RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.53481
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch),
en
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 6 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 6 juli 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.1
De minister heeft een kennisgeving voortduren vreemdelingenbewaring aan de rechtbank gezonden. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.2
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 18 september 2026 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.3
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.4
4. Uit de uitspraak van 6 juli 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 30 juni 2026 rechtmatig is.
Bestaat een redelijk vooruitzicht op uitzetting?
5. Eiser voert aan dat in zijn specifieke geval het zicht op uitzetting ontbreekt. Er kan niet bij voorbaat worden gesteld dat de Marokkaanse autoriteiten medewerking zullen verlenen aan het verstrekken van een laissez-passer (lp). Op 10 juni 2026 is een lp-aanvraag opgesteld, welke op 18 juni 2026 is verzonden naar de Marokkaanse autoriteiten. Ondanks herhaaldelijke rappels, heeft dit nog niet geleid tot afgifte van een lp. Eiser is tien jaar geleden als minderjarige naar Nederland gekomen. Hij heeft nooit identificerende documenten gehad, waardoor het zeer onwaarschijnlijk is dat de Marokkaanse autoriteiten hem in het systeem kunnen terugvinden.
De rechtbank stelt voorop dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in zijn algemeenheid niet ontbreekt.5 Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt waarom het zicht op uitzetting in zijn specifieke geval ontbreekt. Dat de Marokkaanse autoriteiten nog niet op de lp-aanvraag hebben gereageerd, betekent niet dat geen lp zal worden verstrekt. Aan de Marokkaanse autoriteiten mag ook enige tijd worden gegund om de afgifte van een lp in orde te maken en om te bepalen welke stappen daarvoor nodig zijn. De minister moet voorlopig in de gelegenheid worden gesteld om een antwoord af te wachten. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het lp-traject op niets zal uitlopen. Verder rust op eiser de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Niet gebleken is dat eiser op enige wijze invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht; zo komt uit de verslagen van de op 10 juli 2026 en 14 augustus 2026 gehouden vertrekgesprekken naar voren dat eiser met rust gelaten wil worden en dat hij terugkeer naar Marokko niet als een mogelijkheid ziet. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde grond, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.6
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.