ECLI:NL:RBDHA:2026:31497

Datum uitspraak
23-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL25.62465 en NL26.26791
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

VA Jemen, 15c-beoordeling, 3 EVRM-beoordeling. De beroepen zijn gegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL25.62465 en NL26.26791

V-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser 1] , geboren op [geboortedag 1] 2002, eiser 1,

en

[eiser 2] , geboren op [geboortedag 2] 2004, eiser 2,

beiden van Jemenitische nationaliteit,

hierna samen te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. F. Boone)

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. M. Hoppema).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvragen van eisers als kennelijk ongegrond.

1.1.

Bij besluiten van 18 december 2025 en 7 mei 2026 heeft de minister de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel afgewezen als kennelijk ongegrond (bestreden besluiten).

1.2.

Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.

1.3.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en hun gemachtigde, T. Ayash als tolk in de Arabische taal, en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden de asielaanvragen van eisers heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.

2.1.

De rechtbank is van oordeel dat de beroepen gegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Juridisch kader

3. Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact inwerking getreden. In dat kader is de Vw1, het Vb2 en de Vc3 met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (de Uitvoerings- en implementatiewet) gewijzigd. Op grond van artikel IX, zesde lid, onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet, zijn de artikelen van de Vw en het Vb zoals deze golden tot 12 juni 2026 op eisers aanvraag van toepassing omdat deze aanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026. In deze uitspraak hebben de verwijzingen naar de Vw en het Vb dan ook betrekking op de wetsversie die geldig was tot 12 juni 2026.

Achtergrond en asielrelaas

4. Eisers hebben het volgende aan hun asielrelaas ten grondslag gelegd. Eisers hebben verklaard dat zij de Jemenitische nationaliteit hebben en tot de Arabische bevolkingsgroep behoren. Eisers hebben hun Jemenitische nationaliteit door hun ouders, maar hebben altijd in Saoedi-Arabië gewoond. Zij zijn nog nooit in Jemen geweest. Eisers hebben Saoedi-Arabië in september 2022 verlaten, voordat hun verblijfsvergunning daar afliep. Op het moment dat zij meerderjarig zouden worden, moesten zij daar zelf leges betalen waarvoor zij geen geld hadden. Daarom zijn eisers uit Saoedi-Arabië vertrokken, omdat zij vreesden anders naar Jemen te worden gestuurd. Eisers zijn met een visum van Malta via Malta en België op respectievelijk 15 oktober 2022 en in november 2022 in Nederland gereisd. Eisers stellen niet naar Jemen te kunnen gaan. Eisers vrezen voor de oorlogssituatie in Jemen en dat zij zullen worden gerekruteerd om te vechten. Daarom hebben eisers op 30 juli 2023 asiel aangevraagd.

Besluitvorming

5. De minister heeft het volgende asielmotief onderscheiden:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst.

5.1.

De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. Eisers zijn echter geen vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Het feit dat eisers uit Jemen komen is op zichzelf namelijk niet genoeg om een vluchteling te zijn.4 Eisers behoren niet tot een risicoprofiel zoals genoemd in paragraaf C7/19.3.2 van Vc. Nu de algemene veiligheidssituatie in Jemen en mogelijke rekrutering niet te herleiden zijn tot een van de gronden van het Verdrag kan ook dit niet leiden tot een geslaagd beroep op Vluchtelingschap. Verder lopen eisers bij terugkeer naar Jemen geen risico op ernstige schade. Het feit dat eisers uit Jemen komen is op zichzelf namelijk niet genoeg om een risico op ernstige schade aan te nemen.5 Ook voldoen eisers niet aan het individualiseringsvereiste. Daarnaast is er geen reden om aan te nemen dat eisers enkel vanwege hun verblijf in Saoedi-Arabië een verhoogd risico lopen op geweld vanuit welke groepering dan ook. Verder hebben eisers niet aannemelijk kunnen maken dat ze bij terugkeer naar Jemen gerekruteerd zullen worden door de strijdende partijen. Daarom heeft de minister ten aanzien van eiser 1 aangenomen dat hij terug kan keren naar Al Jawf, de provincie van herkomst. Ten aanzien van eiser 2 heeft de minister aangenomen dat hij in iedere regio in Jemen terug kan keren. De minister heeft de aanvragen kennelijk ongegrond verklaard omdat eisers niet onmiddellijk asiel hebben aangevraagd toen dit mogelijk was.6 Tot slot heeft de minister een terugkeerbesluit7 aan eiser 1 opgelegd en aan eiser 2 een terugkeerbesluit en een inreisverbod8 voor de duur van twee jaar.

5.2.

In het verweerschrift heeft de minister een nieuw standpunt ingenomen en voor beide eisers aangenomen dat zij in iedere regio in Jemen kunnen terugkeren.

Standpunt van eisers

6. Eisers stellen zich op het standpunt dat het gewijzigde landenbeleid van de minister nog steeds niet voldoet aan de zorgvuldigheids- en motiveringsvoorwaarden en daarmee aan de opdracht van de Afdeling9 van 16 juli 202510. Het is namelijk nog steeds onduidelijk hoe de humanitaire omstandigheden zijn betrokken bij het nieuwe landenbeleid en ook al staan ze wel genoemd, het is onduidelijk hoe deze omstandigheden zijn meegenomen en betrokken bij de beoordeling. Eiser verwijst hierbij naar verschillende uitspraken van de rechtbank Den Haag.11 Dat in het herziene beleid de geweldsgradaties veelal naar beneden zijn bijgesteld, klemt des te meer nu de landeninformatie weinig verbetering laat zien. Ook kan de provincie Al Jawf niet in algemene zin worden aangewezen als beschermingsalternatief. Dit gebied heeft, net als de rest van Jemen, te maken met een humanitaire crisis en is het moeilijk voor Jemenieten uit andere gebieden om zich hier te vestigen zonder stamverband. Daarnaast ligt de verantwoordelijkheid bij de minister om te onderbouwen dat iemand zich daar redelijkerwijs kan vestigen en er veilig en wettig naar die regio gereisd kan worden. Mogelijk is dit in individuele gevallen mogelijk, maar een algemene tegenwerping volstaat niet. Tot slot heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd, in het kader van artikel 3 van het EVRM12 zoals bedoeld in het arrest Sufi en Elmi13, dat de humanitaire crisis niet in overwegende mate is of wordt veroorzaakt door de strijdende partijen. De minister kan ter motivering hiervan niet slechts verwijzen naar de 15c-beoordeling, omdat artikel 3 van het EVRM los hiervan dient te worden beoordeeld.

Artikel 15c van de Kwalificatieverordening

7. Allereerst stelt de rechtbank vast dat, anders dan de minister betoogt, het landenbeleid van de minister ten aanzien van Jemen geen standhoudt. Ten aanzien van de beoordeling van de algehele veiligheidssituatie verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 3 juli 202614. In deze uitspraken is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat niet inzichtelijk is geworden hoe de elementen uit het arrest CF en DN15 van het Hof van Justitie16 van 10 juni 2021 samen hebben geleid tot de conclusie dat in Jemen geen sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Ook heeft de minister niet op deugdelijke wijze de humanitaire omstandigheden betrokken en daarmee niet in lijn gehandeld met de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 202517. De rechtbank sluit zich bij dit oordeel aan en maakt het tot de hare. Dat de minister in hoger beroep is gegaan tegen voornoemde uitspraken, maakt het oordeel niet anders.

7.1.

De minister heeft ten aanzien van het landenbeleid over Jemen in het verweerschrift gewezen op de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 20 augustus 202618. In deze uitspraken is geoordeeld dat de minister met de aanvullende motivering in voldoende mate alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen die van belang zijn voor de beoordeling van de mate van willekeurig geweld in Jemen. Aan de wijziging van het landenbeleid ten aanzien van Jemen heeft de minister de beslisnota 15c19 ten grondslag heeft gelegd. Zoals de rechtbank in rechtsoverweging 7 heeft overwogen houdt deze beleidswijziging volgens deze rechtbank en zittingsplaats, anders dan de minister betoogt, geen stand. Voor zover de minister met de verwijzing naar voornoemde uitspraak heeft bedoeld te zeggen dat daaruit blijkt dat eisers naar de door de minister als veilig beoordeelde gebieden in Jemen kunnen terugkeren, is de rechtbank van oordeel dat elke asielaanvraag op zijn eigen merites dient te worden beoordeeld. De verwijzing naar deze uitspraak volstaat naar het oordeel van de rechtbank om die reden dan ook niet.

7.2.

Daar komt bij dat de landeninformatie van Jemen geen eenduidig beeld schetst van de situatie van terugkeerders. Uit de informatie uit het algemeen ambtsbericht20 volgt dat er nauwelijks tot geen concrete informatie beschikbaar is over uitgeprocedeerde asielzoekers die vanuit Europa of andere westerse landen naar Jemen terugkeren. De stelling van de minister dat eisers wel terug kunnen keren naar gebieden die niet onder controle staan van de Houthi’s volgt de rechtbank niet. Uit een brief van VluchtelingenWerk Nederland21 blijkt namelijk dat ook de door de regering gecontroleerde gebieden nog steeds onveilig zijn door de chaos en de voortdurende gevechten tussen de troepen die gelieerd zijn aan de Verenigde Arabische Emiraten en de Saoedische proxies aan de andere kant. Ook volgt uit deze brief dat de beslissing van Jemenieten, die woonden in Saudi-Arabië, om terug te keren naar Jemen veelal te maken had met de omstandigheden in Saoedi-Arabië, en niet met de verbeterde veiligheidssituatie in Jemen. De terugkerende Jemenieten krijgen in ieder geval te maken met dezelfde omstandigheden als ontheemden: gebrekkige toegang tot (basale) gezondheidszorg voor ontheemden en ontheemden zijn bijna volledig afhankelijk van humanitaire hulp. Dat de minister op de zitting heeft gesteld dat eisers zich wel staande kunnen houden omdat hun vader hen daar financieel kan onderhouden volgt de rechtbank ook niet. Dat de vader van eisers genoeg inkomsten heeft en daarmee eisers op afstand kan onderhouden is namelijk een aanname die door de minister helemaal niet is onderzocht. De rechtbank kan dan ook niet volgen waarom eisers naar een gebied wat niet onder de controle van de Houthi’s staat zouden kunnen terugkeren. Het is daar immers ook niet veilig en eisers zullen daar in dezelfde situatie terechtkomen als ontheemden. De beroepsgrond slaagt.

8. Ten aanzien van de beoordeling van artikel 3 van het EVRM verwijst de rechtbank wederom naar de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 3 juli 202622. In deze uitspraken is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat de minister niet heeft voldaan aan de opdracht van de Afdeling in haar uitspraak van 16 juli 2025 door niet te beoordelen of de humanitaire omstandigheden in Jemen die geen verband houden met willekeurig geweld, strijd opleveren met artikel 3 van het EVRM. De verwijzing van de minister ter zitting naar de beoordeling in het kader van artikel 15, aanhef en onder c van de Kwalificatierichtlijn en de aanwezigheid van adequate opvang volstaat niet, nu de toets onder artikel 3 van het EVRM een autonome beoordeling betreft en de minister in de 15c-beoordeling niet is ingegaan op de vraag of de vreemdeling in staat zal zijn “to cater for his most basic needs”. De rechtbank sluit zich bij dit oordeel aan en maakt deze tot de hare. Dat de minister in hoger beroep is gegaan tegen voornoemde uitspraken, maakt het oordeel niet anders.

8.1.

Ook stelt de rechtbank vast dat de minister in beroep niet aan de hand van de meest recente landeninformatie heeft beoordeeld of eisers bij terugkeer naar Jemen geen risico lopen op ernstige schade. De bestreden besluiten zijn van 18 december 2025 en 7 mei 2026. Na die tijd zijn er veel ontwikkelingen geweest in Jemen zowel ten aanzien van de algemene veiligheidssituatie als de humanitaire situatie. Zo is het geweld door middel van luchtaanvallen en de gevechten op verschillende fronten in Jemen geïntensiveerd.23 Ook is het aantal ontheemden enorm toegenomen en is er ingrijpend bezuinigd op humanitaire financiering.24 De rechtbank acht het onzorgvuldig dat de minister deze recente landeninformatie niet heeft betrokken in zijn standpunt als ingenomen in het verweerschrift van 6 oktober 2026. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de asielaanvragen van eisers dus ten onrechte afgewezen. Het beroep is gegrond, omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb25. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, nu de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de situatie van eisers bij terugkeer naar Jemen en het risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.

9.1.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister nieuwe besluiten moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van zes weken.

9.2.

De rechtbank veroordeelt de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. De

proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de

door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,-. De rechtbank kent 2 punten voor het indienen van de beroepschriften toe aangezien voor beide eisers afzonderlijk beroep is ingediend en de bestreden besluiten niet geheel gelijkluidend waren. De rechtbank kent 1 punt toe voor het verschijnen ter zitting aangezien de zaken gelijktijdig en als samenhangende zaken zijn behandeld en daar dezelfde kwesties gelijkelijk aan de orde zijn geweest. De waarde per punt is voor deze zaken € 934,- en hiervoor geldt een wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 18 december 2025 en 7 mei 2026;

- draagt de minister op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »