ECLI:NL:RBDHA:2026:31455

Datum uitspraak
19-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
AWB 26/15448
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vovo, beëindiging opvang; verzoek toegewezen

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 26/15448

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 oktober 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.M. Vaalburg),

en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), verweerder

(gemachtigde: mr. W. Epema).

Procesverloop

Verweerder heeft verzoeker op 7 augustus 2026 uitgeschreven op de opvanglocatie van het COa waar hij verbleef wegens schending van de meldplicht. In een e-mail van het COa van 27 augustus 2026 zijn de redenen voor de uitschrijving toegelicht.

Verzoeker heeft op 14 september 2026 beroep ingesteld tegen de beëindiging van de opvang (AWB 26/15447). Tevens heeft hij de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen teneinde hem opnieuw tot de opvang toe te laten.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 6 oktober 2026 op zitting behandeld. Verzoeker en verweerder hebben zich elk laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Verzoeker heeft de Turkse nationaliteit en hij is sinds 6 augustus 2025 in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. In afwachting van huisvesting in een gemeente heeft verzoeker ook na het verkrijgen van zijn asielvergunning kunnen blijven maken van de (opvang)voorzieningen van het COa nadat het COa hiermee heeft ingestemd, zoals voorgeschreven in artikel 12 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva). Op grond van het tweede lid van artikel 12 van de Rva moet verzoeker zich tweewekelijks melden bij het COa.

3. Op 19 juli 2026 is verzoeker naar Bakoe, Azerbeidzjan gereisd om aldaar een operatie aan zijn neus te laten verrichten. Verzoeker heeft hiervoor echter geen ontheffing van zijn meldplicht van verweerder gekregen, zodat hij volgens verweerder zijn meldplicht op 22 juli, 29 juli en 5 augustus 2026 heeft gemist. De ingreep heeft langer geduurd dan van tevoren was gepland en verzoeker heeft, mede daarom, per e-mail contact opgenomen met verweerder over zijn afwezigheid. Verweerder heeft verzoeker op 7 augustus 2026 administratief uitgeschreven uit de opvanglocatie waar hij tot dan toe verbleef. Bij e-mail van 27 augustus 2026 heeft verweerder, in reactie op het verzoek van de gemachtigde van verzoeker, toegelicht waarom de opvang van verzoeker was beëindigd.

4. De verzochte voorlopige voorziening strekt ertoe te bepalen dat verweerder verzoeker opnieuw toelaat tot de opvanglocatie en de verstrekkingen te hervatten.

Spoedeisend belang

5. Verzoeker is op 7 augustus 2026 administratief uitgeschreven en vanaf dat moment is zijn opvang dus feitelijk beëindigd. Hij heeft sindsdien geen vaste verblijfsplaats meer en slaapt hij naar eigen zeggen in zijn auto of bij vrienden op de bank. Daarmee is de spoedeisendheid van zijn verzoek gegeven. De voorzieningenrechter zal daarom een belangenafweging verrichten en beoordelen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Dit oordeel heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de beroepsprocedure.

Ontvankelijkheid

6. Verweerder stelt allereerst dat het verzoek niet-ontvankelijk is omdat de beëindiging van de opvang van rechtswege is ingetreden en niet een gevolg is van enig op rechtsgevolg gericht besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb of feitelijk handelen in de zin van artikel 5, tweede lid, van de Wet COA. Volgens verweerder heeft slechts administratief vastgesteld dat de opvang is geëindigd en dat verzoeker is uitgeschreven uit de opvang.

7. De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in die redenering. Artikel 44, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) bepaalt inderdaad dat verlening van de verblijfsvergunning asiel van rechtswege tot gevolg heeft de beëindiging van verstrekkingen. Op grond van artikel 12, eerste lid, van de Rva geldt echter dat aan de asielzoeker aan wie een verblijfsvergunning is verleend en die in afwachting is van gemeentelijke woonruimte verstrekkingen (inclusief opvang) worden aangeboden, indien het COa daarmee heeft ingestemd. Uit artikel 7, eerste lid, onder l, van de Rva volgt dat het recht op opvang eindigt indien een asielzoeker niet de instemming heeft verkregen als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Rva. Het is niet in geschil dat verweerder aan verzoeker instemming heeft verleend om in de opvang te blijven na het verkrijgen van zijn asielvergunning. Hij valt daarom, anders dan verweerder stelt, nadrukkelijk niet onder de in artikel 7, eerste lid, bedoelde groepen van wie de beëindiging van de verstrekkingen van rechtswege intreedt. De beëindiging van zijn opvang vergde naar het oordeel van de voorzieningenrechter dus wel degelijk een besluit of een daarmee gelijk te stellen feitelijke handeling van verweerder. Verweerder heeft verzoeker op 7 augustus 2026 administratief uitgeschreven en heeft verzoeker hiervan in een e-mail van 27 augustus 2026 gemotiveerd op de hoogte gebracht. De voorzieningenrechter zal dat bericht aanmerken als een rechtens relevante handeling van verweerder in de zin van artikel 5, tweede lid, van de Wet COA, die met een beschikking gelijk moet worden gesteld. Tegen die feitelijke handeling staat beroep open. Het verzoek is dus ontvankelijk.

Beoordeling

8. Verzoeker betoogt dat verweerder de opvangvoorzieningen ten onrechte heeft beëindigd. Er deed zich geen uitzonderlijke situatie voor die beëindiging van de opvang rechtvaardigde. Verweerder heeft bovendien ten onrechte nagelaten een gemotiveerd besluit te nemen omtrent de beëindiging en slechts volstaan met het uitschrijven van verzoeker uit de opvang en hem feitelijk ontzeggen van de toegang. Verweerder heeft pas, desgevraagd, per e-mail van 27 augustus 2026 toegelicht waarom de opvang was beëindigd. De beëindiging van de opvang is een verregaande maatregel en verweerder heeft nagelaten in dit kader een deugdelijke belangenafweging te maken. Er ontbreekt bovendien regelgeving en beleid op grond waarvan duidelijk is wanneer de opvang wordt beëindigd bij het herhaaldelijk missen van de meldplicht. Daarnaast heeft verweerder hem ten onrechte een wekelijkse meldplicht opgelegd, terwijl voor een statushouder, anders dan voor een asielzoeker, op grond van artikel 12 van de Rva slechts een tweewekelijkse meldplicht geldt.

9. De voorzieningenrechter oordeelt hierover als volgt. Op grond van artikel 12, eerste lid, van de Rva krijgt de asielzoeker aan wie een verblijfsvergunning is verleend en die in afwachting is van gemeentelijke woonruimte verstrekkingen en opvang aangeboden als het COa daarmee heeft ingestemd. Dit is een afwijking van de hoofdregel dat het recht op verstrekkingen en opvang met het verstrekken van een asielvergunning van rechtswege eindigt. Als het COa heeft ingestemd met de voortzetting van de verstrekkingen en opvang, rust op de statushouder op grond van het artikel 12, tweede lid, van de Rva een tweewekelijkse meldplicht.

10. Voor de asielzoeker geldt op grond van artikel 10, eerste lid, onder b van de Rva dat verstrekkingen en opvang door het COa kunnen worden ingetrokken als de asielzoeker gedurende twee weken niet is voldoet aan wekelijkse meldplicht van artikel 19, eerste lid, onder e, van de Rva. Die meldplicht geldt echter niet onverkort voor verzoeker. De meldplicht op grond van artikel 19 van de Rva ziet op asielzoekers, terwijl verzoeker geen asielzoeker is maar een statushouder is aan wie met instemming van het COa langer vertrekkingen en opvang worden verleend. Voor de groep statushouders die met instemming langer in de COa-opvang verblijft geldt, zoals hiervoor al is overwogen, op grond van artikel 12, tweede lid, van de Rva een tweewekelijkse meldplicht. De voorzieningenrechter leidt uit dit samenstel van regels af dat voor verzoeker dus een tweewekelijkse meldplicht geldt en dat verweerder de opvang kan intrekken als gedurende twee periodes niet aan de tweewekelijkse meldplicht van artikel 12, tweede lid, van de Rva is voldaan.

11. De gemachtigde van verweerder heeft op zitting nog aangevoerd dat op verzoeker, naast de tweewekelijkse meldplicht, ook een wekelijkse meldplicht rust. Dit volgt volgens verweerder uit het Maatregelenbeleid COA waarin in hoofdstuk 4.5 is opgenomen dat het COa drie meldprocessen onderscheid: een wekelijkse meldplicht voor alle COa-bewoners inclusief vergunninghouders (dit wordt de COA-inhuisregistratie genoemd), een tweewekelijkse meldplicht voor vergunninghouders die nog verstrekkingen en opvang ontvangen (dit wordt verzoek om continuering van verstrekkingen genoemd) en een derde meldplicht de niet op vergunninghouders van toepassing is. De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in haar standpunt dat op verzoeker ook een wekelijkse meldplicht rustte. De wettelijke grondslag voor het Maatregelenbeleid COA is gelegen in de Wet COA en de Rva en die bieden, zoals de voorzieningenrechter hiervoor heeft overwogen, uitsluitend een grondslag voor een wekelijkse meldplicht voor asielzoekers, niet voor vergunninghouders. De voorzieningenrechter zal daarom uitgaan van een tweewekelijkse meldplicht.

12. De vraag is vervolgens of verzoeker zich gedurende twee periodes niet aan de tweewekelijkse meldplicht heeft gehouden. Volgens verweerder heeft verzoeker zich in 2025 vijf keer niet gemeld, te weten op 29 januari, 28 mei, 16 juli, 3 september en 26 november 2025. In 2026 heeft verzoeker wederom meerdere keren, op 21 januari en 11 februari 2026, niet aan zijn meldplicht gehouden. Hiervoor heeft hij ook meermaals een waarschuwing ontvangen. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de beëindiging van de opvang echter geheel is gebaseerd op het missen van de meldplicht op 22 juli, 29 juli en 5 augustus 2026.

13. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij in juli en augustus zijn meldplicht heeft gemist omdat hij op die data in Azerbeidzjan verbleef om een neusoperatie te ondergaan. Deze operatie was volgens verzoeker medisch noodzakelijk maar werd in Nederland niet vergoed. Omdat de operatie in Nederland veel duurder was dan in Azerbeidzjan besloot hij om de operatie aldaar te ondergaan. Hij stelt dat hij verweerder daarover op meerdere momenten heeft geïnformeerd maar dat hij geen ontheffing van zijn meldplicht heeft gekregen. Verzoeker heeft tegen de weigering van een ontheffing geen rechtsmiddel ingesteld dus de voorzieningenrechter zal er bij de verdere beoordeling van uitgaan dat verzoeker in die periode ook gehouden was zich te melden.

14. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat aan verzoeker geen toestemming is verleend om naar Azerbeidzjan te reizen en hij dus geen ontheffing van zijn meldplicht had. Verweerder werpt verzoeker in zoverre dus terecht tegen dat hij zich niet aan zijn meldplicht heeft gehouden. Dat verzoeker per e-mail contact heeft opgenomen met verweerder, doet daaraan niet af omdat dit niet gelijk is te stellen met het voldoen aan de meldplicht. De voorzieningenrechter stelt echter ook vast dat verzoeker zich naar eigen zeggen ten laatste (in de week van) 15 juli 2026 heeft gemeld. Dit is door verweerder niet betwist. Uitgaande van een tweewekelijkse meldplicht betekent dat dat verzoeker zich op 29 juli 2026 opnieuw had moeten melden. Vaststaat dat hij die melding heeft gemist. De volgende meldplicht was twee weken daarna op 12 augustus 2026. Op dat moment was verzoeker teruggekeerd, maar had verweerder hem al administratief uitgeschreven en de toegang tot de opvang ontzegd. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter had verweerder de opvang van verzoeker dus (nog) niet mogen beëindigen. Dat betekent dat de beëindiging van de opvang op onzrogvuldige en niet voldoende gemotiveerde wijze tot stand is gekomen, dat het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Het verzoek zal daarom worden toegewezen en verweerder dient ervoor te zorgen dat verzoeker zijn recht op opvang terugkrijgt. Hetgeen verzoeker verder heeft aangevoerd over de beëindiging van de opvang, behoeft geen nadere bespreking.

Conclusie

15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat de opvang van verzoeker door verweerder wordt hervat totdat uitspraak is gedaan op het beroep.

16. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoeker een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

  • bepaalt dat verweerder de uitschrijving ongedaan maakt en de verstrekkingen, waaronder begrepen de opvang, hervat totdat op het beroep is beslist;

  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2026.

de voorzieningenrechter is verhinderd te

tekenen

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »