RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: 10914823 \ CV EXPL 24-375
Vonnis van 21 augustus 2024
in de zaak van
[eiseres] , H.O.D.N. [bedrijf 1] ,
in hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [belanghebbende],
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. J. Zeegers,
tegen
[gedaagde] , handelend onder de naam [bedrijf 2] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 7 februari 2024
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 mei 2024 - de akte vermindering van eis van de kant van [eiseres]
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Bij beschikking van de kantonrechter van 25 juli 2014 zijn de (toekomstige) goederen van [belanghebbende] (hierna: [belanghebbende] ) onder bewind gesteld met benoeming van [eiseres] tot bewindvoerder. De kantonrechter heeft bepaald dat het bewind moet worden ingeschreven in het daartoe bestemde register.
Met ingang van 1 april 2023 is [belanghebbende] bij [gedaagde] voor 15 uur per week in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden. Het uurloon van [belanghebbende] bedroeg € 11,75 bruto. De arbeidsovereenkomst is daarna voortgezet, voor de duur van een jaar, tot en met 30 september 2024. Het bruto uurloon is verhoogd naar
€ 13,19. De vakantietoeslag bedraagt 8%.
3 Het geschil
[eiseres] vordert, na akte vermindering van eis, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. [gedaagde] zal veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van € 1.904,30 netto aan achterstallig loon over de periode april 2023 tot en met mei 2024, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% over dit bedrag;
b. [gedaagde] zal veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van € 210,09 bruto, althans het netto-equivalent van dat bedrag, aan vakantietoeslag, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% over dit bedrag;
c. [gedaagde] zal veroordelen om het loon van [belanghebbende] maandelijks op het bij [gedaagde] bekende rekeningnummer van [belanghebbende] bij [bedrijf 1] over te maken totdat het tussen partijen bestaande dienstverband rechtsgeldig is geëindigd,
d. [gedaagde] zal veroordelen tot het uiterlijk binnen een week na datum betekening van het vonnis aan [bedrijf 1] verstrekken van deugdelijke bruto-netto specificaties betreffende het loon en de vakantietoeslag van [belanghebbende] over de periode april 2023 tot en met mei 2024 totdat het tussen partijen bestaande dienstverband rechtsgeldig is geëindigd waarbij [gedaagde] een dwangsom ad € 100,00 per dag met een maximum van € 5.000,00 verbeurt voor iedere dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft.
e. [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van de procedure.
[eiseres] legt aan deze vorderingen - samengevat - het volgende ten grondslag.
Op basis van de arbeidsovereenkomst moet [gedaagde] het loon aan [belanghebbende] betalen. Omdat het vermogen van [belanghebbende] onder bewind staat moest [gedaagde] het loon op de beheerrekening betalen. [gedaagde] heeft in juni 2023 € 134,49 netto, in maart 2024 € 172,26 netto en in april 2024 een bedrag van € 200,00 netto overgemaakt op de beheerrekening. Voor het overige heeft [gedaagde] het loon van [eiseres] niet betaald. [gedaagde] heeft ook de vakantietoeslag niet betaald. Omdat [gedaagde] te laat is met betalen is hij op grond van artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de wettelijke verhoging van 50% over het te laat betaalde loon en de vakantietoeslag verschuldigd.
[gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen. [gedaagde] voert aan dat hij het loon maandelijks contant aan [belanghebbende] heeft betaald, zodat de vorderingen van [eiseres] moet worden afgewezen.
Op de inhoud van het verweer wordt indien nodig hierna nader ingegaan.
4 De beoordeling
[gedaagde] voert ten eerste aan dat hij maandelijks contant een bedrag van € 250,00 aan loon aan [belanghebbende] heeft betaald. Dat het vermogen van [belanghebbende] onder bewind is gesteld wist hij niet.
Door het bewind was [belanghebbende] niet bevoegd de betaling van het loon in ontvangst te nemen. Dat volgt uit artikel 1:438 lid 1 BW. [gedaagde] heeft dus contant betaald aan iemand die niet bevoegd was de betalingen te ontvangen. Dat [gedaagde] - zoals hij heeft aangevoerd - niet wist dat de goederen van [belanghebbende] onder bewind stonden, kan hij niet met succes tegenover [eiseres] aanvoeren. In artikel 6:34 BW is bepaald dat [gedaagde] dat alleen kan doen als hij op redelijke gronden heeft aangenomen dat hij aan [belanghebbende] mocht betalen. Omdat het bewind van [belanghebbende] in het openbare bewindsregister is opgenomen, had [gedaagde] , door het register te raadplegen, kunnen weten van het bewind. Daarom had hij geen redelijke grond om aan te nemen dat hij aan [belanghebbende] kon betalen. [gedaagde] heeft dus niet bevrijdend aan [belanghebbende] betaald. Op [gedaagde] rust daarom nog steeds de verbintenis om het loon en de vakantietoeslag aan [eiseres] te betalen.
Tijdens de mondelinge behandeling is afgesproken dat [gedaagde] de loonstroken over de periode april 2023 tot en met mei 2024 aan [eiseres] zal sturen, waarna [eiseres] de loonvordering kon berekenen. Nadat [gedaagde] de loonstroken heeft gestuurd, heeft [eiseres] berekend dat [belanghebbende] nog recht heeft op een bedrag aan loon van € 1.904,30 netto en op en bedrag van € 210,09 bruto aan vakantietoeslag. Ondanks dat [gedaagde] in de gelegenheid is gesteld om op deze berekening te reageren, heeft hij dat niet gedaan.
De kantonrechter zal de vordering van [eiseres] op dit onderdeel dan ook toewijzen.
[eiseres] heeft de wettelijke verhoging van 50% gevorderd. De wettelijke verhoging is bedoeld als prikkel voor een werkgever om het loon op tijd te betalen. Omdat [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij maandelijks een bedrag van € 250,00 contant aan [belanghebbende] heeft betaald en [belanghebbende] dat ook heeft verklaard, zal de kantonrechter de wettelijke verhoging in dit geval beperken tot nihil. Dat betekent dat [gedaagde] naast het loon en de vakantietoeslag geen extra bedrag aan [eiseres] hoeft te betalen.
De vordering dat [gedaagde] het loon maandelijks aan [belanghebbende] moet betalen door overmaking op de beheerrekening van [belanghebbende] , zal worden afgewezen. Dat [gedaagde] dit moet doen volgt uit de arbeidsovereenkomst. Er zijn geen aanwijzingen dat [gedaagde] zijn verbintenis uit de arbeidsovereenkomst niet zal nakomen, zodat [eiseres] op dit moment geen belang heeft bij deze vordering.
[eiseres] heeft ten slotte overlegging van bruto-netto specificaties gevorderd. Voor zover die vordering gaat over de periode april 2023 tot en met mei 2024, zijn deze al door [gedaagde] overgelegd en zal de vordering van [eiseres] worden afgewezen. Voor de periode na mei 2024 volgt uit de wet dat [gedaagde] deze specificaties moet overleggen. Er zijn geen aanwijzingen dat [gedaagde] deze wettelijke plicht niet zal nakomen, zodat [eiseres] op dit moment geen belang heeft bij deze vordering. Dat betekent dat de vordering op dit onderdeel zal worden afgewezen.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiseres] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
87,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
510,00 |
(2,50 punten × € 204,00) |
|
- nakosten |
€ |
102,00 |
|
|
Totaal |
€ |
699,00 |
5 De beslissing
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.904,30 netto aan loon over de periode april 2023 tot en met mei 2024 en een bedrag van € 210,09 bruto aan vakantietoeslag;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 699,00,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Sijsma en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2024. mt |
||