RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 12085023 \ VV EXPL 26-10
Vonnis in kort geding van 13 maart 2026
in de zaak van
de stichting,
STICHTING POMPESTICHTING,
gevestigd te Nijmegen,
eisende partij,
hierna te noemen: Pompestichting,
gemachtigde: mr. K.M.G. Verkleij,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding van 17 februari 2026 met producties 1 tot en met 14,
-
het tijdens de mondelinge behandeling van 10 maart 2026 verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De vordering
Pompestichting vordert, samengevat, veroordeling van [gedaagde] om binnen drie kalenderdagen na betekening van het vonnis de woning gelegen aan de [adres] in Nijmegen (hierna: het gehuurde) volledig te ontruimen en ontruimd te houden.
Ter zitting heeft Pompestichting de grondslag van haar vordering verminderd, in die zin dat de bij dagvaarding primair ingenomen grondslag dat de huurovereenkomst van rechtswege is beëindigd heeft ingetrokken. Aldus legt Pompestichting primair aan haar ontruimingsvordering ten grondslag dat [gedaagde] , gelet op de structurele overlast en het niet nakomen van zijn betalingsverplichtingen, tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst. Hierdoor is aannemelijk dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure zal worden ontbonden. Meer subsidiair legt Pompestichting aan haar vordering ten grondslag dat de huurovereenkomst is beëindigd door opzegging daarvan.
3 De beoordeling
Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen. [gedaagde] is niet ter zitting verschenen. Tegen [gedaagde] is daarom verstek verleend.
Het spoedeisend belang van de vordering vloeit voort uit de stellingen van Pompestichting.
De verstekverlening heeft tot gevolg dat binnen het bestek van dit kort geding dient te worden beoordeeld of de door Pompestichting ingestelde vorderingen de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomen (artikel 139 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). Bij deze beoordeling is van belang dat in dit kort geding slechts een voorlopig oordeel kan worden gegeven over de rechtsverhouding van partijen aan de hand van de toepasselijke materiële rechtsregels en na een afweging van de wederzijdse belangen. Het voorlopige oordeel in dit kort geding moet gebaseerd zijn op de ten tijde van de behandeling van het krot geding bekende feiten en omstandigheden. Voor nadere bewijslevering en onderzoek zoals in een bodemprocedure is in kort geding geen plaats. Bepalend is dus of feiten die relevant zijn voor de toewijsbaarheid van de vordering voldoende aannemelijk zijn geworden op grond van hetgeen, in dit geval Pompestichting, in deze kortgedingprocedure naar voren is gebracht.
De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
De vordering komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal op de wijze als bepaald in de beslissing worden toegewezen. Hiertoe overweegt de kantonrechter dat het overgelegde overlastdossier een zodanige ernst en omvang kent, dat voldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst tussen partijen zal worden ontbonden. Uit het overlastdossier blijkt namelijk ondubbelzinnig dat door of vanwege [gedaagde] ernstige overlast wordt veroorzaakt in en rondom het gehuurde. Die overlast is van dien aard en kent een zodanig intens karakter, dat een kortere ontruimingstermijn dan de gebruikelijke 14 dagen na betekening is aangewezen.
[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting Pompestichting worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
153,02 |
|
|
- griffierecht |
€ |
139,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
577,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.013,02 |
De door Pompestichting gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen op de in de beslissing genoemde manier.
De veroordeling in dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
4 De beslissing
De kantonrechter
rechtdoende als voorzieningenrechter
veroordeelt [gedaagde] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Pompestichting zijn, en de sleutels af te geven aan Pompestichting,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.013,02, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten genoemd onder rechtsoverweging 4.2. als deze niet binnen veertien dagen na dit vonnis aan Pompestichting zijn voldaan,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! |
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! |
|
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
68348 51588