ECLI:NL:RBGEL:2026:6959

Datum uitspraak
17-07-2026
Instantie
Rechtbank Gelderland
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
K/5004/12299679
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kort geding. Intrekking voor zitting. Oordeel over proceskosten.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Nijmegen

Zaaknummer: 12299679 \ VV EXPL 26-53

Vonnis in kort geding van 17 juli 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

procederend in persoon,

tegen

PRANGER GERECHTSDEURWAARDERS B.V.,

mede handelend onder de naam AGIN PRANGER

te Assen,

gedaagde partij,

hierna te noemen: Agin Pranger,

gemachtigde: mr. C.J. Jansen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 6 juli 2026 met producties;

- de door [eiser] overgelegde e-mail aan Agin Pranger van 6 juli 2026;

- het intrekkingsbericht van [eiser] van 7 juli 2026;

- de brief van Agin Pranger van 8 juli 2026;

- de brief van [eiser] van 8 juli 2026 met producties;

- de brief van Agin Pranger van 10 juli 2026;

- de brief van [eiser] van 13 juli 2026.

1.2.

Beide partijen hebben verzocht om schriftelijke afdoening van het nog voorliggende geschil.

2 Het geschil en de beoordeling daarvan

2.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding een vordering ingesteld tegen de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat) en Agin Pranger. Agin Pranger was tevens de gemachtigde van de Staat. [eiser] heeft gevorderd, samengevat, het door Agin Pranger in opdracht van de Staat (het CJIB) gelegde loonbeslag op te heffen, dan wel te schorsen totdat de juiste beslagvrije voet is berekend en toegepast, dan wel te bepalen dat het beslag alleen met toepassing van de juiste beslagvrije voet mag worden voortgezet, met veroordeling van Agin Pranger tot mededeling aan de derde-beslagene van het oordeel en veroordeling van gedaagden tot terugbetaling van hetgeen ten onrechte is ingehouden en betaling van de proceskosten.

2.2.

Op dezelfde dag heeft [eiser] aan de Staat, via Agin Pranger, een voorstel gedaan ter voorkoming van het kort geding. [eiser] heeft een betalingsvoorstel gedaan, welk voorstel Agin Pranger, zo volgt uit de mail van 7 juli 2026 van de behandelaar bij het CJIB, aan de Staat heeft doorgeleid. Dit voorstel is geaccepteerd, waarna het kort geding is ingetrokken.

2.3.

Agin Pranger verzoekt [eiser] in de proces- en verletkosten te veroordelen. Volgens Agin Pranger was zij geen directe partij bij de schikking tussen [eiser] en de Staat. Zij is op verkorte termijn gedagvaard en heeft (dus) veel kosten moeten maken ter voorbereiding van de zitting en zij heeft omzetverlies geleden. Dat was onnodig omdat [eiser] de procedure heeft opgestart en vervolgens kort daarna heeft ingetrokken na een op eigen initiatief bereikte schikking.

2.4.

[eiser] heeft naar aanleiding daarvan verzocht Agin Pranger in de proceskosten te veroordelen. Volgens [eiser] is hij materieel de in het gelijk gestelde partij gezien de schikking, terwijl de aanleiding voor het geschil bij Agin Pranger lag. Bovendien moet [eiser] door het onderhavige verzoek van Agin Pranger griffierecht betalen, hetgeen onnodig was.

2.5.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Op grond van artikel 237 Rv wordt de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld in de kosten veroordeeld. Het is gezien de bereikte schikking niet evident wie in deze procedure als de in het ongelijk gestelde partij moet worden aangemerkt.

2.5.1.

Het is in elk geval niet zo dat op voorhand duidelijk is dat Agin Pranger nodeloos is gedagvaard. Tot haar richtten zich immers (mede) de vorderingen met betrekking tot de, volgens [eiser] onjuist vastgestelde, beslagvrije voet. Agin Pranger was daarmee zelf partij. Ook was Agin Pranger de gemachtigde van de Staat en (aanvankelijk) haar (enige) spreekbuis. Agin Pranger heeft alle correspondentie van [eiser] ontvangen en heeft het schikkingsvoorstel aan de Staat doorgeleid en later aan [eiser] bevestigd. Agin Pranger gaat de schikking (een betalingsregeling) ook feitelijk handhaven. Zij staat dus niet buiten de schikking zoals zij stelt. Evenmin is gesteld wat een met haarzelf getroffen schikking volgens Agin Pranger had moeten inhouden. Gesteld noch gebleken is daarbij dat het schikkingsvoorstel ook zou zijn geaccepteerd als niet eerst de procedure was aangebracht en om die reden nodeloos is gedagvaard.

2.5.2.

Evenmin is het zo dat [eiser] jegens Agin Pranger als de in het gelijk gestelde partij heeft te gelden. Dit volgt niet uit de bereikte schikking en andere argumenten zijn hiervoor niet gegeven.

2.6.

De kantonrechter beslist daarom tot compensatie van de proceskosten.

3. De beslissing

De kantonrechter

3.1.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op

17 juli 2026.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

560

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »