RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.56379
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Omdat eiser ook verzoekt om schadevergoeding beoordeelt de rechtbank ook of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 6 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 17 juli 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.1
De minister heeft een kennisgeving voortduren vreemdelingenbewaring aan de rechtbank gezonden. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.2 Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 30 september 2026 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.3
4. Uit de uitspraak van 17 juli 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 14 juli 2026, rechtmatig is.
Verzoek om een zitting
5. Hoewel eiser heeft verzocht om op zitting gehoord te worden, heeft de rechtbank aan dat verzoek geen gevolg gegeven. Het horen van eiser is ook niet verplicht, omdat het gaat om een beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring. Het horen van eiser is in dit geval ook niet nodig. De rechtbank heeft namelijk op basis van de stukken in het procesdossier al voldoende informatie om een oordeel te kunnen geven over het vervolgberoep.
Voortvarend handelen
6. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft aangetoond dat met de vereiste voortvarendheid aan de daadwerkelijke verwijdering is en wordt gewerkt. Eiser heeft tijdens het vertrekgesprek op 19 augustus 2026 aangegeven bereid te zijn om met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) te willen vertrekken naar Algerije. De minister heeft onvoldoende actief en concreet onderzocht of de vrijwillige terugkeerroute kon worden benut. Daarnaast heeft de minister geen concrete stappen ondernomen om een spoedige presentatie bij de Algerijnse autoriteiten te realiseren.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld door op 16 juli, 20 augustus en op 8 september 2026 schriftelijk, en op 30 juli 2026 telefonisch, te rappelleren bij de Algerijnse autoriteiten. Daarnaast zijn met eiser vertrekgesprekken gevoerd op 21 juli, 19 augustus en 16 september 2026. De rechtbank merkt op dat de minister geen verplichting heeft om te onderzoeken op welke wijze eiser zelfstandig kan terugkeren naar Algerije. Ook rust op de minister geen verplichting om contact te leggen met de IOM. Uit de voortgangsrapportage volgt dat, nu eisers nationaliteit op 20 augustus 2026 is bevestigd, hij op verzoek van de Algerijnse consul eerst dient te worden gepresenteerd, voordat zal worden overgegaan tot afgifte van een laissez-passer (lp). Dat het nog onduidelijk is wanneer eiser gepresenteerd zal worden, maakt niet dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. De minister is voor het plannen van een presentatie en het realiseren van een daadwerkelijk vertrek immers afhankelijk van de werkwijze van de Algerijnse autoriteiten. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting
7. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd dat zijn uitzetting binnen een redelijke termijn kan worden gerealiseerd. Dat een lp-aanvraag is ingediend, betekent niet dat sprake is van een concreet en binnen een redelijke termijn realiseerbaar voortuitzicht op verwijdering.
De rechtbank stelt voorop dat uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in zijn algemeenheid niet ontbreekt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt waarom zicht op uitzetting in zijn specifieke geval ontbreekt. De lp-aanvraag is op 29 juni 2026 ingediend. Zoals onder 6.1 is vermeld, heeft de minister herhaaldelijk gerappelleerd op de status van de lp-aanvraag. De autoriteiten hebben op
20 augustus 2026 de Algerijnse nationaliteit van eiser bevestigd. Dat nog geen lp is verstrekt, maakt niet dat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Aan de Algerijnse autoriteiten mag ook enige tijd worden gegund om de afgifte van een lp in orde te maken en om te bepalen welke stappen daarvoor nodig zijn. De minister moet voorlopig in de gelegenheid worden gesteld om een antwoord af te wachten. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het lp-traject op niets zal uitlopen. De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging en lichter middel
8. Eiser voert aan dat de minister een te weinig concrete en individuele belangenafweging heeft gemaakt. Er zijn nieuwe en gewijzigde omstandigheden die door de minister niet kenbaar en gemotiveerd zijn betrokken. In dit kader is van belang dat eiser tijdens het vertrekgesprek op 19 augustus 2026 uitdrukkelijk heeft aangegeven dat hij heeft besloten om naar Algerije terug te keren met behulp van de IOM en dat hij zijn paspoort bij de IOM wilde laten bezorgen. Deze verklaring is van wezenlijk belang voor de beoordeling van de noodzaak en proportionaliteit van de voortduring van de vreemdelingenbewaring, en had aanleiding moeten geven tot een hernieuwde beoordeling van het onderduikrisico en de mogelijkheid van een lichter middel. Daar komt bij dat bij eiser sprake is van medische problemen en dat hij door de maatregel van vreemdelingenbewaring last heeft van fysieke en mentale klachten. Deze medische aspecten heeft de minister ten onrechte niet meegewogen in haar belangenafweging.
De rechtbank overweegt dat in beginsel gedurende de eerste zes maanden van de vreemdelingenbewaring meer gewicht toekomt aan de belangen van de minister bij voortduring van de vreemdelingenbewaring dan aan de belangen van eiser bij zijn invrijheidstelling. Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zes maandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van de minister. Eiser heeft echter geen feiten of omstandigheden gesteld die maken dat de belangenafweging in zijn voordeel had moeten uitvallen.
Niet is gebleken dat de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden, en in het bijzonder het risico op onttrekking aan het toezicht, niet langer van toepassing zijn op eiser. Dat eiser tijdens het vertrekgesprek op 19 augustus 2026 heeft aangegeven terug te willen keren naar Algerije, doet niet af aan dat onttrekkingsrisico. In dat verband is ook relevant dat uit verslagen van eerdere vertrekgesprekken (die plaatsvonden op 7 en 25 juli 2026) volgt dat eiser geen medewerking heeft verleend aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Verder blijkt uit het dossier niet dat eiser, behoudens de enkele mededeling te willen meewerken, daadwerkelijk stappen heeft ondernomen om aan identiteitsdocument te komen dan wel vrijwillig vertrek te bewerkstelligen. Over de medische omstandigheden van eiser heeft de rechtbank al geoordeeld dat dit geen aanleiding is om een lichter middel op te leggen. Gesteld noch gebleken is dat de situatie inmiddels is gewijzigd zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om op dit punt tot een ander oordeel te komen. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.4
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.