ECLI:NL:RBROT:2026:14192

Datum uitspraak
16-09-2026
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/10/700808 FA RK 25-4267
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

verdeling van de ontbonden wettelijke algehele gemeenschap van goederen, vergoedingsrecht n.a.v. schenking onder uitsluitingsclausule, regresvorderingen, in dictum wordt de wijze van verdeling gelast en de verdeling vastgesteld en de afspraken van partijen opgenomen

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/700808 FA RK 25-4267

Beschikking van 16 september 2026 over de verdeling van de ontbonden gemeenschap

in de zaak van:

[vrouw 1] , hierna: [vrouw 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

voorheen advocaat mr. C.K. Visser te Oud-Beijerland, gemeente Hoeksche Waard,

thans advocaat mr. C.N.M. Schep te Oud-Beijerland, gemeente Hoeksche Waard,

t e g e n

[vrouw 2] , hierna: [vrouw 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. S. Burger te Rotterdam.

1 De verdere procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit de beschikking van deze rechtbank van 30 juli 2026 (met de zaaknummers C/10/694458 FA RK 25-1196 en C/10/700808 FA RK 25-4267), waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd.

2 De verdere beoordeling

2.1

Verdeling

2.1.1

Partijen zijn voor [datum 1] een geregistreerd partnerschap aangegaan, zodat zij in een (inmiddels ontbonden) wettelijke algehele gemeenschap van goederen zijn geregistreerd.

2.1.2

[vrouw 1] verzoekt de wijze van verdeling vast te stellen zoals door haar is verzocht in punt 22 en productie 12 (overgelegd bij) van het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken tevens gewijzigde en aanvullende verzoeken van 1 juli 2025.

2.1.3

[vrouw 2] verzoekt de wijze van verdeling te gelasten zoals door haar is verzocht in punt 4 van het verweerschrift tegen de aanvullende verzoeken tevens wijziging zelfstandige verzoeken van 18 juni 2026.

Wettelijke peildatum

2.1.4

Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en onder b BW is de peildatum voor de omvang (en samenstelling) van de huwelijksgemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot ontbinding partnerschap is ingediend, te weten [datum 2] .

2.1.5

Voor de waardering van de bestanddelen van de huwelijksgemeenschap gaat de rechtbank in beginsel uit van de wettelijke peildatum, te weten de datum van de feitelijke verdeling van het betreffende bestanddeel (lees: de datum van deze beschikking), tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard.

[vrouw 1] verzoekt voor de waardering van de tot de gemeenschap behorende bestanddelen op grond van de redelijkheid en billijkheid uit te gaan van [datum 2] . Zij verzoekt deze datum voor de waardering aan te houden, omdat partijen feitelijk sinds eind 2024 niet meer bij elkaar wonen, [vrouw 2] de woning aan [locatie 1] vanaf dat moment bewoont en [vrouw 1] bij haar ouders heeft ingewoond totdat de woning aan [locatie 2] is opgeleverd. [vrouw 2] voert verweer. De rechtbank is van oordeel dat het door [vrouw 1] gestelde onvoldoende is om af te wijken van de wettelijke peildatum.

2.1.6

Voor een saldo van een bankrekening vindt geen waardering plaats. Voor het saldo op een bankrekening wordt uitgegaan van de hoogte van het saldo op de datum dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden, te weten [datum 2] . De vordering op de bank (creditsaldo) of de schuld aan de bank (debetsaldo) per die datum valt in de huwelijksgemeenschap. Af- en bijschrijvingen die zien op de periode hierna maken geen onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

2.1.7

Voor een schuld vindt geen waardering plaats. Uitgegaan wordt van de hoogte van de schuld op de datum dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden, te weten [datum 2] . Wijzigingen in de hoogte van de schuld na deze datum maken geen onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

2.1.8

Volgens partijen of één van hen bestaat de huwelijksgemeenschap op de peildatum uit de hierna van a. tot en met l. omschreven bestanddelen.

a. De echtelijke woning aan [adres] te [plaats] en de daarop rustende hypothecaire schulden bij de Rabobank met de nummers [nummer 1] en [nummer 2] en de daaraan verbonden SpaarZeker polis met nummer [nummer 3]

2.1.9

Partijen zijn het erover eens dat de woning wordt toegedeeld aan [vrouw 2] onder de voorwaarde dat zij in staat is deze toedeling te financieren. Als [vrouw 2] niet in staat is de toedeling van de woning aan haar te financieren en/of het ontslag van [vrouw 1] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te bewerkstelligen, moet de woning worden verkocht.

2.1.10

Partijen verschillen van mening over de wijze van verdeling van de overwaarde. [vrouw 2] verzoekt primair op grond van de redelijkheid en billijkheid te bepalen dat 75% van de overwaarde aan haar toekomt en 25% van de overwaarde aan [vrouw 1] . Zij stelt dat de woning voordat partijen hun partnerschap aangingen al in eigendom van haar was en dat de woning in verouderde staat verkeert in verband met de keuzes die partijen hebben gemaakt vanwege het nieuwbouwappartement aan [locatie 2] . Subsidiair verzoekt zij de overwaarde bij helfte te verdelen op de datum van de feitelijke verdeling. [vrouw 1] voert verweer.

2.1.11

Op grond van artikel 1:100 lid 1 BW hebben de partners een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, zodat de ontbonden gemeenschap bij helfte moet worden verdeeld. Omdat niet is gebleken van enige andersluidende afspraak bij huwelijkse voorwaarden of convenant, hebben partijen op grond van dit artikel een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap behorende woning en zijn zij bij helfte gerechtigd tot de waarde of opbrengst daarvan. Een afwijking van deze regel is weliswaar niet uitgesloten, maar kan niet dan in zeer uitzonderlijke omstandigheden worden aangenomen, zodanig dat onverkorte toepassing van de regel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De rechtbank is van oordeel dat de door [vrouw 2] gestelde omstandigheden, ook als deze zouden komen vast te staan, op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien, niet zo uitzonderlijk zijn dat toepassing van de regel dat verdeling bij helfte dient plaats te vinden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het primaire verzoek van [vrouw 2] wordt daarom afgewezen. Het subsidiaire verzoek wordt/is al toegewezen, aangezien in rechtsoverweging 2.1.5 al is beslist dat voor de datum van waardering wordt uitgegaan van de datum van feitelijke verdeling. De (over)waarde moet op het moment van de feitelijke verdeling bij helfte gedeeld worden.

2.1.12

Om de (over)waarde te bepalen moet de woning worden getaxeerd. Partijen zijn het erover eens dat de taxatie en toedeling van de woning plaats moet vinden via het spoorboekje. Zij zijn het erover eens dat de taxatie een tussen hen bindende taxatie betreft.

De rechtbank zal de wijze van taxatie en verdeling van de woning gelasten als hierna in het dictum vermeld.

b. De woning aan het [locatie 2] te [plaats] en de daarop rustende hypothecaire schulden bij de ABN Amro bank met de leningsdelen 101, 102, 103, 104 en 106

2.1.13

Partijen zijn het erover eens dat de woning wordt toegedeeld aan [vrouw 1] onder de voorwaarde dat zij in staat is deze toedeling te financieren. Het gaat om de financiering van de leningsdelen 101, 102, 103 en 106. Om de (over)waarde te bepalen moet de woning worden getaxeerd. Partijen zijn het erover eens dat de taxatie en toedeling van de woning plaats moet vinden via het spoorboekje. Zij zijn het erover eens dat de taxatie een tussen hen bindende taxatie betreft. Als [vrouw 1] niet in staat is de toedeling van de woning aan haar te financieren en/of het ontslag van [vrouw 2] uit bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid te bewerkstelligen, moet de woning worden verkocht. De rechtbank zal de wijze van taxatie en verdeling van de woning gelasten als hierna in het dictum vermeld.

2.1.14

Ten aanzien van de hypothecaire schuld met leningsdeel 104, te weten de gezamenlijke overbruggingshypotheek, zijn partijen het tijdens de mondelinge behandeling eens geworden. Deze overbruggingshypotheek moet los getrokken worden van de andere hypothecaire schulden met leningsdelen 101, 102, 103 en 106. Ieder van partijen is draagplichtig om de helft van de schuld ten aanzien van de overbruggingshypotheek met leningsdeel 104 als eigen schuld te voldoen.

c. De inboedelgoederen

2.1.15

Tijdens de mondelinge behandeling stond vast dat partijen overeenstemming hadden over de feitelijke verdeling van de inboedelgoederen maar niet over de vraag of [vrouw 2] in het kader van deze verdeling is overbedeeld. Vast staat dat alle “grote” inboedelgoederen zijn achtergebleven bij [vrouw 2] in de echtelijke woning aan [locatie 1] . [vrouw 2] verzoekt uit te gaan van de feitelijke verdeling zonder nadere verrekening. [vrouw 1] verzoekt te bepalen dat [vrouw 2] aan haar een overbedelingsvergoeding moet betalen van € 5.201,25. Partijen zijn na de mondelinge behandeling alsnog in de gelegenheid gesteld om te overleggen over dit geschilpunt. [vrouw 1] heeft de rechtbank op 16 juli 2026 bericht dat partijen alsnog geen overeenstemming hebben bereikt over de waardering van de inboedel.

2.1.16

Gelet op de stellingen over en weer en de toedeling van alle “grote” inboedelgoederen in de echtelijke woning aan [locatie 1] aan de [vrouw 2] en de toedeling van een aantal “persoonlijke” inboedelgoederen aan [vrouw 1] , is de rechtbank van oordeel dat [vrouw 2] is overbedeeld omdat geen verdeling bij helfte heeft plaatsgevonden. De rechtbank schat de waarde van de inboedel op een bedrag van € 4.000,-, hetgeen representatief is voor een gemiddelde “gebruikte” inboedel in Nederland. Gesteld noch gebleken is dat het gaat om een meer dan gemiddelde inboedel. De rechtbank schat de waarde van de inboedelgoederen die aan [vrouw 2] zijn toegedeeld op een bedrag van € 3.500,- en de inboedelgoederen aan [vrouw 1] op een bedrag van € 500,-. Omdat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van die inboedelgoederen (te weten € 4.000,-), hetgeen bij de huidige verdeling niet het geval is, zal de rechtbank bepalen dat [vrouw 2] wegens overbedeling een bedrag van € 1.500,- aan [vrouw 1] moet voldoen.

d. de auto’s van het merk Renault

2.1.17

Partijen zijn het erover eens dat de auto van het merk Renault, type Clio Estate wordt toegedeeld aan [vrouw 1] tegen een waarde van € 5.741,- en dat de auto van het merk Renault, type Clio, wordt toegedeeld aan [vrouw 2] tegen een waarde van € 5.000,-. Dit heeft tot gevolg dat [vrouw 1] wegens overbedeling een bedrag van € 370,50 aan [vrouw 2] moet voldoen.

e. het saldo op de betaalrekening bij de ABN Amro bank met de eindcijfers [nummer 4] op naam van partijen

2.1.18

Partijen zijn het erover eens dat de bankrekening moet worden opgeheven en dat het saldo op de peildatum bij helfte gedeeld moet worden te vermeerderen met het bedrag van € 13.340,- dat [vrouw 2] zonder wettelijke grondslag daartoe van deze rekening heeft opgenomen. [vrouw 2] moet dit bedrag terugbetalen aan de gemeenschap. Uit productie 17 overgelegd door [vrouw 1] blijkt dat het saldo op de peildatum € 69,41 bedroeg. Dit bedrag moet vermeerderd worden met het bedrag van € 13.340,-. De rechtbank is van oordeel dat het saldo op de peildatum had moeten zijn € 13.409,41. Ieder van partijen heeft na de terugstorting door [vrouw 2] recht op de helft van dit saldo, te weten € 6.704,71.

f. het saldo op de spaarspaarrekening bij de ABN Amro bank met de eindcijfers [nummer 5] op naam van partijen

2.1.19

Partijen zijn het erover eens dat deze bankrekening moet worden opgeheven en dat het saldo op de peildatum bij helfte gedeeld moet worden. Uit productie 17 overgelegd door [vrouw 1] , is gebleken dat het saldo op de peildatum € 0,- bedroeg. Er vindt dus geen nadere verrekening plaats.

g. het saldo op de spaarrekening van de minderjarige [minderjarige] met de eindcijfers [nummer 6]

2.1.20

Niet ter discussie staat dat er een rekening is op naam van [minderjarige] . Deze valt niet in de huwelijksgemeenschap en komt daarom niet voor verdeling in aanmerking. Op grond van artikel 1:253i BW voeren de ouders gezamenlijk het bewind over het vermogen van [minderjarige] . Bij een geschil hierover kunnen partijen zich tot de kantonrechter wenden. Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen alsnog overeengekomen dat zij deze bankrekening zullen opheffen en het saldo bij helfte zullen delen, waarna partijen ieder een eigen rekening voor [minderjarige] opent en voor haar op die rekeningen verder spaart. De rechtbank zal deze afspraak tussen partijen opnemen in het dictum.

h. de saldi op de rekening bij de ABN Amro bank met de eindcijfers [nummer 7] en de daaraan verbonden spaarrekening met de eindcijfers [nummer 8] op naam van [vrouw 1]

2.1.21

Partijen zijn het erover eens dat deze bankrekeningen worden voortgezet door [vrouw 1] en dat de saldi op de peildatum bij helfte gedeeld moeten worden. Partijen verschillen van mening of bij de verdeling van de saldi op de peildatum een bedrag van € 15.000,- moet worden betrokken.

2.1.22

Tussen partijen staat vast dat [vrouw 1] tijdens het geregistreerd partnerschap een bedrag van € 15.000,- heeft gekregen van haar ouders. [vrouw 1] stelt dat sprake is van een schenking waaraan een uitsluitingsclausule is verbonden, zoals blijkt uit de door haar als productie 19 overgelegde akte. Hierdoor wordt dit bedrag volgens haar niet in de verdeling betrokken. [vrouw 2] erkent dat uit de overgelegde schenkingsakte volgt dat de schenking onder uitsluitingsclausule heeft plaatsgevonden, maar uit dezelfde akte volgt volgens haar ook dat voor het gedeelte van de schenking dat gedurende het geregistreerd partnerschap is verteerd geen vergoedingsrecht ontstaat. De geschonken gelden zijn volgens haar niet als een afzonderlijk “potje” van de gezamenlijke gelden gehouden, maar de geschonken gelden zijn uitgegeven aan de gezamenlijke huishouding en de investeringen in de woning aan het [locatie 2] . Het vergoedingsrecht van [vrouw 1] moet volgens [vrouw 2] worden afgewezen wat tot gevolg heeft dat het bedrag van € 15.000,- in de verdeling van de saldi van de bankrekeningen met de eindcijfers [nummer 7] en [nummer 8] betrokken moet worden.

2.1.23

Uit productie 43 van [vrouw 1] is gebleken dat zij op 2 januari 2023 in totaal € 15.000,- gestort heeft op de bankrekening die op haar naam staat met de eindcijfers [nummer 7] waarop een bedrag van € 674,26 stond op het moment van storting van de schenking. Het bedrag van € 15.000,- is op dezelfde dag overgeboekt naar de bankrekening op naam van partijen met de eindcijfers [nummer 5] waar gelden van partijen opstonden op het moment van storting van de schenking. Vervolgens heeft [vrouw 1] op 28 november 2024 dit bedrag van de bankrekening op naam van partijen met de eindcijfers [nummer 5] weer teruggeboekt naar de bankrekening die op haar naam staat met de eindcijfers [nummer 7] .

De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van [vrouw 2] dat de geschonken gelden niet als afzonderlijk potje van de gezamenlijke gelden zijn gehouden, aangezien het niet uit maakt of het bedrag van € 15.000,- voor de peildatum op de gezamenlijke bankrekening van partijen of op de rekening op naam van [vrouw 1] stond. Partijen zijn in wettelijke algehele gemeenschap van goederen een geregistreerd partnerschap aangegaan hetgeen tot gevolg heeft dat de saldi op de rekeningen op naam van partijen afzonderlijk of op naam van partijen gezamenlijk in principe tot het gemeenschapsvermogen zijn gaan behoren en dat door storting van de schenking op deze bankrekeningen vermenging met gelden die tot de gemeenschap behoorden heeft plaatsgevonden.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019 (ECLI:NL:HRL2019:504) r.o. 3.3.2. dat het wettelijk stelsel van titel 7 van boek 1 BW dan meebrengt dat [vrouw 1] als gevolg van deze vermogensverschuiving in beginsel op de gemeenschap recht heeft op vergoeding van dat bedrag (volgens art. 1:95 lid 2 BW en artikel 1:96 lid 4 BW), ook al zijn de overgeboekte gelden later niet meer te traceren. Er ontstaat dan een nominaal vergoedingsrecht. Wat er vervolgens met deze gelden is gebeurd en waaraan deze gelden zijn besteed, doet echter op zich niet af aan het vergoedingsrecht van [vrouw 1] . Wanneer uitgaven zijn gedaan van de tot de gemeenschap van goederen behorende bankrekening waarop de onder uitsluitingsclausule verkregen gelden zijn gestort, geldt immers ten gunste van [vrouw 1] het vermoeden dat deze uitgaven betrekking hebben gehad op gemeenschapsschulden (waarbij ook uitgaven in verband met consumptieve bestedingen en de kosten van de huishouding zijn aan te merken als gemeenschapsschulden), hetgeen meebrengt dat het vergoedingsrecht van [vrouw 1] jegens de gemeenschap door die uitgaven niet is aangetast. Het ligt op de weg van [vrouw 2] om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen op grond waarvan het vergoedingsrecht van [vrouw 1] jegens de gemeenschap niet (of niet volledig) geldend kan worden gemaakt. De stelling van [vrouw 2] dat de geschonken gelden zijn uitgegeven aan de gezamenlijke huishouding en de investeringen in [locatie 2] doet hier niet aan af, omdat deze uitgaven naar het oordeel van de rechtbank zien op gemeenschapsschulden. In beginsel is dus sprake van een vergoedingsrecht.

2.1.24

Vervolgens moet de stelling van [vrouw 2] worden beoordeeld dat geen vergoedingsrecht is ontstaat (lees: dat [vrouw 1] per saldo toch geen vergoedingsrecht toekomt), gelet op de tekst in schenkingsakte “er zal geen vergoedingsrecht ontstaan ten gevolge van deze verteringen, tenzij uit een regeling tussen de ontvanger en diens echtgenoot het tegendeel voortvloeit”. [vrouw 2] stelt dat de schenking is aangewend voor de kosten van de huishouding waardoor de schenking is verteerd. [vrouw 1] betwist dat de schenking is aangewend voor de kosten van de huishouding. Op de peildatum was de schenking nog aanwezig. Op de peildatum stond namelijk een hoger saldo op de spaarrekening met eindcijfer [nummer 8] , te weten € 35.804,74, dan het bedrag van de schenking.

De rechtbank is van oordeel dat de [vrouw 2] , in het licht van de betwisting van [vrouw 1] , onvoldoende onderbouwd heeft gesteld en bewezen dat de schenking is aangewend voor de kosten van de huishouding.

2.1.25

Concluderend heeft [vrouw 1] een vergoedingsrecht van € 15.000,- op de gemeenschap (en niet op [vrouw 2] ), echter omdat [vrouw 1] het bedrag van € 15.000,- al heeft overgeboekt naar de bankrekening die zij op haar naam zal voortzetten, zal de rechtbank uit oogpunt van efficiëntie bepalen dat dit tot gevolg heeft dat het bedrag van € 15.000,- niet betrokken wordt in de verdeling van de saldi op de peildatum van de bankrekeningen met de eindcijfers [nummer 7] en [nummer 8] . [vrouw 1] moet [vrouw 2] alsnog inzage verschaffen in de saldi op de peildatum.

i. de saldi op de rekening bij de Rabobank met de eindcijfers [nummer 9] , [nummer 10] en [nummer 11] op naam van [vrouw 2]

2.1.26

Partijen zijn het erover eens dat deze bankrekeningen worden voortgezet door [vrouw 2] en dat de saldi op de peildatum bij helfte gedeeld moeten worden. [vrouw 2] moet [vrouw 1] alsnog inzage verschaffen in de saldi op de peildatum.

j. de waarde van de digitale munten en NFT’s op naam van [vrouw 2]

2.1.27

[vrouw 1] stelt dat de waarde die de digitale munten en NFT’s op de peildatum vertegenwoordigen bij helfte gedeeld moeten worden. Volgens [vrouw 1] was de waarde op 25 oktober 2024 € 918,13. De waarde op de peildatum is onbekend. [vrouw 2] voert aan dat de digitale munten en NFT’s op de peildatum niets waard waren, omdat de broker voor de peildatum failliet is gegaan.

2.1.28

De rechtbank is van oordeel dat [vrouw 2] niet met stukken heeft onderbouwd dat de broker op de peildatum failliet is/was. [vrouw 2] dient binnen één maand na de datum van deze beschikking aan [vrouw 1] stukken te verstrekken waaruit blijkt dat de broker op de peildatum failliet was. Als uit de stukken van [vrouw 2] blijkt dat de broker op de peildatum failliet was, is er geen waarde op de peildatum te verdelen. Als uit de alsnog verstrekte stukken van [vrouw 2] niet blijkt dat de broker op de peildatum failliet was of als [vrouw 2] in het geheel geen stukken verstrekt, dan is de rechtbank van oordeel dat de waarde van € 918,13, als ware dit de waarde op de peildatum, bij helfte gedeeld moet worden. De rechtbank zal de zaak hier niet voor aanhouden, maar de wijze van verdeling gelasten van dit bestanddeel.

k. De activa en de passiva van de eenmanszaak van [vrouw 2] , genaamd [bedrijf]

2.1.29

Partijen zijn het erover eens dat de activa en de passiva van de eenmanszaak worden toegedeeld aan [vrouw 2] , onder verdeling van het saldo dat op de peildatum stond op de bankrekening bij Knab met de eindcijfers [nummer 12] . Uit het door [vrouw 2] als productie 19 overgelegde bankafschrift blijkt dat het saldo op 31 januari 2025 € 5,31 was. Daarna is op 3 februari 2025 een bedrag van € 7,- afgeschreven en op 7 februari 2025 een bedrag van € 100,- bijgeschreven. Vervolgens heeft tot [datum 2] geen af- of bijschrijving meer plaatsgevonden. Het saldo op de peildatum komt gelet op het voorgaande dus neer op een bedrag van € 98,13. Dit bedrag moet bij helfte gedeeld worden. Partijen zijn het erover eens dat hiermee de totale verdeling van activa en de passiva van de eenmanszaak plaatsvindt.

l. De teruggave IB 2024

2.1.30

[vrouw 2] stelt dat zij door de handelswijze van [vrouw 1] is benadeeld voor een bedrag van € 2.302,-. Volgens [vrouw 2] ontving zij in 2023 een teruggave van € 3.931,-. In 2024 kreeg zij slechts een bedrag van € 1.628,- terug. [vrouw 1] voert aan dat niet uit stukken is gebleken dat [vrouw 2] slechts € 1.628,- heeft ontvangen.

2.1.31

De rechtbank is van oordeel dat het wettelijke uitgangspunt is dat de teruggave of betaling van de IB 2024 tot de peildatum bij helfte gedeeld of gedragen moet worden. Zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken, zullen partijen over en weer de aangifte en aanslagen IB 2024 aan elkaar overleggen. Zij kunnen dan berekenen of en zo ja welk bedrag alsnog verdeeld moet worden of bij helfte gedragen moet worden.

2.2

De regresvorderingen

2.2.1

De rechtbank zal hierna de verzoeken behandelen die [vrouw 1] heeft omschreven in haar aanvullende verzoeken van 19 juni 2026 als vergoedingsrechten. Anders dan [vrouw 1] is de rechtbank van oordeel dat dit geen vergoedingsrechten zijn, maar regresvorderingen. Kort gezegd heeft een partij een vergoedingsrecht op de wettelijke algehele gemeenschap van goederen als voor de ontbinding van de gemeenschap (datum indienen verzoekschrift) een ongerechtvaardigde vermogensverschuivingen tussen partijen onderling of tussen partijen en de huwelijksgemeenschap heeft plaatsgevonden. Een regresvordering heeft de ene partij (partij A) op de andere partij (partij B) - en dus niet op de gemeenschap - als na de ontbinding van de gemeenschap een betaling door partij A heeft plaatsgevonden en partij A meer heeft betaald dan het gedeelte waarvoor hij/zij in de interne verhouding met partij B draagplichtig was.

2.2.2

[vrouw 1] verzoekt, na wijziging tijdens de mondelinge behandeling, te bepalen dat [vrouw 2] de gebruikerslasten die [vrouw 1] voor de woning aan [locatie 1] aan [vrouw 2] heeft betaald in de periode van 29 januari 2025 tot en met juni 2025, aan haar terug moet betalen, hetgeen in totaal neerkomt op een bedrag van € 613,-. [vrouw 2] voert verweer. Zij voert aan dat zij de gebruikerslasten zelf heeft betaald. Op 22 oktober 2024 is volgens haar afgesproken op welke wijze de vaste lasten verdeeld zouden gaan worden. Later is mondeling afgesproken dat het bedrag dat [vrouw 1] aan vaste lasten zou betalen, als kinderalimentatie voor [minderjarige] bedoeld zou zijn.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de gemotiveerde betwisting [vrouw 1] haar stelling dat zij mee heeft betaald aan de gebruikerslasten voor de woning aan [locatie 1] onvoldoende heeft onderbouwd. De regresvordering zal daarom worden afgewezen.

2.2.3

[vrouw 1] verzoekt, na wijziging tijdens de mondelinge behandeling, een regresvordering te bepalen ter hoogte van de helft van het door [vrouw 2] in de periode van 1 januari 2026 tot en met de datum van de echtscheidingsbeschikking verkregen bedrag aan kindgebondenbudget. Ter onderbouwing van haar vordering stelt [vrouw 1] dat de sociale verzekeringsbank aan haar te kennen heeft gegeven dat bij co-ouderschap zowel de kinderbijslag als het kindgebondenbudget moet worden gedeeld. Omdat [vrouw 2] de aanvragen van de kinderbijslag is, ontvangt zij het kindgebonden budget voor [minderjarige] en zou zij de helft daarvan aan [vrouw 1] als co-ouder moeten voldoen. [vrouw 2] voert verweer.

De rechtbank is van oordeel dat gesteld noch gebleken is wat de grondslag van de gestelde regresvordering is. De regresvordering zal daarom worden afgewezen.

2.2.4

[vrouw 1] verzoekt een regresvordering te bepalen ter hoogte van € 9.056,- voor de door [vrouw 2] niet voldane helft van de eigenaarslasten van [locatie 2] tot en met de maand juni 2026, maandelijks te verhogen met een bedrag van € 979,21 per maand, zijnde de helft van de vaste kosten van [locatie 2] , tot aan de dag waarop [locatie 2] notarieel tussen partijen zal zijn verdeeld. [vrouw 2] voert verweer en verzoekt een regresvordering te bepalen ter hoogte van € 6.942,02, omdat [vrouw 1] niet alle overeengekomen kosten voor [minderjarige] heeft voldaan. Dit is inclusief het restant van de verrekening van de gezamenlijke spaarrekening.

Partijen hebben ter onderbouwing van hun stelling diverse producties overgelegd. Het is aan partijen hun stellingen gedegen te onderbouwen en te staven met stukken. De rechtbank is van oordeel dat uit de door de partijen overgelegde stukken niet valt op te maken welke partij welke kosten wel of niet over en weer aan elkaar heeft betaald en onder welke titel deze betaling heeft plaatsgevonden en wie hierdoor uiteindelijk nog een regresvordering op de andere partij heeft. De over en weer gedane regresvorderingen worden daarom afgewezen.

2.3

Proceskosten

2.3.1

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1gelast de wijze van de verdeling van de onderstaande bestanddelen die tot de gemeenschap behoren als volgt:

De echtelijke woning aan [adres] te [plaats] en de daarop rustende hypothecaire schulden bij de Rabobank met de nummers [nummer 1] en [nummer 2] en de daaraan verbonden SpaarZeker polis met nummer [nummer 3]

  1. de woning gelegen aan [locatie 1] moet worden getaxeerd door een taxateur die is aangesloten bij het NRVT. Als partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de aan te stellen taxateur, bepaalt de rechtbank dat dit geschiedt op de volgende manier: binnen twee weken na deze beschikking selecteert [vrouw 2] drie taxateurs/makelaars en stuurt deze selectie naar [vrouw 1] . Na ontvangst daarvan kiest [vrouw 1] binnen één week uit die selectie de taxateur/makelaar die een taxatierapport zal uitbrengen;

  2. de woning wordt toegedeeld aan [vrouw 2] voor de in het taxatierapport vermelde waarde onder de voorwaarde dat [vrouw 2] uiterlijk binnen zes maanden na de datum van het taxatierapport of – als die datum is gelegen voor de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking – uiterlijk binnen zes maanden na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking de financiering rond krijgt, zodanig dat [vrouw 1] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening;

  3. als het [vrouw 2] niet lukt om [vrouw 1] tijdig te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, dan moet uiterlijk drie maanden na de datum waarop duidelijk is geworden dat dit niet is gelukt, gestart worden met de verkoop van de woning aan een derde. Die verkoop aan een derde moet geschieden op de volgende manier:

  • verkoop vindt plaats door een door partijen gezamenlijk ingeschakelde makelaar. Als partijen niet tot overeenstemming kunnen komen, selecteert [vrouw 2] drie makelaarskantoren en stuurt deze selectie naar [vrouw 1] . Na ontvangst daarvan kiest [vrouw 1] binnen één week uit die selectie de verkopende makelaar;

  • partijen werken mee aan het eventueel opnieuw bepalen van de verkoopprijs of de vraag- en laatprijs, een en ander in overleg met de makelaar en binnen de door de makelaar gestelde termijn;

  • partijen werken mee aan geplande bezichtigingen;

  • partijen zorgen dat huis en tuin verzorgd ogen voor iedere bezichtiging;

  • partijen verrichten alle andere handelingen die noodzakelijk zijn voor de verkoop en oplevering van de woning, waartoe zowel door de makelaar als in een later stadium door de notaris verzocht wordt, binnen de door hen gestelde termijnen;

  • partijen werken mee aan het tekenen van de koopovereenkomst;

  • partijen werken mee aan de levering van de echtelijke woning via de notaris, waaronder het tekenen van de transportakte of een volmacht binnen de door de notaris gestelde termijn.

Bij dit alles geldt nog het volgende:

  • voor het geval partijen niet in onderling overleg tot overeenstemming komen over de te hanteren verkoopprijs en of de vraag- en laatprijs, zal de makelaar deze bindend vaststellen, net als een eventuele wijziging van de te hanteren vraag- en laatprijs in geval verkoop uitblijft;

  • in het geval de makelaar de verkoopprijs en/of vraag- en laatprijs bindend heeft vastgesteld, hanteren partijen deze bij de verkoop van de echtelijke woning aan een derde;

  • als de makelaar de opdracht tot verkoop van de echtelijke woning teruggeeft wegens gebrek aan medewerking van een van partijen, voldoet de niet-meewerkende partij de kosten die de makelaar in rekening brengt. Dit geldt ook voor schade en of extra onkosten veroorzaakt door het niet-meewerken van een partij bij de afwikkeling bij de notaris en door het niet correct opleveren van het huis aan kopers;

de overwaarde van de woning bestaat uit het verschil tussen het bedrag waarvoor [vrouw 2] de woning overneemt enerzijds en de hypothecaire schuld anderzijds waarbij de hypothecaire schuld wordt verminderd met de waarde van de daaraan verbonden SpaarZeker polis, dan wel de verkoopopbrengst minus de verkoopkosten en de hiervoor bedoelde schuld. Bij toedeling van de woning aan [vrouw 2] moet zij de helft van de overwaarde voldoen aan [vrouw 1] . Bij verkoop van de woning wordt de (restant) verkoopopbrengst tussen partijen bij helfte verdeeld. Mocht na aflossing bij verkoop toch een hypothecaire schuld resteren, dan dragen partijen deze gelijkelijk;

de kosten verbonden aan de verdeling en levering of verkoop en levering van de woning worden door partijen bij helfte gedragen.

De echtelijke woning aan [locatie 2] te [plaats] en de daarop rustende hypothecaire schulden rustende hypothecaire schuld bij de ABN Amro bank met de leningsdelen 101, 102, 103 en 106

  1. de woning gelegen aan [locatie 2] moet worden getaxeerd door een taxateur die is aangesloten bij het NRVT. Als partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de aan te stellen taxateur, bepaalt de rechtbank dat dit geschiedt op de volgende manier: binnen twee weken na deze beschikking selecteert [vrouw 1] drie taxateurs/makelaars en stuurt deze selectie naar [vrouw 2] . Na ontvangst daarvan kiest [vrouw 2] binnen één week uit die selectie de taxateur/makelaar die een taxatierapport zal uitbrengen;

  2. de woning wordt toegedeeld aan [vrouw 1] voor de in het taxatierapport vermelde waarde onder de voorwaarde dat [vrouw 1] uiterlijk binnen zes maanden na de datum van het taxatierapport of – als die datum is gelegen voor de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking – uiterlijk binnen zes maanden na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking de financiering rond krijgt, zodanig dat [vrouw 2] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening;

  3. als het [vrouw 1] niet lukt om [vrouw 2] tijdig te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, dan moet uiterlijk drie maanden na de datum waarop duidelijk is geworden dat dit niet is gelukt, gestart worden met de verkoop van de woning aan een derde. Die verkoop aan een derde moet geschieden op de volgende manier:

  • verkoop vindt plaats door een door partijen gezamenlijk ingeschakelde makelaar. Als partijen niet tot overeenstemming kunnen komen, selecteert [vrouw 1] drie makelaarskantoren en stuurt deze selectie naar [vrouw 2] . Na ontvangst daarvan kiest [vrouw 2] binnen één week uit die selectie de verkopende makelaar;

  • partijen werken mee aan het eventueel opnieuw bepalen van de verkoopprijs of de vraag- en laatprijs, een en ander in overleg met de makelaar en binnen de door de makelaar gestelde termijn;

  • partijen werken mee aan geplande bezichtigingen;

  • partijen zorgen dat huis en tuin verzorgd ogen voor iedere bezichtiging;

  • partijen verrichten alle andere handelingen die noodzakelijk zijn voor de verkoop en oplevering van de woning, waartoe zowel door de makelaar als in een later stadium door de notaris verzocht wordt, binnen de door hen gestelde termijnen;

  • partijen werken mee aan het tekenen van de koopovereenkomst;

  • partijen werken mee aan de levering van de echtelijke woning via de notaris, waaronder het tekenen van de transportakte of een volmacht binnen de door de notaris gestelde termijn.

Bij dit alles geldt nog het volgende:

  • voor het geval partijen niet in onderling overleg tot overeenstemming komen over de te hanteren verkoopprijs en of de vraag- en laatprijs, zal de makelaar deze bindend vaststellen, net als een eventuele wijziging van de te hanteren vraag- en laatprijs in geval verkoop uitblijft;

  • in het geval de makelaar de verkoopprijs en/of vraag- en laatprijs bindend heeft vastgesteld, hanteren partijen deze bij de verkoop van de echtelijke woning aan een derde;

  • als de makelaar de opdracht tot verkoop van de echtelijke woning teruggeeft wegens gebrek aan medewerking van een van partijen, voldoet de niet-meewerkende partij de kosten die de makelaar in rekening brengt. Dit geldt ook voor schade en of extra onkosten veroorzaakt door het niet-meewerken van een partij bij de afwikkeling bij de notaris en door het niet correct opleveren van het huis aan kopers;

de overwaarde van de woning bestaat uit het verschil tussen het bedrag waarvoor [vrouw 1] de woning overneemt enerzijds en de hypothecaire schuld anderzijds, dan wel de verkoopopbrengst minus de verkoopkosten en de hiervoor bedoelde schuld. Bij toedeling van de woning aan [vrouw 1] moet zij de helft van de overwaarde voldoen aan [vrouw 2] .

Bij verkoop van de woning wordt de (restant) verkoopopbrengst tussen partijen bij helfte verdeeld. Mocht na aflossing bij verkoop toch een hypothecaire schuld resteren, dan dragen partijen deze gelijkelijk;

de kosten verbonden aan de verdeling en levering of verkoop en levering van de woning worden door partijen bij helfte gedragen.

De saldi op de bankrekeningen

  • bepaalt dat de rekening bij de ABN Amro bank met de eindcijfers [nummer 4] wordt opgeheven en dat ieder van partijen recht heeft op een bedrag van € 6.704,71;

  • bepaalt dat de rekening bij de ABN Amro bank met de eindcijfers [nummer 5] wordt opgeheven zonder nadere verrekening;

  • bepaalt dat de rekeningen bij de ABN Amro bank met de eindcijfers [nummer 7] en de daaraan verbonden spaarrekening met de eindcijfers [nummer 8] worden voortgezet door [vrouw 1] , waarbij [vrouw 1] gehouden is om [vrouw 2] inzage te verschaffen in de saldi per [datum 2] en deze saldi met elkaar bij helfte te delen waarbij een bedrag van € 15.000,- ter zake de ontvangen schenking niet in de verdeling betrokken wordt;

  • bepaalt dat de rekeningen bij de Rabobank met de eindcijfers [nummer 9] , [nummer 10] en [nummer 11] worden voortgezet door [vrouw 2] , waarbij [vrouw 2] gehouden is om [vrouw 1] inzage te verschaffen in de saldi per [datum 2] en deze met elkaar bij helfte te delen.

De waarde van de digitale munten en NFT’s op naam van [vrouw 2]

bepaalt dat [vrouw 2] binnen één maand na de datum van deze beschikking aan [vrouw 1] stukken moet verstrekken waaruit blijkt dat de broker op de peildatum failliet was. Als uit de stukken van [vrouw 2] blijkt dat de broker op de peildatum failliet was, is geen waarde op de peildatum te verdelen. Als niet uit de stukken van [vrouw 2] blijkt dat de broker op de peildatum failliet was of [vrouw 2] in het geheel geen stukken verstrekt, dan moet de waarde van € 918,13, als ware dit de waarde op de peildatum, bij helfte worden gedeeld.

De teruggave IB 2024

bepaalt dat partijen over en weer de aangiften en aanslagen IB 2024 aan elkaar overleggen, onder de verplichting om de teruggave bij helfte te delen of het te betalen bedrag bij helfte te dragen;

3.2

stelt de verdeling van de onderstaande bestanddelen die tot de gemeenschap behoren als volgt vast:

De inboedel

veroordeelt [vrouw 2] om ten titel van overbedeling ten aanzien van de verdeling van de inboedelgoederen aan [vrouw 1] te betalen een bedrag van € 1.500,-.

De auto’s van het merk Renault

deelt de auto van het merk Renault, type Clio Estate, toe aan [vrouw 1] en deelt de auto van het merk Renault, type Clio, toe aan [vrouw 2] , onder de verplichting voor [vrouw 1] om wegens overbedeling een bedrag van € 370,50 aan [vrouw 2] te betalen.

De activa en de passiva van de eenmanszaak van [vrouw 2] , genaamd [bedrijf]

de activa en de passiva van de eenmanszaak worden toegedeeld aan [vrouw 2] , onder de verplichting van [vrouw 2] om wegens overbedeling een bedrag van € 49,07 aan [vrouw 1] te betalen;

3.3

neemt op de door partijen getroffen regelingen ten aanzien van onderstaande bestanddelen die tot de gemeenschap behoren:

De hypothecaire schuld bij de ABN Amro bank met de leningsdelen 104 (overbruggingshypotheek)

ieder van partijen is draagplichtig om de helft van de hypothecaire schuld als eigen schuld te voldoen.

Het saldo op de bankrekening met de eindcijfers [nummer 5] op naam van partijen

de bankrekening bij de ABN Amro bank wordt opgeheven zonder nadere verdeling van het saldo;

3.4

neemt op de door partijen getroffen regeling ten aanzien van onderstaande bankrekening die niet tot de gemeenschap behoort:

Het saldo op de bankrekening van de minderjarige [minderjarige] met de eindcijfers [nummer 6]

het saldo wordt bij helfte gedeeld waarna ieder van partijen een eigen rekening voor [minderjarige] opent en voor haar op die rekeningen verder spaart.

3.5

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

3.6

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.7

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. K. Bakker, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. N.A.J.M. Rasenberg, griffier, op 16 september 2026.

Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »