ECLI:NL:RBDHA:2026:31588

Datum uitspraak
24-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL25.21310
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Artikel 8 EVRM, gezinshereniging, mvv. Eiseres is de moeder van referent en verblijft in Pakistan. Referent verblijft in Nederland met zijn echtgenote en kinderen. De minister stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat er geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en referent, haar schoondochter en haar kleinkinderen. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar kleinkinderen. De minister heeft ten onrechte geen belangenafweging gemaakt. De rechtbank is verder van oordeel dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent en zijn echtgenote. Beroep gegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL25.21310

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedag] 1939, van Pakistaanse nationaliteit, eiseres,

(gemachtigde: mr. N.C. Blomjous),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. S. Bozkurt).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister om aan eiseres geen machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te verlenen. Eiseres is het niet eens met dit besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van de minister.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De minister moet opnieuw op het bezwaar van eiseres beslissen. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM1 tussen eiseres en haar kleinkinderen. De minister moet daarom een belangenafweging maken. De rechtbank is het met de minister eens dat er tussen eiseres en haar zoon en zijn echtgenote geen sprake is van gezinsleven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

1.2.

Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de relevante omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór het bestreden besluit. Onder 4 staat een samenvatting van het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Als bijlage bij deze uitspraak is een uitleg van deze uitspraak voor de minderjarige kleinkinderen van eiseres opgenomen.

Procesverloop

2. Op 18 mei 2022 heeft de zoon van eiseres, [referent] (hierna: referent), een aanvraag ingediend voor een mvv voor eiseres.

2.1.

De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 1 februari 2024 afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2.2.

Met het bestreden besluit van 11 april 2025 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard.

2.3.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

2.4.

De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, zijn echtgenote en kinderen, de gemachtigde van eiseres, M. Amer als tolk in de taal Urdu en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond

3. Eiseres is de moeder van referent en verblijft in Pakistan. Referent is in 2014 vertrokken uit Pakistan. Na een verblijf in Duitsland is hij in 2020 naar Nederland gekomen en heeft hij hier asiel aangevraagd. Deze aanvraag is op 22 april 2022 ingewilligd. Zijn echtgenote [echtgenote] en hun drie kinderen [kind 1] (geboren op [geboortedag] 2007), [kind 2] (geboren op [geboortedag] 2012) en [kind 3] (geboren op [geboortedag] 2015) hebben daarna een mvv gekregen in het kader van nareis. Zij zijn in maart 2024 naar Nederland gekomen.

Bestreden besluit

4. De minister stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat er geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en referent, haar schoondochter en haar kleinkinderen.

4.1.

Tussen eiseres en referent is er volgens de minister namelijk geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Hoewel eiseres en referent tot zijn vertrek in 2014 altijd hebben samengewoond, en referent eiseres financieel ondersteunt, heeft eiseres zich staande kunnen houden tijdens de afwezigheid van referent. Het gaat redelijk goed met de gezondheid van eiseres. Indien nodig, kan eiseres terugvallen op de hulp en zorg van anderen, zoals de zussen van referent die in Pakistan wonen. Bovendien heeft eiseres sterke banden met Pakistan en niet met Nederland.

4.2.

Ook tussen eiseres en de echtgenote van referent is volgens de minister geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Dat zij sinds het huwelijk in 2006 hebben samengewoond, is onvoldoende. Verder is niet gebleken dat eiseres op enige wijze speciaal afhankelijk is van de echtgenote van referent. Dat de echtgenote en kinderen van referent in 2024 naar Nederland zijn vertrokken laat zien dat er geen sprake is van een dusdanige afhankelijkheid dat eiseres niet alleen achtergelaten kon worden.

4.3.

Verder is er volgens de minister geen sprake van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar kleinkinderen. De kleinkinderen zijn weliswaar met eiseres opgegroeid, maar eiseres was niet hun primaire verzorgster. Niet is gebleken dat eiseres ook een feitelijke opvoedkundige rol vervulde in het gezin. De liefdevolle band tussen eiseres en haar kleinkinderen kan als gebruikelijk worden beschouwd.

4.4.

Omdat er geen sprake is van familieleven, maakt de minister geen belangenafweging.

Had de minister eiseres en haar kleinkinderen moeten horen?

5. Eiseres stelt voorop dat het onderzoek van de minister niet zorgvuldig is geweest omdat de minister haar en haar kleinkinderen niet heeft gehoord. Er is uitdrukkelijk verzocht om alle gezinsleden in de gelegenheid te stellen te worden gehoord.

6. De rechtbank overweegt dat referent en zijn echtgenote zijn gehoord. Er is dus geen sprake van een situatie waarbij er niet is gehoord en de hoorplicht om die reden is geschonden. De rechtbank vindt wel dat het passender was geweest als ook eiseres en haar kleinkinderen waren gehoord over hun band met elkaar. De rechtbank laat het bij deze constatering en verbindt er geen juridische consequenties aan. De rechtbank is namelijk van oordeel dat zij voldoende informatie heeft om zelf, vol toetsend2, een oordeel te geven over het bestaan van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar kleinkinderen.

Is er sprake van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar kleinkinderen?

7. Uit rechtspraak van het EHRM3 volgt dat er sprake is van familie- of gezinsleven tussen een minderjarig kind en zijn grootouder als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, als uit de feiten en omstandigheden volgt dat daadwerkelijk sprake is van hechte persoonlijke banden. Omstandigheden die hierop kunnen duiden zijn bijvoorbeeld als betrokkenen regelmatig contact hebben, of als betrokkenen hebben samengewoond.4

7.1.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar kleinkinderen. Uit het dossier en uit de verklaringen van referent en de kleinkinderen op de zitting, komt het beeld naar voren dat eiseres en haar kleinkinderen vanaf de geboorte van de kleinkinderen tot aan hun vertrek naar Nederland in maart 2024 altijd hebben samengewoond. Ook komt naar voren dat eiseres een duidelijke rol had in de zorg en opvoeding van haar kleinkinderen. Zij bracht de kinderen naar bed en las hen voor. Zij vertelde de echtgenote van referent wat zij moest koken en wanneer. Zij deelde haar eigen verhalen. Ook bepaalde eiseres wat de kinderen wel en niet kregen aan bijvoorbeeld kleding en speelgoed. Dat doet zij nu nog steeds. Als de kinderen van hun ouders iets niet krijgen, dan bellen ze naar eiseres en dan regelt zij dat. Het gezin belt elke dag met eiseres.

7.2.

Anders dan de minister betoogt, is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet slechts een zeer marginale rol vervulde in de opvoeding van haar kleinkinderen. Op de zitting is gebleken dat de minister bij de beoordeling veel gewicht toekent aan de uiterst summiere verklaring van de echtgenote van referent tijdens de hoorzitting, “Alles kwam op mijn schouders” toen referent uit Pakistan vertrok. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee voorbijgaat aan al het overige dat is verklaard en uit het dossier blijkt. Aan de zojuist geciteerde verklaring kan dus niet het gewicht toekomen dat de minister daaraan hecht.

7.3.

De beroepsgrond slaagt.

7.4.

Het voorgaande betekent dat er sprake is van gezinsleven tussen eiseres en haar kleinkinderen en dat de minister ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt.

Is er sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent en tussen eiseres en de echtgenote van referent?

8. Eiseres voert verder onder meer aan dat de combinatie van zeer lang samenwonen, financiële zorg, als ook de zorg die verleend werd door de echtgenote van referent toen referent gedwongen werd te vluchten, maken dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Dat deze zorg als de nood daar is ook door anderen verricht kan worden, maakt niet dat er om die reden geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn.

9. De rechtbank overweegt dat uit rechtspraak van het EHRM volgt dat pas kan worden gesproken van een door artikel 8 van het EVRM beschermd gezinsleven tussen ouders en hun meerderjarige kinderen als er sprake is van “more than the normal emotional ties, involving further elements of dependency”.5 Er moet dan sprake zijn van meer dan gebruikelijke emotionele banden en om te bepalen of daarvan sprake is, kijkt het EHRM naar bijkomende elementen van afhankelijkheid. Hierbij kan onder meer relevant zijn: de eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst. Exclusieve afhankelijkheid tussen de ouder en het meerderjarige kind is niet vereist, maar de aanwezigheid van andere familieleden in het land van herkomst die de nodige zorg kunnen bieden, kan wel relevant zijn in de beoordeling.6 De rechtbank toetst het standpunt van de minister over de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid –conform de jurisprudentie van het EHRM – vol.7

9.1.

De rechtbank is ten eerste van oordeel dat de minister niet heeft mogen tegenwerpen dat het feit dat de echtgenote en kinderen van referent in 2024 naar Nederland zijn vertrokken, laat zien dat er geen sprake is van een dusdanige afhankelijkheid dat eiseres niet alleen achtergelaten kon worden. Referent heeft als Ahmadiyya moslim een gegronde vrees voor vervolging en heeft daarom een asielvergunning gekregen. In het licht van de algemeen bekende landeninformatie over de positie van Ahmaddiyya moslims in Pakistan is het niet onaannemelijk dat ook zijn echtgenote en kinderen zich in Pakistan in een onveilige situatie bevonden. Er lijkt sprake geweest te zijn van een keuze tussen twee kwaden: in Pakistan blijven in een onveilige omgeving, of vertrekken. Referent heeft op de zitting verklaard: “In eerste instantie heeft mijn moeder bij het nareisverzoek ook gevraagd of zij mee kon komen. Maar dat lukte niet. Toen de kinderen en mijn echtgenote een mvv hadden gekregen, was het best moeilijk om te kiezen, en hoe kon ik haar achterlaten, maar dat heb ik toch gedaan om opnieuw te proberen dat zij toch ook kon komen.” Het achterlaten van eiseres was dan ook geen keuze die uit geheel vrije wil is gemaakt. Daarom kan het achterlaten van eiseres niet steunend zijn voor de conclusie dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent en zijn echtgenote.

9.2.

Gelet op de overige omstandigheden is de rechtbank evenwel van oordeel dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent en zijn echtgenote. Ten eerste is er geen sprake van een sterke medische afhankelijkheid. Uit het dossier en de verklaringen van referent op de zitting blijkt dat eiseres alleen ouderdomsklachten heeft. Zij kan niet meer goed horen en lopen. Verder zijn er veel familieleden in Pakistan die eiseres kunnen helpen als dat nodig is. Eén van de zussen van referent woont bij eiseres in het dorp. Zij komt ongeveer twee keer per week bij eiseres. Ook komt er elke dag een verpleegster langs die onder andere eten maakt voor eiseres. Bovendien is eiseres niet volledig financieel afhankelijk van referent, maar ontvangt zij ook een deel van het pensioen van haar overleden echtgenoot. Deze omstandigheden brengen de rechtbank tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er, ondanks de langdurige samenwoning, geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent en zijn echtgenote.

9.3.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.8 De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om zelf een beslissing over aanvraag van eiseres te nemen. Dit omdat de minister een belangenafweging moet maken onder artikel 8 van het EVRM.

11. Ten overvloede geeft de rechtbank de minister het volgende mee voor de te maken belangenafweging. Gebleken is dat referent werkt en dat het gezin in een vierkamerwoning woont. Het gezin kan eiseres in huis nemen en onderhouden als zij naar Nederland komt. Eiseres is weliswaar op leeftijd en heeft last van ouderdomskwalen, maar zij lijdt niet aan een ziekte. Daarom is wellicht de verwachting gerechtvaardigd dat zij slechts beperkt gebruik zal maken van de gezondheidszorg in Nederland. Dit zijn omstandigheden die in het voordeel van eiseres kunnen worden meegewogen in het kader van het economisch belang. Daarnaast gaat het weliswaar goed met de kinderen op school, maar hebben zij op de zitting ook verklaard dat zij eiseres heel erg missen en dat zij zich continue zorgen maken over eiseres. Haar afwezigheid is voor hen dus een continue bron van stress. Ook dit is een relevante omstandigheid voor de belangenafweging.

12. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.

13. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden. Ook krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »