beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Zutphen
Zaakgegevens: C/05/435235 / FZ RK 24-1069 C/05/440795 FZ RK 24-2172
Datum uitspraak: 26 maart 2025
beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen
in de zaak van
[de man] (hierna: de man),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. A. Oosterhuis-Boeve te Arnhem,
tegen
[de vrouw] (hierna: de vrouw),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. H.J. Scholten te Doetinchem.
1 Het verloop van de procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
-
het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 25 april 2024 ;
-
het exploot van betekening van 6 mei 2024;
-
het verweerschrift met zelfstandig verzoek, ingekomen bij de griffie op 12 juli 2024;
-
het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken, tevens wijziging c.q. aanvulling van verzoek, ingekomen bij de griffie op 9 augustus 2024;
-
het verweerschrift tegen het gewijzigd en aanvullend verzoek, ingekomen bij de griffie op 4 september 2024;
-
het verweerschrift tegen het verweer alimentatieverzoek, ingekomen bij de griffie op 4 oktober 2024;
-
het journaalbericht van mr. Scholten met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 30 januari 2025;
-
het journaalbericht van mr. Scholten met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 30 januari 2025;
-
het journaalbericht van mr. Oosterhuis-Boeve met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 31 januari 2025;
-
het journaalbericht van mr. Oosterhuis-Boeve met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 7 februari 2025;
De zaak is besproken op de zitting van 12 februari 2025 met gesloten deuren. Daarbij waren de beide partijen aanwezig, bijgestaan door hun advocaten.
2 De feiten
Partijen zijn op [datum] in de gemeente [plaats] met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen.
Partijen hebben staande het huwelijk op [datum] huwelijkse voorwaarden opgemaakt. In de huwelijkse voorwaarden is opgenomen dat de thans tussen hen bestaande wettelijke gemeenschap van goederen zal blijven bestaan.
Partijen zijn de ouders van de inmiddels meerderjarige kinderen:
-
[meerderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] , hierna: [meerderjarige 1] ,
-
[meerderjarige 2] , geboren [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] , hierna: [meerderjarige 2] ,
-
[meerderjarige 3] , geboren op [geboortedag] 2005 te [geboorteplaats] , hierna: [meerderjarige 3] .
3 Wat ligt voor?
De man verzoekt bij beschikking, na wijziging en aanvulling, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. tussen partijen, zo begrijpt de rechtbank op [datum] te [plaats] met elkaar gehuwd, de echtscheiding uit te spreken;
II. de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen vast te stellen zoals omschreven onder punt 9 tot en met 33, meer specifiek:
-
te bepalen dat partijen ieder voor de helft gerechtigd zijn tot de verkoopopbrengst van de echtelijke woning aan [adres] [woonplaats] , na aflossing van de op de woning rustende hypothecaire geldlening en aftrek van de gebruikelijke verkoopkosten;
-
te bepalen dat het huurrecht van de woning aan [adres] [woonplaats] aan de vrouw wordt toegekend, onder de verplichting om alle verplichtingen uit het huurcontract voor haar rekening te nemen;
-
te bepalen dat het huurrecht van de woning aan [adres] [woonplaats] aan de man wordt toegekend, onder de verplichting om alle verplichtingen uit het huurcontract voor zijn rekening te nemen;
-
de vakantiewoning in [plaats] plus inboedel voor een bedrag van € 168.255,61 aan de man toe te delen, onder de verplichting een bedrag van € 84.127,81 aan de vrouw te vergoeden;
-
te bepalen dat de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan overdracht van de vakantiewoning in [plaats] aan de man;
-
de man in de gelegenheid te stellen om zich binnen twee maanden nadat onherroepelijk over de verdeling van de huwelijksgemeenschap is beslist, uit te laten over de vraag of hij de vakantiewoning op [adres] toebedeeld wenst te krijgen voor een waarde van € 296.752,50, onder de verplichting een bedrag van € 148.376,25 aan de vrouw te voldoen, dan wel dat de woning verkocht moet worden aan een derde;
-
te bepalen dat beide partijen voor de helft draagplichtig zijn voor de kosten die verband houden met de vakantiewoning op [adres] tot het moment dat de woning is overgedragen aan de man, dan wel is verkocht aan een derde;
-
ten aanzien van de inboedel te bepalen dat de gouden ring van de moeder van de man aan de man wordt toebedeeld;
I. te bepalen dat de vrouw gehouden is een bedrag van € 4.375 aan de man te voldoen, uit hoofde van de afrekening met de kopers van de echtelijke woning;
te bepalen dat partijen - na verrekening van de door hun ontvangen schenkingen - ieder voor de helft gerechtigd zijn tot het saldo op de peildatum op de onder punt 22 genoemde bankrekeningen;
te bepalen dat de auto van het merk Land Rover type Defender met kenteken [kenteken] en de motor aan de man worden toebedeeld en de auto van het merk Fiat type Abarth met kenteken [kenteken] aan de vrouw wordt toebedeeld, waarbij de man na verrekening een bedrag van € 3.684 aan de vrouw is verschuldigd;
te bepalen dat de waarde van de aandelen op de peildatum moet worden vastgesteld tegen de intrinsieke waarde, rekening houdend met de latente belastingclaim;
te bepalen dat de man – desgewenst – gebruik mag maken van de betalingsregeling zoals is weergegeven in artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden;
te bepalen dat de vrouw mede draagplichtig is voor de belastingschulden over de huwelijkse periode en indien en voor zover de man meer dan de helft van deze schulden heeft voldaan, hij voor het meerdere een vordering heeft op de vrouw;
te bepalen dat de vrouw medewerking dient te verlenen aan levering van de aandelen aan de man bij de notaris;
te bepalen dat beide partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schulden zoals genoemd onder punt 32 van het verzoekschrift;
Kosten rechtens.
De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. tussen partijen, zo begrijpt de rechtbank op [datum] te [plaats] gehuwd, de echtscheiding uit te spreken;
II. te verstaan dat de echtelijke woning en daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening tussen partijen is verdeeld;
III. het verzoek van de man met betrekking tot het huurrecht van de woning van de man en de vrouw aan respectievelijk de man en de vrouw toe te kennen toe te wijzen;
IV. de vakantiewoning in [plaats] aan de man toe te delen tegen een waarde van € 260.000 onder uitkering van een bedrag van € 130.000 aan de vrouw;
V. het verzoek van de man om hem in de gelegenheid te stellen om zich binnen twee maanden nadat onherroepelijk over de verdeling van de huwelijksgemeenschap is beslist, uit te laten over de vraag of hij de vakantiewoning in [plaats] toebedeeld wenst te krijgen, dan wel moet worden verkocht, toe te wijzen, zij het tegen een nader te taxateren en bepalen waarde van die woning;
VI. te bepalen dat de ontvangen en nog te ontvangen huurpenningen van de vakantiewoning te [plaats] tot en met de levering van deze woning aan een derde tussen partijen gelijkelijk worden gedeeld;
VII. het verzoek van de man onder II. G. toe te wijzen en te bepalen dat de man een gedetailleerd en onderbouwd overzicht van de kosten en de noodzaak daarvan dient te verschaffen, waarbij uitsluitend noodzakelijke kosten voor verrekening in aanmerking komen;
VIII. het aanvullende/gewijzigde verzoek van de man onder II. I. toe te wijzen, onder verrekening van het door de man voor de laadpaal ontvangen bedrag;
IX. te bepalen dat ieder van partijen gerechtigd is tot de helft van de banksaldi van alle bankrekeningen, waaronder ook de crypto-rekening;
X. te bepalen dat de Landrover Defender met kenteken [kenteken] tegen een waarde van € 65.000 aan de man wordt toebedeeld, onder uitkering van de helft van deze waarde aan de vrouw, de motor tegen een waarde van € 20.000,00 aan de man wordt toebedeeld, onder uitkering van de helft van deze waarde aan de vrouw en de Fiat Abarth met kenteken [kenteken] aan de vrouw wordt toebedeeld tegen een waarde van € 15.266, onder uitkering van de helft van die waarde aan de man;
XI. te bepalen dat de waarde van de aandelen [bedrijf] B.V. bindend moeten worden gewaardeerd door een onafhankelijke Registervaluator (met RA-titel), waarna de aandelen aan de man kunnen worden toebedeeld, onder uitkering van de helft van de waarde ervan aan de vrouw;
XII. de overige aanvullende/gewijzigde verzoeken van de man af te wijzen;
en bij wijze van zelfstandig verzoek:
XIII. de door de man te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw te bepalen op € 3.569 bruto per maand, dan wel op zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van de beoordeling van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Echtscheiding
Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan, spreekt de rechtbank de echtscheiding uit.
De partneralimentatie
ingangsdatum
De partneralimentatie kan volgens de wet niet eerder ingaan dan het moment dat de echtscheiding definitief is. Dat is het geval als de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (bij de gemeente).
huwelijksgerelateerde behoefte
Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen. Dat wordt de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de vrouw moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de vrouw daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd.
Voor de vaststelling van die huwelijksgerelateerde behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de ‘hofnorm’. Die hofnorm neemt het gezinsinkomen van toen partijen nog bij elkaar waren als uitgangspunt, verminderd met de kosten van de kinderen. De gedachte is dat partijen gewend waren om daar met zijn tweeën van te leven. Dat betekent dat ieder van hen de helft van dat inkomen nodig heeft om de uitgaven te blijven doen, zoals diegene gewend was tijdens het huwelijk. Maar beide partijen hebben na de scheiding meer geld nodig, omdat het leven voor alleenstaanden nu eenmaal duurder is dan voor gehuwden. Zij kunnen kosten niet meer met een ander delen en daarom gaat de hofnorm ervan uit dat de behoefte 60% van het gezinsinkomen is.
De man kan alleen instemmen met toepassing van de hofnorm als, zo begrijpt de rechtbank, geen rekening wordt gehouden met dividenduitkeringen. Omdat in zijn visie door het gezin nooit is geleefd van dividenduitkeringen. De rechtbank overweegt dat het al dan niet meenemen van dividenduitkeringen bij de bepaling van de huwelijksgerelateerde behoefte toepassing van de hofnorm niet uitsluit. De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw dan ook vaststellen aan de hand van de hofnorm, omdat de man de toepassing van de hofnorm onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken.
De rechtbank moet eerst vaststellen wat partijen te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. Partijen zijn het erover eens dat hiervoor kan worden aangesloten bij de inkomensgegevens over 2023. Voor de volledigheid merkt de rechtbank nog op dat de man weliswaar in augustus 2023 de echtelijke woning heeft verlaten, maar tot december 2023 kennelijk nog gebruik werd gemaakt van een gezamenlijke rekening en in zoverre nog sprake was van financiële verwevenheid.
Het inkomen van de vrouw bedroeg in 2023 € 11.028 per jaar. Dat volgt uit de jaaropgave van de vrouw over 2023. Partijen berekenen beiden het NBI van de vrouw op
€ 919 per maand.
Tussen partijen is niet in geschil dat het (DGA-)inkomen van de man in 2023 € 78.452 per jaar bedroeg. Dat volgt ook uit de jaaropgave van de man over 2023. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of naast dit inkomen ook de dividenduitkeringen van de onderneming aan de man moeten worden meegenomen. De rechtbank overweegt daarover als volgt. Uit de overgelegde jaarrekeningen van [bedrijf] B.V. volgt dat de man in ieder geval in de jaren 2019, 2020, 2022 en 2023 dividend heeft uitgekeerd. Dat er geen sprake zou zijn van structurele dividenduitkeringen en dat deze enkel mogelijk waren vanwege de COVID-subsidies volgt de rechtbank daarom niet. Vervolgens dient de rechtbank, zoals ook hiervoor onder 4.3. is overwogen, bij het berekenen van de behoefte te bepalen welk bedrag nodig is voor de kosten van levensonderhoud, aansluitend op de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Dit betekent dat beoordeeld moet worden in hoeverre het gezin heeft geprofiteerd van enig inkomen uit dividend, en dus niet (zoals de man heeft aangevoerd) enkel in hoeverre dividenduitkeringen zijn besteed aan de kosten van de huishouding.1
Niet in geschil is dat de dividenduitkeringen onder meer zijn aangewend om de vakantiehuizen en de voertuigen van partijen te financieren. Ook is de opsomming van netto dividenduitkeringen tot en met 31 juli 2023, die als bijlage aan de jaarrekening van 2021 is gehecht, niet door de man bestreden. De rechtbank is van oordeel dat zowel de aanschaf van de vakantiewoningen en de voertuigen als de overige uitgaven die in de bijlage bij de jaarrekening worden opgesomd hebben bijgedragen aan de huwelijkse welstand van partijen, dat partijen hiervan, direct dan wel indirect, hebben geprofiteerd en de dividenduitkeringen dienen te worden meegenomen bij de berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte. Partijen hebben hier immers in privé van kunnen profiteren. Door de dividenduitkeringen aan te wenden voor bijvoorbeeld de aanschaf van een vakantiewoning hielden partijen (door besparing op vakanties naar andere plekken) bovendien meer inkomen over om te besteden aan andere zaken. Dat geen rekening moet worden gehouden met de dividenduitkeringen omdat daarmee de rekeningcourantschuld zou zijn afgelost, volgt de rechtbank evenmin. Een rekeningcourantschuld ontstaat immers wanneer vanuit de B.V. geld wordt geleend voor privéuitgaven van partijen. Dit heeft (indirect) effect gehad op de mate van welstand tijdens het huwelijk en het geld dat partijen te besteden hadden. Bovendien stelt de rechtbank vast dat de dividenduitkeringen nagenoeg ieder jaar structureel hoger zijn dan de hoogte van rekeningcourant schuld in [bedrijf] B.V. In zoverre is de stelling van de man op dit punt onnavolgbaar.
Op basis van de overgelegde jaarrekeningen van 2020 tot en met 2023 stelt de rechtbank vast dat in die jaren de volgende dividenduitkeringen zijn gedaan:
-
in 2019: € 570.000;
-
in 2020: € 140.000;
-
in 2021: € 0;
-
in 2022: € 1.257.025;
-
in 2023: € 852.658;
Gelet op het gemiddelde van deze bedragen over vijf jaren en de opsomming van de bestedingen van de dividenduitkeringen tot en met juli 2023, komt de rechtbank het verzoek van de vrouw dat rekening moet worden gehouden met een dividenduitkering van € 500.000 per jaar niet onredelijk voor. De rechtbank zal daar vanuit gaan.
Rekening houdend met de dividenduitkeringen van € 500.000 per jaar kan het NBI van de man berekend worden op € 34.422 per maand.2
Verder zijn partijen het er niet over eens of voor het berekenen van het NBGI rekening moet worden gehouden met de kosten voor de kinderen van partijen. De man voert aan dat hij maandelijks in totaal € 870,18 betaalt voor de kinderen.
Uit de stukken en de toelichting van de man op de zitting is het de rechtbank gebleken dat de man in 2023 aan [meerderjarige 3] zakgeld van € 50 per maand gaf, die tot oktober 2023 nog minderjarig was. Nu dit werd besteed aan het minderjarig kind van partijen, vindt de rechtbank het redelijk om deze kosten in mindering te brengen op het gezinsinkomen van partijen. De man heeft ook aangevoerd dat hij kosten droeg voor de zorgverzekering van [meerderjarige 3] , maar omdat [meerderjarige 3] het grootste deel van 2023 nog minderjarig was en geen zorgkosten had, houdt de rechtbank hier geen rekening mee. Daarnaast heeft de man onbetwist gesteld dat hij bijdroeg in de kosten van de studentenkamer en studiekosten van [meerderjarige 2] . Nu deze kosten door de vrouw niet zijn betwist en op grond van de wet een onderhoudsverplichting bestaat voor [meerderjarige 2] tot het moment dat hij 21 jaar is, vindt de rechtbank het redelijk om deze onbetwiste kosten van afgerond € 6253 in mindering te brengen op het gezinsinkomen. [meerderjarige 1] was in 2023 echter al ouder dan 21 jaar. De rechtbank zal daarom ook geen rekening houden met de kosten die de man voor [meerderjarige 1] heeft betaald. Van een verlengde onderhoudsplicht waaraan [meerderjarige 1] derdenwerking kan ontlenen, is namelijk niet gebleken.
Het NGBI is dan afgerond € 34.666 per maand.4
Van dat inkomen heeft de vrouw volgens de hofnorm dus 60% nodig. Dat was € 20.800 netto per maand in 2023. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat nu € 23.525 netto per maand.5
Behoeftigheid
Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de vrouw redelijkerwijs in staat is om zelf dat bedrag (€ 23.525) te verdienen. Als de vrouw daar niet toe in staat is, dan is zij ‘behoeftig’.
Uit de salarisspecificaties van de vrouw over januari 2025 blijkt dat de vrouw € 2.272 bruto per maand verdient, op basis van een werkweek van 32 uur, verspreid over vijf werkdagen. De rechtbank houdt rekening met 8% vakantietoeslag, een pensioenpremie van
€ 57,67 per maand, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Het NBI van de vrouw is dan € 2.231 per maand.6
De rechtbank houdt geen rekening met een hogere verdiencapaciteit van de vrouw. Door de man is niet bestreden dat de vrouw tijdens het huwelijk nauwelijks (fulltime) heeft gewerkt en zij de zorg voor de kinderen op zich heeft genomen. Verder is door de vrouw onweersproken gesteld dat zij in het zicht van de echtscheiding zich ingespannen heeft om betaalde arbeid te verrichten. Zo werkte de vrouw eerst 24 uur per week bij een werkgever die uiteindelijk failliet is gegaan. Daarna is zij bij haar huidige werkgever in dienst getreden, eerst voor 20 uur per week en inmiddels voor 32 uur per week. Een 32-urige werkweek is het maximaal haalbare bij haar huidige werkgever. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw zich op dit moment voldoende heeft ingespannen om voldoende inkomen te genereren en haar verantwoordelijkheid heeft genomen om zoveel als mogelijk in haar eigen behoefte te voorzien. In het licht van de tot nu toe verrichte inspanningen van de vrouw, de echtscheidingsprocedure en de situatie zoals die was tijdens het huwelijk van partijen, vindt de rechtbank dat op dit moment niet van de vrouw kan worden gevergd elders een dienstverband voor 40 uur per week aan te gaan dan wel voor de overige 8 uur per week.
De rechtbank gaat ook niet mee in de stelling van de man dat de vrouw aanvullend inkomen kan genereren door in te teren op haar vermogen. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor het antwoord op de vraag of sprake is van behoeftigheid bij degene die vaststelling van een partneralimentatie verzoekt, niet alleen diens inkomen maar ook diens vermogen van belang is, zoals ook de financiële draagkracht van de alimentatieplichtige niet alleen door diens inkomen maar ook door diens vermogen wordt bepaald. Of van degene die vaststelling van een partneralimentatie verzoekt, kan worden gevergd dat hij inteert op zijn vermogen, hangt af van de omstandigheden van het geval.7 De rechtbank overweegt dat de vrouw op dit moment echter niet beschikt over het volledige vermogen uit hoofde van de financiële afwikkeling van het huwelijk. Ook heeft de vrouw onbetwist gesteld dat zij al inteert op het vermogen dat zij uit hoofde van de verdeling van de voormalig echtelijke woning heeft verkregen. De jurisprudentie waar de man naar verwijst is niet vergelijkbaar met de situatie van de man en de vrouw, omdat in die zaken het bedrag dat de onderhoudsgerechtigde in het kader van de financiële afwikkeling van het huwelijk zou ontvangen niet door partijen werd bestreden, dan wel dat dit bedrag direct uit de huwelijkse voorwaarden voortvloeide. De rechtbank kan in onderhavig geval, waarin niet bekend is hoeveel vermogen de vrouw zal ontvangen uit de volledige afwikkeling van het huwelijk, niet vaststellen of, en in hoeverre, de vrouw met dat bedrag nog jarenlang een inkomen kan verwerven gelijk aan haar aanvullende behoefte. Om die reden slaagt het beroep van de man op deze jurisprudentie niet.
Als het inkomen van de vrouw in mindering wordt gebracht op voormelde huwelijksgerelateerde behoefte van € 23.525 netto per maand, resteert een aanvullende behoefte van € 21.294 netto per maand.8 Als de man partneralimentatie betaalt, dan moet de vrouw daarover nog belasting afdragen. Daarom bruteert de rechtbank voormeld netto bedrag tot € 42.093 per maand.9
draagkracht
Vervolgens onderzoekt de rechtbank in hoeverre de man die bijdrage kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ genoemd.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Verder rekent de rechtbank met een forfaitair bedrag aan vaste lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. Ook rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het NBI blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie. De formule wordt dan dus: 60% [NBI – (NBI X 0,3 + 1.310)].
Niet in geschil is dat de man in 2025 hetzelfde DGA-salaris genereert als in 2023 en 2024, te weten € 78.452 per jaar.
Partijen zijn het er echter niet over eens of daarnaast rekening moet worden gehouden met inkomen uit dividend, omdat dit samenhangt met de waardering en de verdeling van de aandelen van de man. Partijen hebben op de zitting met elkaar afspraken gemaakt over de verdere wijze van verdeling van de aandelen, zoals hierna onder ‘de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap’ nader is overwogen. De rechtbank kan niet vooruit lopen op de verdere afwikkeling hiervan en beschikt op dit moment niet over informatie over de waarderingsmethode die door de door partijen nog te benoemen deskundige zal worden gehanteerd. Ook heeft de rechtbank geen zicht op hoe lang de waardering van de aandelen bij de nog aan te wijzen deskundige zal gaan duren. De rechtbank zal daarom bij de berekening van de draagkracht van de man rekening houden met toekomstige dividenduitkeringen van
€ 500.000 per jaar, omdat dit tot nu toe een bestendige gedragslijn van de onderneming is geweest. Voor zover er bij de waardering en de verdeling van de aandelen van de man in de BV ook rekening wordt gehouden met toekomstige winstverwachtingen, is het vervolgens aan partijen om, al dan niet in onderling overleg, de partneralimentatie eventueel te wijzigen.
Rekening houdend met deze dividenduitkering berekent de rechtbank het NBI van de man op € 33.184 per maand.10
Partijen zijn het er niet over eens of bij het berekenen van de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met de kosten (€ 870,18) die hij betaalt voor de kinderen van partijen, die inmiddels alle drie meerderjarig zijn. In lijn met hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.12. heeft overwogen, ziet de rechtbank geen grond om voor de draagkracht van de man rekening te houden met de bijdragen van de man aan [meerderjarige 1] en [meerderjarige 2] , omdat zij inmiddels ouder zijn dan 21 jaar. Ten aanzien van [meerderjarige 3] acht de rechtbank het redelijk om rekening te houden met € 50 zakgeld per maand. De bijdrage in de zorgkosten van [meerderjarige 3] komt de rechtbank echter niet noodzakelijk voor, nu de vrouw onbetwist heeft gesteld dat [meerderjarige 3] zorgtoeslag ontvangt. De rechtbank zal daarom geen rekening houden met deze bijdrage van de man aan [meerderjarige 3] .
Rekening houdend met deze bijdrage van de man aan [meerderjarige 3] kan de draagkracht van de man berekend worden op € 13.121 per maand.
Als de man partneralimentatie betaalt, dan mag hij de betaalde partneralimentatie als aftrekpost opvoeren in de belastingaangifte. Daardoor betaalt de man minder belasting. Door dat belastingvoordeel kan de man meer partneralimentatie betalen. De rechtbank telt daarom dat belastingvoordeel op de draagkracht. Daarmee komt de draagkracht van de man dan op een bedrag van € 27.809 bruto per maand.
conclusie
Nog daargelaten dat de draagkracht van de man van € 27.809 bruto per maand onvoldoende is om te voorzien in de aanvullende behoefte van de vrouw van € 42.093 bruto per maand, is de rechtbank gebonden aan de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen. De rechtbank kan enkel kan beslissen binnen de bandbreedte van de verzoeken die door partijen aan de rechtbank zijn voorgelegd. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw toewijzen en bepalen dat de man met een bedrag van € 3.569 bruto per maand dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.
alimentatie vooruitbetalen
De man moet de partneralimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in de maand wordt betaald.
Huurrecht van de nieuwe woningen van partijen
Partijen zijn het erover eens dat de vrouw huurder zal zijn van de huurwoning aan [adres] [woonplaats] en de man huurder zal zijn van de huurwoning aan [adres] [woonplaats] . De rechtbank zal zo beslissen.
De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap
Partijen hebben op het moment van het aangaan van het huwelijk geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen en zij zijn vóór 1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat door het huwelijk van partijen op dat moment een wettelijke gemeenschap van goederen is ontstaan. Partijen hebben staande het huwelijk, te weten op 5 november 2012, huwelijkse voorwaarden opgemaakt, waarbij zij hebben bepaald dat tussen hen de wettelijke gemeenschap van goederen zal blijven bestaan, met uitzondering van goederen die nadien krachtens erfrecht en schenking zullen worden verkregen.
Peildatum
Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op [datum] ontbonden.11Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd).
De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van de feitelijke verdeling.
Naar voren gebrachte bestanddelen van het huwelijksvermogensregime
Partijen zijn het erover eens dat de volgende goederen en schulden tot de gemeenschap behoren:
-
de echtelijke woning van partijen aan [adres] te [woonplaats] en de daarop rustende hypothecaire geldleningen;
-
de vakantiewoning [adres] ;
-
de vakantiewoning met inboedel in [plaats] ;
-
huurpenningen van de vakantiewoning te [plaats] ;
-
de inboedel van de echtelijke woning van partijen;
-
het saldo op de gezamenlijke betaalrekening bij ABN AMRO met rekeningnummer [rekeningnummer] ;
-
het saldo op de gezamenlijke spaarrekening bij ABN AMRO met rekeningnummer [rekeningnummer] ;
-
et saldo op de betaalrekening bij ING op naam van de man met rekeningnummer [rekeningnummer] ;
-
het saldo op de betaalrekening bij Rabobank op naam van de vrouw met rekeningnummer [rekeningnummer] ;
-
de auto van het merk Fiat type Arbath;
-
de auto van het merk Landrover type Defender;
-
de motor;
-
de aandelen op naam van de man in de besloten vennootschap [bedrijf] B.V.;
-
diverse schulden.
Tussen partijen is in geschil of de volgende goederen en schulden aanwezig zijn en/of tot de gemeenschap behoren:
o. de cryptocurrency rekening op naam van de man;
De man heeft het (nog langer) bestaan van de cryptocurrency betwist. Door hem is aangevoerd dat hij in het verleden geld heeft overgemaakt aan de zoon van partijen om in cryptocurrency te kunnen beleggen, maar dat dit geld verloren is gegaan en de cryptocurrency rekening niet (meer) bestaat. Nu de vrouw haar stellingen over het nog bestaan van deze rekening niet nader heeft onderbouwd, gaat de rechtbank er vanuit dat er geen cryptocurrency rekening aanwezig is in de huwelijksgemeenschap van partijen. De rechtbank kan en hoeft hier dus geen beslissing over te nemen.
a) de echtelijke woning en de hypothecaire geldleningen
Partijen hebben de echtelijke woning op 3 juni 2024 verkocht en geleverd aan een derde en de overwaarde bij helfte gedeeld. Hiermee zijn de echtelijke woning en de daarop rustende hypothecaire geldleningen verdeeld. De rechtbank kan en hoeft hier dus geen beslissing meer over te nemen.
b en c) vakantiewoning [adres] en vakantiewoning in [plaats]
Partijen zijn het op de zitting erover eens geworden dat zij binnen een maand na de datum van de zitting gezamenlijk de vakantiewoningen te koop zullen aanbieden. Zij zijn contractueel verplicht om de vakantiewoning in [adres] eerst te koop aan te bieden aan Roompot. Voor de vakantiewoning in [plaats] zullen partijen samen een makelaar kiezen. Na verkoop zullen de verkoopopbrengsten bij helfte tussen partijen worden gedeeld. De rechtbank zal zo beslissen en een ‘spoorboekje’ opnemen voor de wijze van verdeling van de vakantiewoningen.
d) huurpenningen van de vakantiewoning te [plaats]
Partijen hebben tijdens de zitting met elkaar afgesproken dat het saldo van de bankrekening waarop de huurinkomsten van de verhuur van de vakantiewoning in [plaats] binnen komen bij helfte verdeeld zal worden op het moment dat de vakantiewoning verkocht wordt en de verhuur stopt. Hiermee zullen de huurpenningen dus al ieder voor de helft aan partijen toekomen. De rechtbank hoeft dus geen (verdere) beslissing te nemen over de huurpenningen en wijst om die reden het verzoek van de vrouw onder VI. af.
e) de inboedel van de echtelijke woning
Tijdens de zitting heeft de man ermee ingestemd dat de gouden ring, behorende tot de inboedel van de echtelijke woning, aan de vrouw kan worden toegedeeld zonder nadere verrekening. Partijen zijn het erover eens dat de inboedel voor het overige al is verdeeld. Ook staat niet ter discussie dat de vrouw nog € 4.375 aan de man moet vergoeden omdat de kopers van de echtelijke woning een deel van de inboedel hebben overgenomen en hiervoor aan de vrouw een vergoeding hebben betaald. De rechtbank zal het verzoek van de man op dat punt toewijzen.
Op de zitting heeft de vrouw haar verzoek om vergoeding van het bedrag dat de kopers aan de (B.V. van de) man hebben betaald voor de overname van de laadpaal ingetrokken. De rechtbank hoeft hier dus niet meer over te beslissen.
f tot en met i) bankrekeningen
Wat de bankrekeningen betreft, geldt het volgende. Een bankrekening met een positief saldo is in feite een vordering die partijen hebben op de bank (het geld wat je van de bank tegoed hebt). De waarde of omvang van die vordering is gelijk aan de hoogte van het saldo. Voor de vraag wat de omvang van de gemeenschap is en daarmee dus ook wat de omvang van deze vordering is, is het moment van ontbinding van de gemeenschap bepalend. Zoals hiervoor onder 4.33 is besproken, is dat [datum] . Ten aanzien van de gezamenlijke betaalrekening bij ABN AMRO eindigend op [rekeningnummer] zijn partijen overeengekomen dat een afwijkende peildatum geldt, omdat op deze rekening nog de huurpenningen van de vakantiewoning in [plaats] worden gestort. Voor de omvang van het saldo op die bankrekening is dus het saldo op de datum van de verkoop van die vakantiewoning bepalend.
Tussen partijen is niet in geschil dat het saldo op de gezamenlijke betaalrekening bij ABN AMRO eindigend op [rekeningnummer] op het moment dat de vakantiewoning in [plaats] wordt verkocht tussen partijen bij helfte wordt verdeeld, waarna de rekening kan worden opgeheven. Omdat dit saldo nog niet bekend is, zal de rechtbank de wijze van verdeling van dit saldo gelasten. Tussen partijen is ook niet in geschil dat het saldo op de peildatum van de gezamenlijke spaarrekening bij ABN AMRO eindigend op [rekeningnummer] , na verrekening van de door partijen ontvangen schenkingen (te weten het aan de man toekomende restant erfdeel van € 8.457 en het aan de vrouw toekomende restant erfdeel van € 4.385), bij helfte kan worden gedeeld, waarna de rekening kan worden opgeheven. De rechtbank zal zo beslissen. Het saldo op de peildatum van de betaalrekening bij ING op naam van de man eindigend op [rekeningnummer] zal worden toegedeeld aan de man, onder vergoeding van de helft daarvan ( 3.499,07 / 2 =) € 1.749,54 aan de vrouw.
Partijen zijn het niet eens over de verdeling van het saldo op de betaalrekening bij Rabobank op naam van de vrouw eindigend op 177. De vrouw heeft aangevoerd dat de man in februari 2023 een bedrag van € 100.000 aan haar heeft geschonken en dat dit bedrag buiten de gemeenschap van goederen valt. De man betwist dat sprake is geweest van een schenking.
De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 1 lid 1 onder a van de huwelijkse voorwaarden zijn partijen overeengekomen dat goederen die een echtgenoot tijdens het huwelijk krachtens schenking verkrijgt, zijn uitgezonderd van de wettelijke gemeenschap van goederen. Het ligt voor de hand om te veronderstellen dat partijen hierbij schenkingen van derden hebben bedoeld, nu zij uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat tussen hen de wettelijke gemeenschap van goederen zou blijven bestaan. Het zou namelijk in strijd zijn met de aard van de wettelijke gemeenschap van goederen wanneer een echtgenoot door middel van schenking aan de andere echtgenoot een gemeenschapsgoed kan uitzonderen van de huwelijksgemeenschap. Dit zou immers kunnen leiden tot uitholling van de huwelijksgemeenschap. Hiermee kan de vraag of de overboeking van het bedrag kwalificeert als een schenking in het midden blijven, nu de rechtbank van oordeel is dat ook wanneer sprake zou zijn van een schenking, artikel 1 lid 1 onder a van de huwelijkse voorwaarden niet van toepassing is. Dat betekent dat het saldo op de bankrekening van de vrouw op de peildatum geheel in de huwelijksgemeenschap valt. De rechtbank bepaalt dat het saldo van de bankrekening op de peildatum zal worden toegedeeld aan de vrouw, onder vergoeding van de helft daarvan € 46.418,89 aan de man12.
j tot en met l) Fiat Arbath, Landrover Defender en motor
Tijdens de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de verdeling van de Fiat, de Landrover en de motor. De Fiat en de Landrover zullen aan de vrouw worden toegedeeld tegen een waarde van € 15.266 respectievelijk € 10.634 en de motor zal aan de man worden toegedeeld tegen een waarde van € 16.000 waarna de vrouw wegens overbedeling nog € 4.950 aan de man dient te vergoeden.13 De rechtbank zal zo beslissen.
m) aandelen [bedrijf] B.V.
Tijdens de zitting zijn partijen overeengekomen dat zij binnen twee weken na de datum van deze beschikking een deskundige zullen aanwijzen die de aandelen bindend zal taxeren. Vervolgens zullen de aandelen tegen de getaxeerde waarde aan de man worden toegedeeld, onder vergoeding van de helft van de waarde aan de vrouw. De man kan hierbij gebruik maken van de in artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden vastgelegde betalingsregeling. Mocht de man de aandelen niet over willen of kunnen nemen, zullen de aandelen worden verkocht. De rechtbank zal zo beslissen en een ‘spoorboekje’ opnemen voor de wijze van verdeling van de aandelen.
n) diverse schulden
De rechtbank zal bepalen dat ieder van partijen in hun onderlinge verhouding de helft van de belastingschuld over 2023 en rekening-courantschuld moet dragen. Voor zover een van partijen uiteindelijk meer dan de helft van de totale schuld zou hebben betaald, kan diegene dat meerdere verhalen op de ander.
Ten aanzien van de schuld aan [meerderjarige 3] overweegt de rechtbank als volgt. De vrouw stelt dat geen sprake is van een schuld aan [meerderjarige 3] , omdat [meerderjarige 3] op basis van de schenkingsovereenkomst geen vordering heeft op partijen. Met de man is de rechtbank echter van oordeel dat uit de schenkingsovereenkomst geen vrijblijvendheid blijkt en dus sprake is van een verplichting aan [meerderjarige 3] . Nu in de schenkingsovereenkomst duidelijk is aangegeven vanaf wanneer [meerderjarige 3] aanspraak kan maken op het schenkingsbedrag en die termijnen inmiddels zijn verstreken, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een opeisbare schuld van partijen aan [meerderjarige 3] . De rechtbank zal bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schuld.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank verklaart de beslissingen ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht, wat betekent dat deze beslissingen direct gelden ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De beslissing over de echtscheiding zelf verklaart de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad. Die beslissing geldt namelijk pas als de echtscheiding is ingeschreven en dat kan pas gebeuren als daar geen hoger beroep meer tegen mogelijk is.
De proceskosten
De rechtbank zal beslissen dat ieder de eigen proceskosten betaalt, omdat zij geen reden ziet om één van partijen in de proceskosten te veroordelen.
5 De beslissing
De rechtbank:
spreekt de echtscheiding uit tussen de partijen, die met elkaar gehuwd zijn op [datum] in de gemeente [plaats] ;
bepaalt dat de vrouw huurder zal zijn van de woning gelegen te [adres] [woonplaats] aan [adres] , zulks met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
bepaalt dat de man huurder zal zijn van de woning gelegen te [adres] [woonplaats] aan [adres] , zulks met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
bepaalt dat de man vanaf de datum waarop deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente een bedrag van € 3.569 bruto per maand moet betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud;
bepaalt dat de man deze partneralimentatie wat de toekomstige termijnen betreft steeds vóór de eerste van de maand vooraf moet betalen;
gelast de navolgende wijze van verdeling van de vakantiewoning in [plaats] :
partijen kiezen binnen een maand na de zitting een makelaar en verstrekken gezamenlijk een opdracht tot verkoop. Voor zover partijen dit nog niet hebben gedaan, dienen zij uiterlijk twee weken na de datum van deze beschikking dit alsnog te doen. Als partijen het niet eens worden over de keuze van een makelaar, dan moet de vrouw binnen drie weken na afgifte van deze beschikking schriftelijk drie erkende makelaars voorstellen aan de man. Uit die drie makelaars moet de man binnen één week er schriftelijk één kiezen. Als de vrouw niet drie makelaars noemt binnen de genoemde termijn, dan is het aan de man om een makelaar te kiezen. Als omgekeerd de man niet binnen de genoemde termijn een keuze uit de drie genoemde makelaars maakt, dan is de vrouw gerechtigd om zelf een van die makelaars te kiezen;
indien partijen niet uiterlijk binnen deze termijn gezamenlijk een verkoopopdracht hebben gegeven aan de makelaar, is ieder van partijen afzonderlijk bevoegd deze makelaar - mede als vertegenwoordiger van de ander - opdracht tot verkoop te geven;
partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraagprijs, die dient te zijn gebaseerd op de woningmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen;
indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening aan de makelaar in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop mogen aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs;
partijen zijn gehouden de aanwijzingen van de makelaar op te volgen;
partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, zal de makelaar dit bindend kunnen bepalen;
als de verkoopprijs bindend is vastgesteld zijn beide partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning;
na verkoop moet(en) met de verkoopopbrengst de aan de verkoop verbonden kosten worden betaald; het eventuele restant moeten partijen bij helfte delen, dan wel voor zover er een restschuld ontstaat, moeten zij ieder de helft daarvan dragen;
de verkoopkosten (kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering) zullen door partijen gezamenlijk gedragen worden, ieder voor de helft;
gelast de navolgende wijze van verdeling van de vakantiewoning in [plaats] :
partijen zullen binnen een maand na datum van zitting de woning te koop aan te bieden aan Roompot, conform de contractuele verplichting. Voor zover partijen dit nog niet hebben gedaan, dienen zij dat uiterlijk twee weken na de datum van deze beschikking alsnog te doen;
in het geval Roompot de vakantiewoning niet wenst over te kopen, zal de woning worden verkocht conform het spoorboekje zoals hiervoor is weergegeven onder 5.6.1 tot en met 5.6.9;
gelast de navolgende wijze van verdeling van de aandelen in [bedrijf] B.V.:
partijen benoemen binnen één week na de datum van deze beschikking een deskundige die de aandelen bindend zal taxeren. Als partijen het niet eens worden over de keuze van een deskundige, dan moet de man binnen één week na afgifte van deze beschikking schriftelijk drie erkende deskundigen voorstellen aan de vrouw. Uit die drie deskundigen moet de vrouw binnen één week er schriftelijk één kiezen. Als de man niet drie deskundigen noemt binnen de genoemde termijn, dan is het aan de vrouw om een deskundige te kiezen. Als omgekeerd de vrouw niet binnen de genoemde termijn een keuze uit de drie genoemde deskundigen maakt, dan is de man gerechtigd om zelf een van die deskundigen te kiezen;
ieder van partijen draagt de helft van de kosten van de taxatie;
na de taxatie van de aandelen heeft de man het exclusieve recht om de aandelen tegen de door de taxateur vastgestelde waarde toegedeeld te krijgen, onder vergoeding van de helft van de waarde aan de vrouw, waarbij de man – desgewenst – gebruik mag maken van de betalingsregeling zoals is weergegeven in artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden. Voor zover de man de aandelen niet tegen de door de taxateur vastgestelde waarde toegedeeld wil of kan krijgen, zullen de aandelen worden verkocht aan een derde en dienen partijen de verkoopopbrengst bij helfte te verdelen;
gelast de navolgende wijze van verdeling van het saldo op de gezamenlijke betaalrekening bij ABN AMRO met rekeningnummer [rekeningnummer] :
op het moment dat de vakantiewoning in [plaats] wordt verkocht wordt het saldo tussen partijen bij helfte verdeeld, waarna de rekening kan worden opgeheven;
stelt voor het overige de verdeling vast als volgt:
bepaalt dat de gouden ring, behorende tot de inboedel van de echtelijke woning zonder nadere verrekening aan de vrouw wordt toegedeeld en verstaat dat de inboedel voor het overige is verdeeld tussen partijen;
bepaalt dat de auto van het merk Landrover en de auto van het merk Fiat Arbath aan de vrouw wordt toegedeeld en de motor aan de man wordt toegedeeld, onder vergoeding van € 4.950 door de vrouw aan de man;
bepaalt dat het saldo op de gezamenlijke spaarrekening bij ABN AMRO met rekeningnummer [rekeningnummer] , na verrekening van de door partijen ontvangen schenkingen, bij helfte wordt gedeeld, waarna de rekening zal worden opgeheven;
bepaalt dat het saldo op de betaalrekening bij ING op naam van de man met rekeningnummer [rekeningnummer] zal worden toegedeeld aan de man, onder vergoeding van de helft daarvan (€ 1.749,54) aan de vrouw;
bepaalt dat het saldo op de betaalrekening bij Rabobank op naam van de vrouw met rekeningnummer [rekeningnummer] wordt toegedeeld aan de vrouw onder vergoeding van de helft daarvan (€ 46.418,89) aan de man;
bepaalt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de belastingschuld over 2023, de rekening-courantschuld en de schuld uit hoofde van de schenkingsovereenkomst met [meerderjarige 3] . Indien en voor zover één van partijen meer dan de helft van deze schulden heeft voldaan, heeft die partij voor het meerdere een vordering op de andere partij;
bepaalt dat de vrouw een bedrag van € 4.375 aan de man moet betalen wegens de overname van inboedelzaken door de kopers van de echtelijke woning;
bepaalt dat de beschikking uitvoerbaar is bij voorraad, behalve de beslissing over de echtscheiding;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure draagt;
wijst af wat meer of anders is verzocht.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. C.J.M. van Apeldoorn, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. V.D. van der Kooij als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2025. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! |
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! |
|
|
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
Bijlage 1:
[Afbeelding geanonimiseerd]
Bijlage 2:
[Afbeelding geanonimiseerd]
Bijlage 3:
[Afbeelding geanonimiseerd]