RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/7270
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 september 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] CV, uit [vestigingsplaats] , verzoekster
(gemachtigde: G.B. Graafland),
en
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
(gemachtigde: mr. C. Cromheecke).
Waar gaat deze zaak over?
Verzoekster heeft twee subsidieaanvragen ingediend, één op grond van de Stour-regeling1, en één op grond van de AanZET-regeling2. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) heeft deze aanvragen afgewezen bij beschikkingen van 10 juni 2026. RVO heeft volgens verzoekster haar aanvraag uit de pool voor de subsidieaanvraag verwijderd. Verzoekster is het daar niet mee eens en heeft daartegen op 21 augustus 2026 een bezwaarschrift ingediend. Ook vraagt zij de voorzieningenrechter daarom een voorlopige voorziening te treffen.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. Een verzoek om een voorlopige voorziening is alleen ontvankelijk als er bezwaar, administratief beroep of beroep aanhangig is tegen een besluit van een bestuursorgaan.3 Dit is het zogenaamde formele connexiteitsvereiste.
2. Verzoekster heeft in haar verzoekschrift aangegeven dat RVO ten onrechte [naam verzoekster] BEV+-aanvragen uit de aanvraag/verdelingspool voor subsidieaanvragen op grond van de AanZET-regeling heeft verwijderd. De allocatie heeft vervolgens ten onrechte zonder deze aanvragen plaatsgevonden. Daar wil verzoekster een oordeel over. Zij vindt dat dit tegen de wettelijk voorgeschreven verdelingssystematiek heeft plaatsgevonden. Verzoekster beoogt te bereiken dat de verdelingsprocedure tijdens de bezwaarprocedure ‘on hold’ wordt gezet, zodat de uitvoering van de verdeelde subsidieregeling nog niet plaatsvindt.
3. De voorzieningenrechter heeft aan verzoekster gevraagd om het besluit en het bezwaarschrift over te leggen waarop het verzoek betrekking heeft. Verzoekster heeft gereageerd bij brief van 30 augustus 2026. Die reactie, net zoals het inleidende verzoekschrift en de latere reactie op het verweerschrift van RVO, is zeer omvangrijk en moeilijk leesbaar. De rechtbank maakt uit die stukken op dat verzoekster bedoelt te zeggen dat RVO geen afzonderlijk besluit heeft genomen waartegen verzoekster in bezwaar is gegaan. Het bezwaarschrift dat verzoekster heeft meegestuurd, gedateerd op 15 augustus 2026, is ook niet gericht tegen een besluit maar is gericht tegen de voorafgaande uitsluiting uit de verdelingspopulatie. RVO heeft dit bevestigd in zijn verweerschrift van 10 september 2026. Het bezwaar is dus niet gericht tegen een besluit zoals bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. De voorzieningenrechter ziet daarom niet dat sprake is van formele connexiteit.
4. Het voorgaande betekent dat niet wordt voldaan aan het connexiteitsvereiste zoals bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
Conclusie en gevolgen
5. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter geen oordeel kan geven over de vragen die verzoekster graag beantwoord wil zien. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 september 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.