ECLI:NL:RBGEL:2026:4901

Datum uitspraak
12-03-2026
Instantie
Rechtbank Gelderland
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/05/462545
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Toewijzing zorgmachtiging. Eindbeschikking. Geen wilsbekwaam verzet. Verweer op diagnose en tweede medische verklaring. Rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Artikel 6:1 lid 5 Wvggz. Belang betrokkene is niet geschaad doordat de rechtbank geen psychiater heeft opgeroepen van het CWZ.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Arnhem

Zaaknummer: C/05/462545 / FA RK 26-355

Datum uitspraak: 12 maart 2026

Beschikking zorgmachtiging

op het verzoek van de officier van justitie voor

[naam betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] (Syrië),

hierna te noemen betrokkene,

wonend in [woonplaats] ,

advocaat mr. M.A. Smits uit Nijmegen.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • de beschikking van 20 februari 2026;

  • het bericht van de advocaat, ontvangen op 9 maart 2026;

  • het bericht van de officier van justitie van 10 maart 2026 met bijlagen; de spreekaantekeningen van mr. Smits met bijlage.

1.2.

Voor het eerdere verloop van deze procedure verwijst de rechtbank naar de beschikking van deze rechtbank van 20 februari 2026. In die beschikking heeft de rechtbank iedere beslissing op het verzoek van de officier van justitie aangehouden en de officier van justitie verzocht om een aanvullende medische verklaring van een onafhankelijk arts/klinisch psycholoog over te leggen waarin de vraag wordt beantwoord of betrokkene wilsbekwaam kan worden geacht ten aanzien van zijn verzet, van welke diagnose er sprake is en welke medicatie hiervoor noodzakelijk wordt geacht.

1.3.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Daarbij zijn gehoord:

  • betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;

  • dhr. [geneesheer-directeur] , als geneesheer-directeur verbonden aan Pro Persona;

  • mevr. [psychiater] , als psychiater FACT verbonden aan Pro Persona;

  • dhr. [verpleegkundige] als sociaal-psychiatrisch verpleegkundige verbonden aan Pro Persona;

  • mevr. J. Wassink, officier van justitie (via een telefoonverbinding).

2 Wat vaststaat

2.1.

De rechtbank heeft een machtiging verleend tot en met 25 februari 2026.

3 Het verzoek

3.1.

De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden. Subsidiair verzoekt de officier van justitie een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank verleent de gevraagde machtiging tot 20 februari 2027. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.

4.2.

Allereerst overweegt de rechtbank dat uit de tweede medische verklaring volgt dat betrokkene ten aanzien van de beslissing om medicatie te gebruiken voor een psychotische stoornis wilsonbekwaam is en dat dat wil zeggen dat hij niet kan overzien en begrijpen wat de gevolgen zijn voor zichzelf en anderen wanneer hij geen antipsychotische medicatie meer zou gebruiken.1 Daarmee stelt de rechtbank vast dat betrokkene niet tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is en dat niet wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een wilsbekwaam verzet.2

4.3.

De advocaat stelt zich tijdens de zitting op het standpunt dat het verzoek alsnog moet worden afgewezen. Zij stelt dat de symptomen in de tweede medische verklaring naar juridische maatstaven geen bewijs zijn van schizofrenie. De psychische symptomen dienen actueel te worden waargenomen, aldus de advocaat. Daarnaast stelt de advocaat dat de tweede medische verklaring naar wetenschappelijk en juridische maatstaven in dit geval niet voldoet. De nieuwe medische verklaring is geen contra-expertise ex artikel 6:1 lid 5 Wvggz. Daardoor wordt betrokkene in zijn belang getroffen nu de rechtbank niet op grond van artikel 6:1 lid 5 Wvggz een psychiater van het CWZ heeft opgeroepen.

Betrokkene stelt daarnaast dat de diagnose niet klopt. Hij is het er niet mee eens dat zijn medische geschiedenis steeds wordt herhaald en dat niet naar zijn huidige situatie wordt gekeken. Zelf is betrokkene van mening dat hij een angststoornis heeft en een depressie. Daarvoor kan hij andere medicatie krijgen waardoor hij minder last van bijwerkingen zou hebben.

4.4.

De rechtbank volgt het verweer van de advocaat en betrokkene niet. Zij overweegt hierover als volgt.

Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat met de term ‘psychische stoornis’ aansluiting is gezocht bij de classificatie van zogeheten Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM-IV).3 De wetgever heeft daarbij overwogen dat de enkele classificatie van een DSM-IV stoornis op zichzelf onvoldoende is om onder de reikwijdte van de Wvggz te vallen. Daarvoor is vereist dat de psychische stoornis dermate ernstige vormen aanneemt dat zij betrokkene zodanig in zijn greep heeft dat er ernstige schade dreigt te ontstaan voor hem of zijn omgeving.4 Betrokkene dient als het ware een willoos werktuig te zijn in handen van de stoornis. Bij een psychische stoornis wordt het vermogen tot denken, voelen, willen, oordeel en doelgericht handelen aangetast.5 Om van een psychische stoornis te spreken is niet vereist dat op elk moment het functioneren van de geestesvermogens wordt beïnvloed.6

De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Betrokkene heeft namelijk schizofrenie. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de door de onafhankelijk psychiater als medisch deskundige gestelde diagnose. Zowel de onafhankelijk psychiater die de eerste medische verklaring heeft opgesteld,7 als de onafhankelijk psychiater die de tweede medische verklaring - in opdracht van de rechtbank - heeft opgesteld,8 stellen schizofrenie vast. Daarnaast heeft de geneesheer-directeur toegelicht dat betrokkene inmiddels sinds 2023 door in totaal acht psychiaters van Pro Persona is gezien voor beoordelingen en dat zij allemaal psychotische symptomen hebben gezien. Daarnaast heeft betrokkene ook zeker drie verschillende behandelende psychiaters gehad. Geen van de medisch professionals heeft betrokkene anders gediagnosticeerd dan de diagnose die volgt uit de medische verklaring.

Het feit dat in beide medische verklaringen de diagnose mede met dossieronderzoek is vastgesteld en dat er weinig actuele symptomen zijn waargenomen, kan niet betekenen dat daaruit de conclusie volgt dat er geen sprake is van een stoornis. Zeker nu betrokkene juist depotmedicatie krijgt voor de behandeling van deze stoornis en de medicatie zorgt dat de symptomen van schizofrenie niet of in mindere mate aanwezig zijn. Bovendien is in het verleden meermaals gebleken dat de stoornis naar de voorgrond treedt en dat betrokkene ontregeld raakt zonder het gebruik van medicatie. Tijdens de zitting is toegelicht dat betrokkene vrij recent nog -in 2025- vier maanden lang geen medicatie heeft gebruikt, toen is ontregeld met ernstig nadeel tot gevolg en is opgenomen. Uit de eerste medische verklaring volgt daarnaast dat er ten tijde van die beoordeling sprake leek te zijn van paranoïdie.9

Verder heeft de psychiater tijdens de zitting toegelicht dat voor het stellen van een diagnose het medisch dossier nodig is. Zo is betrokkene ook bezig met het krijgen van een second opinion en behandeling vanuit UMC Utrecht. Daarvoor moet de psychiater toestemming hebben van betrokkene om het medisch dossier aan het UMC te verstrekken. Die toestemming heeft betrokkene tot op moment van de zitting nog niet gegeven.

4.5.

Ook het standpunt van de advocaat met betrekking tot artikel 6:1 lid 5 Wvggz volgt de rechtbank niet. Op grond van dit artikel kan de rechter een onderzoek door deskundigen bevelen en is zij bevoegd om deze of andere deskundigen alsmede getuigen op te roepen. De rechter roept de door betrokkene opgegeven deskundigen en getuigen op, tenzij zij van oordeel is dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat betrokkene door het achterwege blijven daarvan niet in zijn belangen wordt geschaad.

De rechtbank is van oordeel dat betrokkene niet in zijn belangen wordt geschaad doordat de rechtbank de psychiater van het CWZ niet heeft opgeroepen. De rechtbank constateert dat betrokkene na de beschikking van 20 februari 2026 is onderzocht door een onafhankelijk psychiater van Pro Persona. Hoewel de rechtbank in de beschikking van 20 februari 2026 heeft overwogen dat bij voorkeur een onafhankelijk psychiater van het CWZ de tweede medische verklaring opstelt, hebben de geneesheer-directeur en de officier van justitie tijdens de zitting voldoende toegelicht waarom dat niet is gelukt. Bovendien is ook met de onafhankelijk psychiater van Pro Persona voldaan aan het wettelijke vereiste. Het feit dat betrokkene het zelf niet eens is met zijn diagnose en dat hij een wantrouwen naar Pro Persona heeft ontwikkeld, maakt namelijk niet dat deze psychiaters niet meer te gelden hebben als onafhankelijke psychiaters in de zin van artikel 5:7 Wvggz. Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen is betrokkene vanaf 2023 door acht verschillende psychiater van Pro Persona onderzocht. Waarbij hij in het kader van het verzoek voor de huidige zorgmachtiging zelfs twee keer is onderzocht op korte termijn. De rechtbank acht het daarnaast niet aannemelijk dat betrokkene zijn diagnose schizofrenie wel accepteert als een psychiater van een andere organisatie deze stelt, nu betrokkene er volledig van is overtuigd dat hij onjuist is gediagnosticeerd en hij geen ziektebesef heeft.

4.6.

Gelet op al hetgeen voorgaand is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat voldoende vast is te komen staan dat er sprake is van een psychische stoornis in de zin van de Wvggz.

4.7.

Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:

- ernstig lichamelijk letsel;

- ernstige financiële schade;

- ernstige verwaarlozing;

- maatschappelijke teloorgang;

- het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag;

- gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.

4.8.

Uit de stukken volgt dat betrokkene meermaals psychotische episoden heeft meegemaakt. Tijdens een episode veroorzaakt betrokkene overlast doordat hij vanuit achterdocht en onrust een groot beroep doet op hulpverlenende instanties, waarbij hij een dwingende houding aanneemt. Dit volgt onder meer uit de politiemutaties die bij het verzoek zijn gevoegd. Ook verwaarloost betrokkene zichzelf en zijn omgeving tijdens een episode. Daarnaast doet hij onverantwoorde uitgaven waardoor hij schulden maakt.

4.9.

Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene zorg nodig.

4.10.

Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. Uit hetgeen de rechtbank in deze beschikking heeft overwogen, volgt voldoende dat betrokkene het niet eens is met zijn diagnose en zijn medicatie. Hij wil zijn medicatie niet innemen, terwijl hij zonder medicatie naar verwachting weer zal ontregelen en willoos werktuig van zijn stoornis wordt. Daarom is verplichte zorg nodig.

4.11.

De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, de visie van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat in ieder geval de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:

- het toedienen van medicatie;

- het verrichten van medische controles;

- het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;

- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen.

4.12.

Daarnaast acht de rechtbank ook de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk indien sprake is van decompensatie van het toestandsbeeld van betrokkene en/of het ernstig nadeel niet langer in het ambulante kader kan worden afgewend:

- het beperken van de bewegingsvrijheid;

- opnemen in een accommodatie.

4.13.

Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en zijn omgeving.

4.14.

De advocaat heeft verzocht om de zorgmachtiging niet voor de verzochte twaalf maanden te verlenen, maar voor zes maanden. Betrokkene wil namelijk bij UMC Utrecht een second opinion en behandeling vragen. Op die manier kan na zes maanden worden gekeken wat de stand van zaken is met dat traject. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de zorgmachtiging voor zes maanden te verlenen, omdat het juist van belang is dat in het traject bij het UMC, waar nu nog geen start mee is gemaakt en wat naar verwachting meerdere maanden zal duren, eerst stappen worden gemaakt.

De rechtbank ziet echter wel aanleiding om de zorgmachtiging in duur te bekorten en overweegt hiertoe als volgt. Op grond van artikel 6:6 lid 2 (Wvggz dient de officier van justitie uiterlijk vier werken voordat de geldigheidsduur van een zorgmachtiging is verstreken een nieuw verzoekschrift voor een zorgmachtiging in te dienen bij de rechtbank. In onderhavig geval expireerde de voorgaande zorgmachtiging op 25 februari 2026. Dat brengt met zich mee dat de officier van justitie uiterlijk op 28 januari 2026 een verzoekschrift voor een zorgmachtiging aansluitend op een zorgmachtiging had moeten indienen bij de rechtbank. De officier van justitie heeft dat echter pas op 2 februari 2026 gedaan. Daarbij komt dat het verzoek op 20 februari 2026 is aangehouden en nadien heeft de zitting plaatsgevonden op 12 maart 2026. De rechtbank ziet gelet daarop aanleiding om de zorgmachtiging te verlenen tot en met 20 februari 2027 (één jaar na de vorige zittingsdatum).

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verleent een zorgmachtiging voor:

- [naam betrokkene], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,

wat inhoudt dat de maatregelen die in 4.11. en 4.12. staan kunnen worden toegepast;

5.2.

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 20 februari 2027;

5.3.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026 door mr. R.M.H. Pennings, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M.A. Jans, griffier en op schrift gesteld op 26 maart 2026.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »