereenkomst aangeboden. Daarmee heeft hij niet ingestemd.

2.15.

Het UWV heeft het verzoek tot het verkrijgen van toestemming om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] (evenals die van zijn broer) afgewezen bij beslissing van 19 januari 2026. Het UWV heeft onder meer overwogen:

“Werkgever stelt, kort gezegd, dat er minder werk is, de groei stagneert, de marges onder druk zijn komen te staan en de kosten omhoog zijn gaan. Werkgever is daarom volgens hem genoodzaakt de kwaliteitscontroles en ingangscontroles van ruwe materialen te verdelen onder de productiemedewerkers. Ook blijft het onderhoud aan machines uit.

Ten aanzien van de gestelde slechte of slechter wordende financiële situatie vinden wij dat uit de overgelegde cijfers in voldoende mate blijkt dat in de afgelopen jaren verliezen zijn geleden. Echter, werkgever duidt deze verliezen als aanloopverliezen. Dat is naar ons oordeel en zoals ook door in verweer aangegeven, in lijn met het feit dat de Sleeves activiteit pas in 2021 is gestart. Nu tevens blijkt dat primair ingezet is op groei of schaalgrootte, vinden wij negatieve resultaten in de eerste jaren een logisch uitvloeisel van de betreffende ondernemerskeuze.

Uit de overgelegde cijfers blijkt verder dat de verliezen recentelijk zijn afgenomen en dat een duidelijk positieve trend waarneembaar is. Werknemer heeft dit door middel van een grafisch overzicht ook aangevoerd. Het voor ontslag vereiste structurele karakter van de slechte financiële situatie vinden wij daarom niet aannemelijk. Dit staat nog los van de omvang van de beheersvergoeding die ten laste van het resultaat komt en die door de hoogte in relatie tot de omzet opvalt. Bij een beperktere vergoeding zouden de resultaten, zoals ook in verweer naar voren gebracht, ons inziens in de afgelopen jaren aanmerkelijk beter kunnen zijn geweest. Daarbij merken wij op dat ontslag in beginsel geldt als 'ultimum remedium' en dat eerst gekeken moet worden naar andere kostenbesparingen. De volgens werkgever doorgevoerde besparingen worden door werknemer gemotiveerd betwist of sterk gerelativeerd. Wij achten aannemelijk dat wat betreft het nemen van voorliggende besparingen op (andere) kosten, op voorhand meer had kunnen en moeten worden gedaan door werkgever.

Ten aanzien van de werkvermindering constateren we dat de werkvermindering volgens

Werkgever in het bijzonder is gelegen in het niet verkrijgen van een onderhoudsopdracht van [naam 2] . Deze opdracht is, zoals ook door werkgever wordt bevestigd, tot op heden nooit als zodanig aan werkgever gegund geweest. We kunnen ons daarom vinden in het argument van werknemer dat het ontbreken van een contract met [naam 2] niet een oorzaak kan zijn van de werkvermindering in de functie van werknemer.

(….)

Tenslotte merken wij op dat, hoewel wij strikt genomen alleen de aangevoerde

bedrijfseconomische aspecten beoordelen, de overige naar voren komende omstandigheden

aanleiding geven tot twijfel in hoeverre het voornemen tot ontslag is ingegeven door de

bedrijfseconomische overwegingen zoals die door werkgever zijn aangevoerd. Duidelijk is dat direct voorafgaand aan de indiening van de ontslagaanvraag en al geruime tijd daarvoor sprake is van discussies omtrent arbeidsvoorwaarden en dergelijke. Verder merken we op dat de CEO in zijn schriftelijke toelichting aan werknemer de noodzaak voor het ontslag duidt als 'herstructurering'. Deze herstructurering is in deze procedure echter niet als ontslaggrond aangevoerd en als zodanig ook niet onderbouwd.

Hoewel het tot de beleidsvrijheid van werkgever behoort de onderneming zo in te richten dat het voortbestaan daarvan ook op langere termijn is verzekerd, en het eveneens tot zijn beleidsvrijheid behoort werkzaamheden te herverdelen en functies te laten vervallen, zijn wij van oordeel dat werkgever zich onvoldoende heeft verantwoord voor de genomen beslissing en ten aanzien van de aanleiding daarvoor. Immers ons is niet gebleken dat de herverdeling van werkzaamheden van werknemer en het laten vervallen van zijn functie zijn ingegeven door de gestelde slechte of slechter wordende financiële situatie en/of werkvermindering. Het voorgaande overwegende achten wij niet aannemelijk geworden dat er een bedrijfseconomische noodzaak is om de arbeidsplaats van werknemer te laten vervallen.

Nu wij reeds op grond van de bedrijfseconomische noodzaak de toestemming om de

arbeidsverhouding met werknemer te mogen opzeggen weigeren, laten wij punt twee en drie van het toetsingskader, zijnde de ontslagvolgorde en gepleegde herplaatsingsinspanningen,

onbesproken.

(…)”

2.16.

Nadat het UWV de ontslagaanvraag heeft afgewezen, zijn partijen er niet in geslaagd om afspraken te maken over een mediationtraject.

3 Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.

Polymount Sleeves verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op de kortst mogelijke termijn te ontbinden:

primair:

I. op grond van artikel 7:671 b lid 1 sub b jo. artikel 7:669 lid 3 sub a BW (bedrijfseconomische omstandigheden) onder toekenning van enkel de wettelijke transitievergoeding,

subsidiair:

II. op grond van artikel 7:669 lid 3 sub g BW (verstoorde arbeidsrelatie);

in alle gevallen:

III. [verweerder] te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen.

3.2.

Polymount Sleeves legt, kort samengevat, primair aan haar verzoek ten grondslag dat sprake is van bedrijfseconomische omstandigheden die met zich meebrengen dat de arbeidsovereenkomst met [verweerder] moet worden ontbonden. Deze omstandigheden bestaan uit een slechte of slechter wordende financiële situatie, werkvermindering en een organisatorische verandering.

Subsidiair legt Polymount Sleeves aan haar verzoek ten grondslag dat het in de afgelopen jaren niet is gelukt om een gezonde en vruchtbare samenwerking tot stand te brengen. Als gevolg van de ontslagprocedure bij het UWV zijn de verhoudingen tussen partijen verder verslechterd, waarbij partijen niet meer met elkaar in gesprek kunnen en/of willen gaan. Er is een onoverbrugbare impasse ontstaan die zodanig is dat niet langer van Polymount Sleeves gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst met [verweerder] voort te zetten.

3.3.

[verweerder] voert verweer tegen ontbinding op de a-grond. [verweerder] betwist dat sprake is van een voldragen a-grond, omdat er geen bedrijfseconomische noodzaak is en omdat Polymount Sleeves op geen enkele wijze heeft voldaan aan de herplaatsingsplicht. [verweerder] verzoekt wel tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst over te gaan, naar de kantonrechter begrijpt vanwege een verstoorde arbeidsrelatie die door Polymount Sleeves is veroorzaakt, met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn en met veroordeling van Polymount Sleeves tot betaling van de hierna opgenomen vergoedingen, waaronder de transitievergoeding en een billijke vergoeding.

3.4.

Bij wijze van tegenverzoek verzoekt [verweerder] de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst door Polymount Sleeves toe te wijzen;

II. met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn, zonder aftrek van de periode die is gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de datum van dagtekening van de ontbindingsbeschikking;

III. voor het geval Polymount Sleeves haar ontbindingsverzoek intrekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:671b jo. artikel 7:669 BW, onder toekenning van alle hierna genoemde vergoedingen en voorzieningen;1

IV. bij het bepalen van de einddatum van de arbeidsovereenkomst rekening te houden met de door Polymount Sleeves geldende wettelijke opzegtermijn, zonder aftrek van de periode gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de datum van de ontbindingsbeschikking;

V. Polymount Sleeves te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding ex artikel 7:673 BW, zoals vermeld onder punt 4.2 van het verweerschrift;

VI. Polymount Sleeves te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding, zoals vermeld onder punt 4.11 van het verweerschrift;

VII. Polymount Sleeves te veroordelen tot betaling aan [verweerder] van een immateriële schadevergoeding ex artikel 7:611 BW, althans artikel 6:106 BW, zoals vermeld onder punt 4.16 van het verweerschrift;

VIII. Polymount Sleeves te veroordelen tot betaling van een netto telefoonkostenvergoeding, zoals vermeld onder punt 4.24 van het verweerschrift, vanaf 1 oktober 2025 tot aan het rechtsgeldig einde van het dienstverband;

IX. voor recht te verklaren dat Polymount Sleeves gehouden is de in artikel 7 van de arbeidsovereenkomst opgenomen bonusregeling uit te voeren overeenkomstig de tussen partijen overeengekomen uitgangspunten, waaronder de verplichting om uit te gaan van een bestendige gedragslijn en kosten die betrekking hebben op andere vestigingen en/of vennootschappen dan Polymount Sleeves buiten beschouwing te laten;

X. Polymount Sleeves te veroordelen tot betaling aan [verweerder] van de uit de accountantsanalyse volgende aanvullende bonusbedragen van € 179.660,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

XI. Polymount Sleeves te veroordelen tot vergoeding van de door [verweerder] gemaakte accountantskosten als bedoeld in artikel 7 van de arbeidsovereenkomst, zoals vermeld onder punt 4.44 van het verweerschrift;

XII. Polymount Sleeves te veroordelen om binnen veertien dagen nadat de jaarrekening over het boekjaar 2025 respectievelijk het boekjaar 2026 is vastgesteld, dan wel de daarvoor benodigde financiële gegevens beschikbaar zijn gekomen, aan [verweerder] alle financiële informatie en bescheiden te verstrekken die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de controle en vaststelling van de aan [verweerder] toekomende bonus op grond van artikel 7 van de arbeidsovereenkomst, waaronder in ieder geval de jaarrekening, winst- en verliesrekening, specificaties van de gehanteerde EBIT-berekening en de daarbij toegepaste doorbelastingen en kostenverdelingen, alsmede alle informatie die redelijkerwijs noodzakelijk is voor een accountantscontrole als bedoeld in artikel 7 van de arbeidsovereenkomst, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat Polymount Sleeves hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,00;

XIII. Polymount Sleeves te veroordelen om gedurende de resterende duur van het dienstverband een gelijkwaardige leaseauto als contractueel overeengekomen ter beschikking te blijven stellen, althans aan [verweerder] een vervangende maandelijkse vergoeding te voldoen gelijk aan de waarde van deze arbeidsvoorwaarde, zoals genoemd onder punt 4.35 van het verweerschrift, op straffe van een dwangsom van

€ 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat Polymount Sleeves hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,00;

XIV. voor recht te verklaren dat de in artikel 8 van de arbeidsovereenkomst opgenomen verkoopbonusregeling ook na beëindiging van de arbeidsovereenkomst onverkort van kracht blijft;

XV. Polymount Sleeves te veroordelen om aan [verweerder] alle informatie en bescheiden te verstrekken die op grond van artikel 8 van de arbeidsovereenkomst moeten worden verstrekt, alsmede alle overige informatie die redelijkerwijs noodzakelijk is om de verschuldigdheid en hoogte van de verkoopbonus vast te stellen, waaronder begrepen de in artikel 8 genoemde winst- en verliesrekeningen, informatie omtrent een (voorgenomen) verkooptransactie en de daarbij gehanteerde waardering en verkoopprijs, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat Polymount Sleeves hiermee in gebreke blijft, met een maximum van

€ 50.000,00,

XVI. voor recht te verklaren dat Polymount Sleeves ingevolge artikel 7:653 lid 4 BW geen rechten kan ontlenen aan het non-concurrentiebeding, althans subsidiair dit beding te vernietigen dan wel te matigen tot een door U Edelachtbare in goede justitie te bepalen omvang en duur;

XVII. Polymount Sleeves te veroordelen binnen een week na betekening van de in deze zaak te wijzen beschikking en tegen behoorlijk bewijs van kwijting tot betaling aan [verweerder] van het aan hem toe te rekenen deel (50%) van de werkelijk gemaakte advocaatkosten, zoals vermeld onder punt 4.21, althans subsidiair een in goede justitie te bepalen bedrag, zulks wegens ernstig verwijtbaar handelen van Polymount Sleeves, de wijze waarop zij deze procedure heeft gevoerd en de bijzondere omstandigheden van het geval;

XVIII. Polymount Sleeves te veroordelen tot betaling aan [verweerder] van de wettelijke rente over alle in deze procedure toegewezen geldbedragen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

XIX. Polymount Sleeves te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen.

3.5.

Polymount Sleeves heeft verweer gevoerd tegen de tegenverzoeken van [verweerder] waarop hierna, voor zover van belang, wordt ingegaan.

4 De beoordeling van het verzoek van Polymount Sleeves

Inleiding – toetsingskader

4.1.

Het gaat in deze zaak niet meer om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden, maar wel om de vraag op welke grond deze moet worden ontbonden, omdat de vraag op welke grond wordt ontbonden onder meer bepalend kan zijn voor de vraag of Polymount Sleeves de door [verweerder] verzochte billijke vergoeding verschuldigd is. De kantonrechter begrijpt, zoals ter zitting ook is besproken, het verweer van [verweerder] zo dat hij geen verweer voert tegen ontbinding op de meer subsidiair aangevoerde grond, de g-grond, integendeel, hij verzoekt de ontbinding op die grond toe te wijzen. Zijn verzoek Polymount Sleeves ter veroordelen tot betaling van de wettelijke transitievergoeding en een toe te kennen billijke vergoeding zien niet alleen op zijn tegenverzoek maar zijn ook bedoeld in geval de ontbinding op verzoek van Polymount Sleeves wordt uitgesproken op de g-grond.

Enkel voor het geval Polymount Sleeves haar verzoek mocht intrekken verzoekt [verweerder] bij voorwaardelijk tegenverzoek zelf om ontbinding.

4.2.

Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is.2 Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.3

Opzegverbod

4.3.

Ontbinding is in beginsel niet mogelijk als er een opzegverbod geldt. Dat is hier deels het geval omdat [verweerder] sinds 10 september 2025 onafgebroken arbeidsongeschikt is. Het opzegverbod geldt niet voorzover het ontbindingsverzoek is gebaseerd op bedrijfseconomische omstandigheden, artikel 7:669 lid 3 sub a BW, omdat het verzoek tot het verkrijgen van een ontslagvergunning voor de ziekmelding bij het UWV was ingediend. Ingevolge de uitspraak van de Hoge Raad4 staat het opzegverbod dan in geval de zaak vervolgens wordt voorgelegd aan de kantonrechter, niet aan ontbinding in de weg, ondank het bepaalde in artikel 7:671b lid 1 BW.

4.4.

Het opzegverbod staat in beginsel wel aan de ontbinding in de weg voorzover het ontbindingsverzoek is gebaseerd op artikel 7:669 lid 3 sub g BW. Immers [verweerder] was reeds arbeidsongeschikt ten tijde van indiening van het verzoekschrift op deze gronden. Ontbinding is in dat geval alleen dan mogelijk als er geen verband is tussen de ontbindingsgrond en de omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft.

Er is sprake van het vervallen van arbeidsplaatsen wegens bedrijfseconomische omstandigheden (a-grond)

4.5.

Ingevolge artikel 7:671b lid 1 sub b juncto 7:669 lid 3 sub a BW bestaat een redelijke grond voor ontbinding indien sprake is van het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van werkzaamheden van de onderneming of indien, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, arbeidsplaatsen noodzakelijkerwijs vervallen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering en het UWV toestemming heeft geweigerd.

4.6.

De kantonrechter toetst aan dezelfde (wettelijke) criteria als het UWV. Het UWV toetst een verzoek om een arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden op te zeggen aan de Ontslagregeling, de Regeling Ontslagprocedure UWV en de Uitvoeringsregels. De kantonrechter zal hieraan dus ook toetsen, met dien verstande dat de kantonrechter niet gebonden is aan de in de Uitvoeringsregels neergelegde bepalingen, maar daar wel acht op kan slaan. De beoordeling van de kantonrechter geldt niet als een beoordeling in hoger beroep van de beslissing van het UWV. Het gaat om een zelfstandig te beoordelen verzoek en nieuwe feiten en omstandigheden kunnen door de kantonrechter bij de beoordeling worden betrokken.

4.7.

Bij een ontslagaanvraag wegens bedrijfseconomische redenen moet gelet op de Ontslagregeling komen vast te staan dat:

  1. er structureel arbeidsplaatsen vervallen door bedrijfsbeëindiging of door maatregelen die om bedrijfseconomische redenen nodig zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering;

  2. de juiste volgorde voor ontslag is vastgesteld (afspiegelingsbeginsel);

  3. er geen mogelijkheden zijn om de werknemer binnen een redelijke termijn (al dan niet met scholing) te herplaatsen in een andere passende functie binnen de onderneming of groep.

4.8.

Uitgangspunt is dat de werkgever in hoge mate de vrijheid heeft om zijn onderneming in te richten zoals hem goeddunkt en zodanig dat het voortbestaan daarvan ook op langere termijn verzekerd is. De rechter dient bij de toetsing van besluiten tot reorganisatie dan ook een zekere terughoudendheid in acht te nemen.5 Zo is bijvoorbeeld het lijden van verlies geen vereiste. Wel dient de werkgever zich te verantwoorden voor de genomen beslissing in die zin dat hij aannemelijk moet maken dat hij in redelijkheid tot reorganisatie heeft kunnen besluiten. Vervolgens heeft de werkgever bij de uitvoering van de reorganisatie de regels die daartoe zijn gesteld in het Ontslagbesluit in acht te nemen.

4.9.

De kantonrechter oordeelt dat er vanwege bedrijfseconomische redenen een redelijke grond is voor ontbinding. Dat wordt als volgt toegelicht.

4.10.

Uit de door Polymount Sleeves overgelegde jaarstukken blijkt dat de financiële situatie en ontwikkeling zodanig zijn dat het bestuur van Polymount Sleeves in redelijkheid tot het doorvoeren van een reorganisatie, teneinde kosten te besparen, heeft kunnen besluiten. Dat wordt hierna als volgt toegelicht.

Uit de jaarstukken van Polymount Sleeves blijkt dat het (negatief) bedrijfsresultaat (de EBIT) voor belastingen bedroeg:

  • in 2021: - € 568.701

  • in 2022: - € 494.571

  • in 2023: - € 150.028

  • in 2024: - € 143.246

De resultaten zijn in 2025 slechts in beperkte mate verbeterd. Tot en met oktober 2025 is het resultaat nog steeds negatief, € 47.800,00. De resultaten zijn overall al vijf jaar slecht, zeker afgezet tegen de gerealiseerde omzetten. In dit verband mag niet onvermeld blijven dat de aandeelhouders in de periode van april 2021 tot en met juli 2025 Polymount Sleeves een flinke kapitaalinjectie hebben gegeven middels leningen van in totaal bijna 1,4 miljoen. Daarnaast heeft Polymount International in de periode vanaf mei 2022 tot met januari 2026 in totaal € 695.225,00 gestort in Polymount Sleeves. Dit alles om de vennootschap overeind te houden. De aanvankelijke rekening-courantschuld aan aandeelhouders is omgezet in een agiostorting, waarmee de financiële positie van de onderneming is verbeterd, ten koste van de aandeelhouders. Zonder deze steun zouden de verliezen veel groter zijn geweest, als Polymount Sleeves überhaupt nog zou hebben bestaan. De liquiditeitspositie zou zonder deze middelen immers in gevaar zijn gekomen.

4.11.

De vraag die partijen in het kader van de in de jaarstukken gepresenteerde cijfers verdeeld houdt is of die cijfers de werkelijkheid juist weergeven. Het gaat dan in het bijzonder om een daarin opgenomen forse kostenpost voor Polymount Sleeves, te weten de ‘beheersvergoeding’. Dat zijn kosten die door Polymount International bij Polymount Sleeves in rekening worden gebracht voor geleverde diensten. Die beheerskosten bedroegen:

  • in 2022: € 1.093.500

  • in 2023: € 1.350.000

  • in 2024: € 1.718.400

Gelet op de omvang van deze kosten, die grote impact hebben op het resultaat van Polymount Sleeves, dringt zich de vraag op of deze terecht zijn doorberekend of dat deze bovenmatig zijn en wellicht bedoeld om de resultaten van Polymount Sleeves kunstmatig laag te houden. Ter zake wordt het volgende overwogen.

4.12.

De beheerskosten die worden gemaakt door Polymount International, worden gemaakt zowel ten behoeve van Polymount Sleeves als ten behoeve van Polymount. Het gaat daarbij blijkens de door Polymount Sleeves gegeven toelichting om kosten ter zake verkoop/salesactiviteiten, verkoopmedewerkers, administratie, customer service, finance, logistiek en IT. Zoals door Polymount Sleeves is toegelicht en ook uit de financiële stukken blijkt, worden deze kosten die Polymount International maakt volgens de verhouding van 80/20% toegerekend aan Polymount Sleeves respectievelijk Polymount. Die verdeling is, zo blijkt niet alleen uit de jaarstukken maar ook uit de verklaring van de accountant van de Polymount vennootschappen al jaren zo en is naar rato van de door (medewerkers van) Polymount International aan haar dochters bestede tijd.6

Ook gerelateerd aan de omzetten van Polymount Sleeves respectievelijk Polymount zijn er geen aanwijzingen dat Polymount Sleeves met bij de gehanteerde verdeelsleutel benadeeld wordt.

Er zijn dan ook geen aanwijzingen dat de gehanteerde verdeelsleutel van 80/20% bij het doorberekenen van de beheerskosten niet juist, althans ten nadele van Polymount Sleeves is. Evenmin zijn er aanwijzingen dat deze kosten zijn gecreëerd teneinde de resultaten van Polymount Sleeves te drukken, bijvoorbeeld om op die manier een reorganisatie te kunnen doorvoeren. Dat deze kosten ten onrechte bij Polymount Sleeves in rekening zijn gebracht en daarom bij de beoordeling van de bedrijfseconomische noodzaak buiten beschouwing moeten blijven, is derhalve niet aannemelijk geworden. In dit verband is van belang nog op te merken dat uit de jaarstukken van Polymount International blijkt dat ook deze vennootschap zowel de jaren 2023 als 2024 met een negatief resultaat afsloot.

Het door [verweerder] gevoerde verweer ter zake de bedrijfseconomische omstandigheden en meer in het bijzonder de doorberekening van de beheerskosten, wordt daarom verworpen.

4.13.

Het voorgaande betekent dat de kantonrechter, anders dan het UWV, van oordeel is dat voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van een bedrijfseconomische noodzaak voor Polymount Sleeves om tot een kostenbesparing te komen. Polymount Sleeves komt als onderneming een grote mate van beleidsvrijheid toe als het gaat om de vraag hoe zij tot kostenreductie wenst te komen. Nu de post personeelskosten een substantieel grote kostenpost vormt, heeft Polymount Sleeves in redelijkheid tot het besluit kunnen komen om de functies van [verweerder] en zijn broer te laten vervallen en de werkzaamheden die zij (nog) deden te verdelen over andere werknemers. Dit geldt temeer nu Polymount Sleeves onderbouwd heeft uiteengezet dat zij, waar mogelijk, ook op andere kosten heeft bespaard, zoals het sluiten van het verkoopkantoor in Duitsland waardoor van doorbelasting van de met dat kantoor gemoeide kosten zijn vervallen, het beëindigen van het contract met een schoonmaakbedrijf door de werkzaamheden onder te brengen bij de interieurverzorgster die al in dienst was, het reduceren van personeelskosten door onder meer natuurlijk verloop (het niet vervangen van een magazijnmedeweker en twee oproepkrachten), het doorberekenen van verpakkingskosten aan klanten en het verlagen van productiekosten van kleefplaten.

Dat laat onverlet dat het voor [verweerder] en zijn broer een hard gelag is dat zij, nadat zij in 2021 als zo ongeveer onmisbare werknemers, zijn binnengehaald bij de herstart van de producties van sleeves, nu gemist kunnen worden. Dat voelt voor hen onbegrijpelijk en naar de kantonrechter begreep, ook onrechtvaardig. Dat is in zeker mate invoelbaar. Maar daar staat tegenover dat [verweerder] , evenals zijn broer, voor zijn waardevolle inbreng buitensporig goed is beloond. Dat hebben zij allebei tijdens de mondelinge behandeling ook beaamd. Het is dus niet zo dat van de kennis en kunde van [verweerder] op goedkope wijze gebruik is gemaakt en hij nadien de onderneming (goedkoop) moet verlaten. De begrijpelijke gevoelens van [verweerder] doen niet af aan de bedrijfseconomische noodzaak.

Afspiegelingsbeginsel is niet geschonden

4.14.

[verweerder] heeft aangevoerd dat Polymount Sleeves ten onrechte heeft gesteld dat met het vervallen van de functie van [verweerder] en zijn broer een hele functiegroep is vervallen en derhalve aan afspiegeling niet wordt toegekomen. [verweerder] stelt dat van een unieke functie geen sprake was. Volgens hem was zijn functie (en die van zijn broer) uitwisselbaar met de functies: productiemanager, teamleider Producties Sleeves en Teamleider Machineafdeling.

Dit verweer wordt verworpen. De stelling bij verweerschrift dat die functies met de functie van [verweerder] gemeen hebben dat zij zich richten op ‘het bewaken en verbeteren van productie- en bedrijfsprocessen, kwaliteitsborging, het analyseren van productiegegevens, het begeleiden en aansturen van medewerkers, het doorvoeren van proces- en kwaliteitsverbeteringen, het opstellen van rapportages en het verrichten van operationele werkzaamheden waar nodig’ is daartoe niet voldoende. Bovendien verhoudt dit zich niet met het extreme verschil in salaris dat [verweerder] ontvangt en de salarissen die horen bij de door [verweerder] genoemde, beweerdelijk uitwisselbare, functies. Polymount Sleeves heeft onbetwist gesteld dat [verweerder] en zijn broer samen ongeveer net zoveel verdienen als het overige personeel tezamen.

Herplaatsingsplicht – daar is niet aan voldaan

4.15.

Van een voldragen ontbindingsgrond is alleen dan sprake als herplaatsing in een passende functie, al dan niet na scholing, niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Op de werkgever rust ter zake de herplaatsing een inspanningsverplichting. In artikel 9 van de Ontslagregeling (Or) en de daarbij opgenomen toelichting is deze inspanningsplicht verder uitgewerkt.7 Als de onderneming van de werkgever deel uitmaakt van een groep, worden bij de beoordeling of een passende functie beschikbaar is mede arbeidsplaatsen in andere tot deze groep behorende ondernemingen betrokken. Van een passende functie is sprake wanneer deze aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van de werknemer. Met betrekking tot scholing geldt dat een werkgever niet verplicht kan worden om een werknemer te scholen als er geen zicht is op herplaatsing in een passende functie. Gelet op de systematiek van artikel 7:669 lid 1 BW moet de herplaatsingsplicht per individuele ontslaggrond beoordeeld worden.

4.16.

Partijen twisten over de vraag of Polymount Sleeves aan de op haar rustende herplaatsingsplicht heeft voldaan. Polymount Sleeves stelt aan haar herplaatsingsplicht voldaan te hebben, omdat in het gesprek van 9 september 2025 door haar advocaat aan [verweerder] is medegedeeld dat er geen herplaatsingsmogelijkheden zijn bij Polymount Sleeves en/of Polymount, hetgeen ook is vermeld in de schriftelijke bevestiging van dit gesprek. Polymount Sleeves stelt dat in redelijkheid van haar, gelet op de onmogelijkheden binnen de relatief kleine organisatie van Polymount Sleeves en haar zusterbedrijf Polymount, niet meer verlangd kon worden, althans dat herplaatsing niet in de rede ligt. Er zijn geen vacatures geweest en er worden geen vacatures verwacht. Bovendien zijn de functies die Polymount Sleeves en Polymount nog hebben überhaupt niet passend voor [verweerder] .

[verweerder] betwist dat Polymount Sleeves aan haar herplaatsingsplicht heeft voldaan en dat herplaatsing niet in de rede lag. [verweerder] heeft ter onderbouwing bij verweerschrift een transcriptie van het gesprek dat op 9 september 2025 met de advocaat van Polymount Sleeves heeft plaatsgevonden in het geding gebracht. [verweerder] wijst erop dat daaruit blijkt dat er in dat gesprek niet over herplaatsing is gesproken. [verweerder] merkt in dit verband op dat Polymount Sleeves door bij het UWV maar ook in de onderhavige procedure te stellen dat wel over herplaatsing is gesproken, zij niet heeft voldaan aan de waarheidsplicht van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

4.17.

De kantonrechter stelt voorop dat, op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv, op Polymount Sleeves de stelplicht, en zo nodig de bewijslast, rust van het bestaan van een redelijke grond voor ontslag. Dat betekent dat zij ook moet stellen, en bij betwisting, moet bewijzen dat zij aan haar herplaatsingsverplichting heeft voldaan en er geen herplaatsingsmogelijkheden zijn. Bij dat laatste dient Polymount Sleeves in te gaan zowel op arbeidsplaatsen waarvoor een vacature bestaat of binnen de redelijke termijn wordt verwacht, als arbeidsplaatsen waarop ‘andere categorieën werknemers’ werkzaam zijn. De lat om aan de herplaatsingsplicht te voldoen ligt in het algemeen hoog en die moet op het individu zijn toegespitst. Anderzijds is de herplaatsingsplicht geen resultaatsverbintenis, maar een verplichting van de werkgever om te doen wat in de gegeven omstandigheden van het geval van hem kan worden gevergd. Daarbij kunnen ook redelijkheidsargumenten een rol spelen, oftewel de vraag wat in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd.8

4.18.

De kantonrechter is van oordeel dat Polymount Sleeves niet aan haar herplaatsingsverplichting heeft voldaan. Weliswaar staat in de brief ter bevestiging van het gesprek dat op 9 september 2025 heeft plaatsgevonden vermeld dat de advocaat van Polymount Sleeves met [verweerder] heeft gesproken over (het ontbreken van) herplaatsingsmogelijkheden en is dat ook in ontslagprocedure bij het UWV door Polymount Sleeves herhaald, maar [verweerder] heeft de juistheid van die stelling onder verwijzing naar het transcript van dit gesprek gemotiveerd betwist. Polymount Sleeves heeft daarop tijdens de mondelinge behandeling niet meer gereageerd en evenmin gespecificeerd bewijs ter zake aangeboden. Het dient er gelet op de gemotiveerde betwisting door [verweerder] derhalve voor te worden gehouden dat Polymount Sleeves de (on)mogelijkheden van herplaatsing niet met [verweerder] heeft besproken. Of Polymount Sleeves de waarheidsplicht heeft geschonden door zowel in de UWV-procedure als de onderhavige procedure te stellen dat op 9 september 2025 over herplaatsing is gesproken, terwijl zulks naar nu moet worden aangenomen niet het geval was, laat de kantonrechter in het midden. Wel is de kantonrechter van oordeel dat in deze procedure niet is komen vast te staan en dat Polymount Sleeves zich voldoende heeft ingespannen in het kader van de herplaatsingsplicht.

4.19.

Nu Polymount Sleeves niet aan haar herplaatsingsplicht heeft voldaan is er geen voldragen ontslaggrond waar het gaat om de primair aangevoerde bedrijfseconomische omstandigheden. Tegen de achtergrond dat de herplaatsingsplicht beoordeeld moet worden per individuele ontbindingsgrond, is de kantonrechter van oordeel dat de stelling van Polymount Sleeves dat herplaatsing wegens verval van de functie om bedrijfseconomische redenen niet in de rede lag, moet worden verworpen. Dit omdat dit niet dan wel onvoldoende is onderbouwd waarom herplaatsing in dat geval niet in de rede zou liggen.

De conclusie is dat voor zover ontbinding op de a-grond is verzocht, dit verzoek wordt afgewezen.

Verstoorde arbeidsrelatie (g-grond)

4.20.

[verweerder] heeft bij verweerschrift verzocht de ontbinding toe te wijzen, naar de kantonrechter heeft begrepen en zoals ook ter zitting is besproken, op de g-grond. Gebleken is dat beide partijen van mening zijn dat de arbeidsrelatie inmiddels ernstig en duurzaam is verstoord, zodat een vruchtbare samenwerking en voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet meer denkbaar is. Voor zover [verweerder] in het verweerschrift (ook) nog heeft opgemerkt dat er geen voldragen g-grond is wordt daaraan voorbij gegaan. Dat standpunt verenigt zich niet met de gevraagde toewijzing van het ontbindingsverzoek op de g-grond.

Gelet op de ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie en de beperkte omvang van het bedrijf van Polymount Sleeves en de aan haar verbonden vennootschappen,9 waardoor [verweerder] en de eigenaar/bestuurder van Polymount Sleeves elkaar nagenoeg dagelijks zullen tegenkomen bij herplaatsing, ligt herplaatsing, in geval van ontbinding op de g-grond, niet in de rede. Derhalve is sprake van een voldragen grond om tot ontbinding over te gaan.

In dit verband wordt nog overwogen dat het opzegverbod tijdens ziekte niet aan de ontbinding in de weg staat. Polymount Sleeves heeft onbetwist gesteld dat de ontstane verstoring geen verband houdt met de ziekte. Ten overvloede wordt in dit verband nog overwogen dat er reeds voor de ziekmelding sprake was een (in enige mate) verstoorde arbeidsrelatie, hetgeen genoegzaam blijkt uit de omstandigheid dat [verweerder] al lang daarvoor alle gesprekken met [bestuurder] heimelijk heeft opgenomen. In een goede arbeidsrelatie doet een werknemer dat niet. De verstoring is ernstig en duurzaam geworden door (de wijze van) het aanzeggen van het (bedrijfseconomisch)ontslag, de onmiddellijke vrijstelling van werk, het laten verlopen van de contacten via de advocaat van Polymount Sleeves en de gevoerde procedure bij het UWV en vervolgens de onderhavige procedure.

4.21.

De conclusie is dan ook dat de kantonrechter het subsidiaire verzoek van Polymount Sleeves tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens en ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie zal toewijzen.

De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 1 oktober 2026.

4.22.

De arbeidsovereenkomst wordt, rekening houdend met de opzegtermijn van en onder aftrek van de proceduretijd,10 ontbonden met ingang van 1 oktober 2026. Nu, zoals hierna zal blijken, de kantonrechter van oordeel is dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Polymount Sleeves is er geen reden om de proceduretijd niet in mindering te brengen en op een langere termijn te ontbinden.

4.23.

Polymount Sleeves hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden (zie r.o. 5.6).

4.24.

De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard en de uitkomst van de zaak daartoe aanleiding geeft.

5 De beoordeling van het tegenverzoek

5.1.

De door [verweerder] ingestelde tegenverzoeken worden hierna beoordeeld. Het door [verweerder] voorwaardelijk ingestelde ontbindingsverzoek blijft onbesproken omdat de daarvoor geldende voorwaarde, met de toewijzing van het ontbindingsverzoek van Polymount Sleeves, niet in vervulling is gegaan.

Transitievergoeding

5.2.

Partijen zijn het erover eens dat [verweerder] recht heeft op de wettelijke transitievergoeding. Zij zijn het echter niet eens over de hoogte daarvan.

5.3.

[verweerder] stelt dat moet worden uitgegaan van een indiensttredingsdatum van 16 april 2007 omdat sprake is van opvolgend werkgeverschap. Volgens [verweerder] is hij op 16 april 2007 in dienst getreden van Polymount International. Daarna is hij per 1 maart 2018 op initiatief en uitdrukkelijk verzoek van [bestuurder] overgegaan van Polymount International naar [firma] . Deze overgang hield verband met de overdracht van de betreffende activiteiten van Polymount International naar [firma] . [bestuurder] was op dat moment zelf eveneens werkzaam bij [firma] , zodat [verweerder] daar feitelijk onder dezelfde leiding en aansturing werkzaam bleef. [verweerder] bleef dezelfde werkzaamheden verrichten binnen dezelfde activiteiten en vervulde bij [firma] dezelfde functie als daarvoor bij Polymount International. De overgang had volgens [verweerder] uitsluitend betrekking op de formele werkgever en niet op de aard van de werkzaamheden of de dagelijkse aansturing. Vervolgens is [verweerder] op 1 januari 2020, wederom op initiatief van [bestuurder] , in dienst getreden bij Polymount B.V., in verband met de nieuw op te starten sleeves onderneming. Ook bij deze overgang behield [verweerder] dezelfde werkzaamheden. Gelet op deze opeenvolgende overgangen, waarbij [verweerder] steeds dezelfde werkzaamheden bleef verrichten, is sprake van opvolgend werkgeverschap in de zin van artikel 7:668a lid 2 BW, zodat 16 april 2007 als indiensttredingsdatum van [verweerder] moet worden aangehouden, in plaats van

1 januari 2020, aldus nog steeds [verweerder] .

5.4.

Polymount Sleeves betwist dat sprake is van opvolgend werkgeverschap. Zij heeft aangevoerd dat [verweerder] in 2018 met de verkoop van de sleeves activiteiten van Polymount International is overgegaan naar [firma] . Volgens Polymount Sleeves is [verweerder] bij [firma] werkzaam geweest in de Twinlock Business. Onderdeel van die verkoop was ook de TAM business. In januari 2020 heeft Polymount deze TAM business weer overgenomen van [firma] . Polymount Sleeves is, onder andere met [verweerder] , opnieuw gestart met de sleeves activiteiten. Deze activiteiten of werkzaamheden zijn niet overgenomen van [firma] . Om die reden kan volgens Polymount Sleeves geen sprake zijn van opvolgend werkgeverschap. Dit betekent dat voor wat betreft de startdatum van het dienstverband moet worden uitgegaan van 1 januari 2020.

5.5.

De kantonrechter oordeelt ter zake als volgt. Bij de berekening van de transitievergoeding worden arbeidsovereenkomsten tussen dezelfde partijen, die elkaar met tussenpozen van ten hoogste zes maanden hebben opgevolgd, samengeteld. Deze samentelling is ook van toepassing als de werknemer achtereenvolgens in dienst is geweest bij verschillende werkgevers die, ongeacht of inzicht bestaat in de hoedanigheid en geschiktheid van de werknemer, ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn.11 De bedoeling van de wetgever is dat werkgevers ten aanzien van de verrichte arbeid als elkaars opvolger moeten worden gezien, als de werknemer bij de opvolgende werkgevers dezelfde of vergelijkbare werkzaamheden verricht.12 Gelet op de wetsgeschiedenis is alleen beoogd om opvolgend werkgeverschap aan te nemen als de aanleiding voor het overgaan naar een nieuwe werkgever is gelegen bij de werkgever. Dat doet zich voor als de overgang van de ene naar de andere werkgever het gevolg is van een situatie die voortvloeit uit het handelen van één of beide werkgevers, of als de aanleiding voor de overgang van de ene naar de andere werkgever is ingegeven door een organisatorische of andere wijziging die zich bij een van de werkgevers voordeed. Daarbij is in de wetsgeschiedenis opgemerkt dat het gaat om de specifieke situatie waarin voorop staat dat het werk overgaat naar een andere werkgever en de werknemer het werk volgt, waarbij als voorbeeld is genoemd het geval waarin een werknemer eerst als uitzendkracht voor een inlener werkt, om vervolgens bij de inlener in dienst te treden.13 Van opvolgend werkgeverschap is derhalve geen sprake als de werknemer op eigen initiatief dezelfde arbeid bij een nieuwe werkgever gaat verrichten, of als een werknemer vrijwillig besluit de arbeidsovereenkomst met een werkgever op te zeggen om een arbeidsovereenkomst met een andere werkgever aan te gaan. De aanleiding voor het overgaan naar een nieuwe werkgever is dan niet gelegen bij een van de werkgevers.

5.6.

Van die laatste situatie is in de onderhavige zaak sprake. Hoewel [bestuurder] [verweerder] heeft benaderd om vanuit [firma] weer in dienst te treden bij Polymount B.V., heeft [verweerder] vervolgens op zijn eigen initiatief de arbeidsovereenkomst met [firma] beëindigd. Evenmin is sprake van een situatie waarbij werkzaamheden vanuit [firma] zijn overgedragen naar Polymount B.V. en dat [verweerder] deze werkzaamheden heeft ‘gevolgd’. De werkzaamheden zijn immers bij [firma] gebleven én Polymount B.V. en later Polymount Sleeves is vervolgens vergelijkbare werkzaamheden gaan verrichten. Van opvolgend werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:668a lid 1 jo. lid 2 BW is dan ook geen sprake. Dat betekent dat voor de berekening van de transitievergoeding moet worden uitgegaan van een ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst van 1 januari 2020. Uitgaande van een bruto maandsalaris, inclusief vakantietoeslag van € 10.126,07, bedraagt de transitievergoeding € 23.074,18 bruto. Het verzoek om Polymount Sleeves te veroordelen tot betaling van deze transitievergoeding wordt daarom toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 november 2026.

Geen billijke vergoeding – geen ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Polymount Sleeves

5.7.

[verweerder] heeft verzocht om Polymount Sleeves te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 866.574,64 bruto, althans een door de kantonrechter vast te stellen bedrag. Voor het toekennen van een billijke vergoeding is alleen dan plaats als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, in dit geval Polymount Sleeves. Daarom moet eerst beoordeeld worden of de ontbinding op de g-grond het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Polymount Sleeves. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij heeft te gelden dat voor het aannemen van dergelijke ernstig verwijtbaar handelen of nalaten de lat hoog ligt. De kantonrechter oordeelt dat die lat niet gehaald wordt en van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Polymount Sleeves geen sprake is en zal daarom het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding afwijzen. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

5.8.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier, naar het oordeel van de kantonrechter, niet voor. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.9.

Zoals hiervoor al is overwogen, was de arbeidsverhouding was (al in enige mate) verstoord voor het aanvragen van de ontslagvergunning door Polymount Sleeves bij het UWV, hetgeen onder meer blijkt uit de door [verweerder] heimelijk opgenomen gesprekken. Zoals hiervoor ook al is overwogen is de verdergaande verstoring van de arbeidsrelatie vooral het gevolg van (de wijze van het) aanzeggen van het bedrijfseconomisch ontslag. Daarbij wordt vooropgesteld dat het Polymount Sleeves natuurlijk vrij stond om een ontslagvergunning aan te vragen. Voor zover [verweerder] daarover verbolgen is en dat mede tot een verdergaande verstoring heeft geleid, kan dat Polymount Sleeves niet worden aangerekend. Dat geldt ook voor het indienen van het onderhavige ontbindingsverzoek.

De arbeidsrelatie is (verder) verstoord door de omstandigheid dat [bestuurder] de ontslagaanzegging heeft overgelaten aan zijn advocaat, daar zelf niet bij aanwezig was, de onmiddellijke vrijstelling van werk onder inlevering door [verweerder] van alle bedrijfseigendommen en het laten verlopen van alle contacten via de advocaten. Zoals de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling al heeft gezegd, had [bestuurder] bij het gesprek op 9 september 2025 aanwezig moeten zijn. De ontslagaanzegging kwam voor [verweerder] , begrijpelijk, als een donderslag bij heldere hemel, zeker omdat ten tijde van de verandering van de functiebenaming in 2024 door [verweerder] nog gevraagd is naar het toekomstperspectief en toen is verzekerd dat er geen veranderingen werden verwacht. Daarnaast verdient de onmiddellijke vrijstelling van werk, het moeten inleveren van alle spullen en het onder begeleiding moeten verlaten van het bedrijfspand zeker niet de schoonheidsprijs. Kort en goed, niet het aanzeggen van het ontslag, maar de wijze waarop dit is gebeurd kan Polymount Sleeves aangerekend worden. Dat levert evenwel, anders dan [verweerder] stelt, geen ernstig verwijtbaar handelen of nalaten op van Polymount Sleeves. Dat wordt ook niet anders doordat Polymount Sleeves na de afwijzing van het UWV geen contact met [verweerder] heeft opgenomen en niet heeft onderzocht of hij toch kon terugkeren. [verweerder] heeft in dat verband, ter onderbouwing van zijn standpunt dat wel van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Polymount Sleeves sprake is geweest, verwezen naar een uitspraak van het gerechtshof Den Bosch.14 Daargelaten dat de casus in die zaak niet één op één vergelijkbaar is met de onderhavige zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het Polymount Sleeves gewoon was toegestaan de in de wet neergelegde route te kiezen, door na de afwijzing door het UWV te volharden in de wens te komen tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst op grond van bedrijfseconomische omstandigheden en daartoe een verzoek bij de kantonrechter in te dienen. Zij was geenszins gehouden daarvan af te zien, te onderzoeken of [verweerder] alsnog weer aan het werk kon of daar met hem over in gesprek te gaan. Tegen die achtergrond kon van Polymount Sleeves ook niet verwacht worden dat een mediationtraject zou worden ingezet (mede) gericht op terugkeer naar de werkvloer. Dat zou de bedrijfseconomische ingreep die zij wilde doorvoeren immers volledig tenietdoen. Tegen die achtergrond is derhalve, anders dan [verweerder] heeft aangevoerd, het door Polymount Sleevs enkel willen inzetten van mediation om tot een beëindiging te komen niet ernstig verwijtbaar.

Het voorgaande laat wel onverlet dat het (veel) beter was geweest als [bestuurder] [verweerder] zelf had geïnformeerd over het indienen van het onderhavige verzoek bij de kantonrechter, ondanks dat partijen op dat moment al lange tijd enkel communiceerden via hun advocaten.

Tot slot mag niet onvermeld blijven dat, zoals inmiddels meermaals genoemd, de arbeidsrelatie voor 9 september 2025 ook al onder druk stond. De vele geluidsopnames die [verweerder] in de daaraan voorafgaande periode heimelijk heeft gemaakt van gesprekken met zijn werkgever, alsook van het gesprek van 9 september 2025, spreekt in dit verband boekdelen. De conclusie is derhalve dat, hoezeer het einde van de arbeidsovereenkomst voor [verweerder] grote gevolgen heeft, aan [verweerder] geen billijke vergoeding wordt toegekend omdat van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Polymount Sleeves niet is gebleken. Derhalve ontbreekt de grondslag voor toekenning van een billijke vergoeding.

Immateriële schadevergoeding

5.10.

De door [verweerder] verzochte immateriële schadevergoeding van € 10.000,00 wordt afgewezen. De door Polymount Sleeves verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt toegewezen, zodat de door haar gevraagde ontbinding in elk geval niet tot een schending van goed werkgeverschap kan leiden. Hoewel, zoals hiervoor al is overwogen, de handelwijze van Polymount Sleeves op 9 september 2025 niet de schoonheidsprijs verdient, vormt deze handelwijze geen reden een immateriële schadevergoeding toe te kennen. Hoewel goed voorstelbaar is dat de algehele situatie impact heeft op [verweerder] en zijn gezin, is niet aannemelijk geworden dat [verweerder] als gevolg daarvan zodanig psychisch leed heeft ondervonden dat er een juridische grondslag is die tot vergoeding van immateriële schade moet worden leiden.

Telefoonkostenvergoeding

5.11.

[verweerder] verzoekt Polymount Sleeves te veroordelen tot betaling van een netto telefoonkostenvergoeding van € 25,00 per maand te rekenen vanaf begin oktober 2025 tot aan de datum waarop een rechtsgeldig einde komt aan de arbeidsovereenkomst. Polymount Sleeves heeft dit verzoek niet weersproken, althans zij heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat zij dit bedrag maandelijks heeft uitbetaald. Volgens [verweerder] heeft betaling niet plaatsgevonden.

5.12.

Omdat uit de processtukken niet blijkt dat Polymount Sleeves de maandelijkse vergoeding aan [verweerder] daadwerkelijk heeft uitbetaald zal zij worden veroordeeld tot betaling daarvan voor zover de betalingen niet zijn verricht. Voor zover de betalingen niet (tijdig) zijn verricht, is Polymount Sleeves over deze bedragen de wettelijke rente verschuldigd te berekenen vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening.

Bonus/EBIT-regeling

5.13.

In artikel 7 van de arbeidsovereenkomst zijn partijen de volgende bonusregeling overeengekomen:

“Bonusplan van 5% berekend over de jaarwinst (EBIT) van Polymount Sleeves BV, waarbij in de bepaling van de hoogte van de EBIT wordt uitgegaan van een bestendige gedragslijn. De kosten die betrekking hebben op andere vestigingen en/of vennootschappen dan de Nederlandse vestiging (Polymount Sleeves BV) moeten buiten beschouwing worden gelaten. Werknemer [verweerder] heeft het recht om de aldus berekende jaarlijkse EBIT op eigen kosten te laten controleren door een accountant. Indien de controle leidt tot een aanpassing in positieve zin van de EBIT, dan zal Polymount Sleeves BV de betreffende accountantskosten voldoen.

- Bonusplan van 5% geldt alleen bij fulltime werkzaam dienstverband, bij parttime werkzaam naar ratio.

- aan de bonussen zitten geen restricties, uitkering van de bonus is aan het eind van Q1 van het volgende jaar.”

5.14.

De door [verweerder] verzochte verklaring voor recht dat Polymount Sleeves gehouden is de in artikel 7 van de arbeidsovereenkomst opgenomen bonusregeling uit te voeren overeenkomstig de tussen partijen overeengekomen uitgangspunten, zal worden toegewezen, met dien verstande dat, zoals bij de beoordeling van de a-grond al is geoordeeld, deze bepaling zo moet worden uitgelegd dat bij de berekening van de EBIT ten behoeve van de bonus Polymount Sleeves de beheerskosten/service fee, aan Polymount Sleeves mag doorbelasten. Deze beheerskosten zien immers alleen op de kosten van/voor Polymount Sleeves en behoren bij de sleeves organisatie.

5.15.

Het voorgaande oordeel brengt met zich dat het verzoek van [verweerder] om Polymount Sleeves te veroordelen tot betaling aan van de uit de accountantsanalyse volgende aanvullende bonusbedragen van € 179.660,00 bruto wordt afgewezen omdat uit de betreffende accountantsanalyse volgt dat bij de berekening van de bonusregeling juist geen rekening is gehouden met doorbelasting van de beheerskosten/service fees zodat geen grond bestaat voor toewijzing van een aanvullende bonusuitkering. Omdat dit verzoek hiermee samenhangt, volgt de door [verweerder] verzochte vergoeding van accountantskosten ditzelfde lot.

5.16.

De verzochte veroordeling van Polymount Sleeves om aan [verweerder] alle financiële informatie en bescheiden te verstrekken die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de controle en vaststelling van de aan [verweerder] toekomende bonus op grond van artikel 7 van de arbeidsovereenkomst, nadat de jaarrekening over het boekjaar 2025 respectievelijk het boekjaar 2026 is vastgesteld, dan wel de daarvoor benodigde financiële gegevens beschikbaar zijn gekomen, wordt wel toegewezen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan deze veroordeling een dwangsom te verbinden omdat niet gesteld of gebleken is dat het de verwachting is dat Polymount Sleeves niet vrijwillig aan deze veroordeling zal voldoen.

Leaseauto

5.17.

Het verzoek van [verweerder] om Polymoun Sleeves te veroordelen om gedurende de resterende duur van het dienstverband een gelijkwaardige leaseauto als contractueel overeengekomen ter beschikking te blijven stellen, althans aan [verweerder] een vervangende maandelijkse vergoeding te voldoen gelijk aan de waarde van deze arbeidsvoorwaarde, is door Polymount Sleeves verder niet weersproken. Dit verzoek wordt daarom toegewezen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan deze veroordeling een dwangsom te verbinden omdat niet gesteld of gebleken is dat het de verwachting is dat Polymount Sleeves niet vrijwillig aan deze veroordeling zal voldoen.

Verkoopbonus / 5%-afspraak

5.18.

Tussen partijen is niet in geschil dat de in artikel 8 van de arbeidsovereenkomst opgenomen regeling bij verkoop van Polymount Sleeves ook na het einde van de arbeidsovereenkomst onverkort van kracht blijft. De door [verweerder] verzochte verklaring voor recht is daarom toewijsbaar. De door [verweerder] verzochte veroordeling van Polymount Sleeves tot het verstrekken van alle informatie en bescheiden die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om de verschuldigdheid van de verkoopbonus vast te stellen wordt afgewezen bij gebrek aan belang. Immers, niet gesteld of gebleken is dat sprake is van een (al dan niet voornemen tot) verkoop van Polymount Sleeves.

Non-concurrentiebeding

5.19.

De door [verweerder] verzochte verklaring voor recht dat Polymount Sleeves geen rechten kan ontlenen aan het tussen partijen overeengekomen non-concurrentiebeding wordt toegewezen. Polymount Sleeves heeft tijdens de mondelinge behandeling toegezegd [verweerder] niet aan het non-concurrentiebeding te zullen houden.

Proceskosten

5.20.

[verweerder] heeft om vergoeding van de werkelijk door hem gemaakte advocaatkosten verzocht in plaats van het salaris gemachtigde volgens het liquidatietarief. De kantonrechter overweegt dat volgens vaste jurisprudentie een verzoek tot vergoeding van de werkelijke kosten van juridische bijstand alleen toewijsbaar is onder bijzondere omstandigheden. Van dergelijke bijzondere omstandigheden, zoals nodeloos veroorzaakte proceskosten, is in deze zaak niet gebleken. Dit verzoek van [verweerder] wordt dan ook afgewezen.

5.21.

De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard en de uitkomst van de zaak daartoe aanleiding geeft.

6 De beslissing

De kantonrechter

op het verzoek

6.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober 2026,

6.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad15,

6.4.

wijst het meer of anders verzochte af,

op het tegenverzoek

6.5.

veroordeelt Polymount Sleeves om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 23.074,18 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2026, tot aan de dag van de gehele betaling,

6.6.

veroordeelt Polymount Sleeves, enkel voor het geval zij niet aan deze verplichting heeft voldaan, tot betaling van een netto telefoonkostenvergoeding van € 25,00 per maand, te berekenen vanaf 1 oktober 2025 tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig wordt beëindigd, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf de dag van opeisbaarheid van de onderscheidenlijke bedragen, tot aan de dag van de gehele betaling,

6.7.

veroordeelt Polymount Sleeves om binnen veertien dagen nadat de jaarrekening over het boekjaar 2025 respectievelijk het boekjaar 2026 is vastgesteld, dan wel de daarvoor benodigde financiële gegevens beschikbaar zijn gekomen, aan [verweerder] alle financiële informatie en bescheiden te verstrekken die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de controle en vaststelling van de aan [verweerder] toekomende bonus op grond van artikel 7 van de arbeidsovereenkomst, waaronder in ieder geval de jaarrekening, winst- en verliesrekening, specificaties van de gehanteerde EBIT-berekening en de daarbij toegepaste doorbelastingen en kostenverdelingen, alsmede alle informatie die redelijkerwijs noodzakelijk is voor een accountantscontrole als bedoeld in artikel 7 van de arbeidsovereenkomst,

6.8.

veroordeelt Polymount Sleeves om gedurende de resterende duur van het dienstverband een gelijkwaardige leaseauto als contractueel overeengekomen ter beschikking te blijven stellen, althans aan [verweerder] een vervangende maandelijkse vergoeding te voldoen gelijk aan de waarde van deze arbeidsvoorwaarde,

6.9.

verklaart voor recht dat de in artikel 8 van de arbeidsovereenkomst opgenomen verkoopbonusregeling ook na beëindiging van de arbeidsovereenkomst onverkort van kracht blijft,

6.10.

verklaart voor recht dat Polymount Sleeves geen rechten kan ontlenen aan het non-concurrentiebeding,

6.11.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,

6.12.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

6.13.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.W. de Groot en in het openbaar uitgesproken op

25 augustus 2026.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

34124 / 498

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »