ECLI:NL:RBDHA:2026:30675

Datum uitspraak
18-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/09/694803 / FA RK 25-8714
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming erkenning, gezag, zorg-/omgangsregeling, informatieregeling. IPR ivm Eritrese nationaliteit man en Letse nationaliteit moeder en kind.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 25-8714 (bodem), FA RK 26-6073 (voorlopige voorzieningen)

Zaaknummer: C/09/694803 (bodem), C/09/707287 (voorlopige voorzieningen)

Datum beschikking: 18 september 2026

Vervangende toestemming erkenning, gezag, zorg-/omgangsregeling en informatieregeling

Beschikking op de op 10 november 2025 en 15 juni 2026 ingekomen verzoeken van:

[de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. B. Manawi te Delft.

Als belanghebbende in beide zaken wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. E.G.S.N. Asselbergs te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende ten aanzien van de vervangende toestemming erkenning wordt aangemerkt:

[de minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2025 te [geboorteplaats 1] ,

de minderjarige,

in rechte vertegenwoordigd door mr. M.F. Laning,

advocaat te ’s-Gravenhage, in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

In de bodemprocedure:

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

  • het verzoekschrift, met bijlagen;

  • het verslag van de bijzondere curator;

  • het F9-bericht van verzoeker van 13 januari 2026.

In de voorlopige voorzieningen:

De rechtbank heeft kennisgenomen van de processtukken, waaronder het verzoekschrift.

Op 20 augustus 2026 zijn beide zaken gelijktijdig op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • de advocaat van de moeder;

  • de bijzondere curator;

  • [naam] namens de Raad.

De moeder is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet verschenen.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

  • Uit deze relatie is geboren de voornoemde minderjarige.

  • De minderjarige is niet erkend.

  • De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over de minderjarige.

  • De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de moeder en [de minderjarige] hebben de Letse

nationaliteit.

- Bij beschikking van deze rechtbank van 8 december 2025 is mr. M.F. Laning,

voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.

Verzoek en verweer

In de bodemprocedure

Het verzoek van de man strekt ertoe:

- hem vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 BW

te verlenen, zodat hij [de minderjarige] kan erkennen;

  • partijen gezamenlijk te belasten met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] ;

  • een opbouwende omgangsregeling vast te stellen conform voorstel van de man,

althans een zodanige omgangsregeling als de rechtbank juist vindt;

- een informatie- en consultatieregeling vast te stellen, waarbij de moeder de man tijdig

vooraf en tenminste één keer per maand zal informeren over belangrijke zaken die [de minderjarige] betreffen, waaronder in ieder geval: verhuizing, (te zijner tijd) schoolresultaten en andere schoolinformatie, doktersbezoek, medische behandelingen, (vrijwillige) jeugdhulpverlening, medicatie, hobby’s, sport, zwemles en diplomazwemmen;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De moeder heeft verweer gevoerd welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

De bijzondere curator adviseert het verzoek tot vervangende toestemming voor de erkenning toe te wijzen.

In de voorlopige voorzieningen

De man verzoekt te bepalen om voor de duur van de bodemprocedure een voorlopige omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [de minderjarige] , inhoudende dat de man gerechtigd zal zijn tot contact met de minderjarige op een door de rechtbank te bepalen wijze.

De man heeft op de zitting zijn verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen ingetrokken, zodat de rechtbank hierop niet meer hoeft te beslissen.

Beoordeling

Algemeen

Voordat de rechtbank inhoudelijk ingaat op de voorliggende verzoeken, ziet zij aanleiding om aandacht te besteden aan de situatie van partijen en de stand van zaken.

Partijen hebben een affectieve (lat-)relatie gehad. De moeder is vervolgens zwanger geraakt, waarna [de minderjarige] is geboren. Na het verbreken van de relatie heeft de man naar zijn zeggen geprobeerd om met de moeder tot afspraken te komen over [de minderjarige] en aangegeven dat hij graag een betrokken vader wil zijn voor haar. Op de zitting heeft hij daarbij toegelicht dat hij [de minderjarige] vlak na haar geboorte twee keer heeft gezien, maar sindsdien niet meer. Het lukt niet om tot afspraken te komen over structureel contact, ook niet met de inzet van zijn advocaat.

Hoewel de advocaat van de moeder in het afgelopen half jaar meermaals heeft geprobeerd om met de moeder in contact te komen, heeft er tussen hen enkel beperkt overleg via Whatsapp plaatsgevonden. Naar de rechtbank begrijpt heeft de advocaat van de moeder daarom ook geen verweerschrift in kunnen dienen. De bijzondere curator heeft de moeder alleen in december 2025 gesproken, in het kader van het opstellen van het verslag. Uit dit verslag leidt de rechtbank af dat de moeder erkent dat de man de verwekker is van [de minderjarige] , maar zij wil niet dat hij haar erkent. Tijdens de zwangerschap heeft zij steun vanuit de man gemist, hij wil geen gezin met haar vormen en heeft haar geblokkeerd op Whatsapp.

De moeder is, zonder bericht, niet op de zitting verschenen, terwijl dit – mede gelet op het grote belang van de te nemen beslissingen – wel van haar had mogen worden verwacht. Door haar advocaat is tijdens de zitting een Whatsappbericht van de moeder ontvangen, waaruit blijkt dat de moeder tijdelijk in het buitenland verblijft met [de minderjarige] . De moeder heeft in het bericht niet toegelicht waar zij verblijven en wanneer zij terugkeren naar Nederland. In het navolgende zal de rechtbank een aantal definitieve beslissingen aanhouden. De rechtbank gaat ervan uit dat de moeder bij een eventuele volgende zitting, wél aanwezig zal zijn.

Vervangende toestemming erkenning

Rechtsmacht

Nu de man, de moeder en [de minderjarige] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht toe.

Toepasselijk recht

Ingevolge artikel 10:95, eerste lid, BW wordt de vraag of erkenning door een persoon familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen hem en een kind, wat betreft de bevoegdheid van die persoon en de voorwaarden voor erkenning, in beginsel bepaald door het recht van de staat waarvan die persoon de nationaliteit bezit.

Uit de stukken volgt dat de man zowel de Nederlandse als de Eritrese nationaliteit bezit. Uit artikel 10:95, eerste lid, BW volgt eveneens dat indien de man de nationaliteit van meer dan één staat bezit, het recht van het land waar de erkenning mogelijk is, van toepassing is. Is erkenning mogelijk volgens meer dan één van de nationale rechtsstelsels, dan komt de erkenning rechtsgeldig tot stand indien daarbij wordt voldaan aan het rechtsstelsel dat aan de erkenning de minst strenge voorwaarden stelt. Aangenomen wordt dat de erkenner zelf kan aangeven volgens welke nationale recht hij het kind wil erkennen.

De man heeft op de zitting desgevraagd aangegeven [de minderjarige] te willen erkennen conform het Nederlands recht, zodat de rechtbank dit recht zal toepassen.

Op grond van artikel 10:95 lid 3 BW is op de vraag of de moeder dan wel het kind toestemming moet geven voor de erkenning, van toepassing het recht van de staat waarvan de moeder of het kind de nationaliteit bezit. Het op de toestemming toepasselijke recht bepaalt volgens dit artikellid ook of bij gebreke van toestemming deze kan worden vervangen door een rechterlijke beslissing.

De moeder en [de minderjarige] hebben beiden de Letse nationaliteit, zodat de vraag of de moeder of [de minderjarige] toestemming moeten geven voor de erkenning, beheerst worden door het Letse recht. De rechtbank stelt vast dat op grond van het Letse recht de man de toestemming van de moeder nodig heeft om een kind te erkennen. Indien de toestemming van de moeder ontbreekt, dan bestaat in het Lets recht geen specifieke procedure om deze toestemming te vervangen. Bij gebreke aan een procedure in Letland, wordt op grond van artikel 10:95 lid 3 BW vervolgens gekeken naar het recht van de gewone verblijfplaats van de moeder of het kind.1 Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] en haar moeder in Nederland is, is op de vervangende toestemming voor de erkenning ook het Nederlands recht van toepassing.

Inhoudelijke beoordeling

Artikel 1:204 lid 3 BW bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.

Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van [de minderjarige] .

Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.

Met de man en de bijzondere curator is de rechtbank van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die in de weg staan aan de erkenning. De moeder heeft bij de bijzondere curator bezwaren geuit tegen de erkenning – zoals hiervoor aangehaald – maar deze zijn onvoldoende om van het wettelijk uitgangspunt af te wijken. De advocaat van de moeder heeft zich op de zitting gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man toewijzen en de vervangende toestemming voor erkenning aan de man verlenen.

Gezamenlijk gezag

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over de minderjarige. Dat geldt ook voor de hierna te bespreken verzoeken tot vaststelling van een omgangs- dan wel zorgregeling en het verzoek tot vaststelling van een informatie- en consultatieregeling.

Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank kan pas definitief op het verzoek tot gezamenlijk gezag beslissen nadat de erkenning tot stand is gebracht. De man kan niet eerder dan drie maanden na deze beslissing de erkenning bij de gemeente laten registreren, omdat deze beslissing eerst in kracht van gewijsde dient te zijn gegaan. De rechtbank geeft de man dan ook een termijn van 5 maanden om de erkenning van [de minderjarige] door de man bij de gemeente te laten registreren.

De rechtbank verzoekt de advocaat van de man om de akte van erkenning aan de rechtbank te sturen.

De rechtbank acht zich echter op dit moment onvoldoende voorgelicht om – vooruitlopend op de akte van erkenning – nu een definitieve beslissing te nemen over het gezag. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende. Zoals in het voorgaande al is beschreven, is nog veel onduidelijk over de situatie van partijen en hun (gezamenlijk) ouderschap. De man geeft aan de ene kant aan dat hij graag betrokken wil zijn bij [de minderjarige] en dat hij de moeder wil helpen bij de zorg voor haar. Tegelijkertijd belde de moeder de man volgens hem veelvuldig, ook als hij aan het werk was, waarna hij haar heeft geblokkeerd. Vanuit de moeder komen er juist geluiden dat de man geen interesse toont.

Het is voor de rechtbank op dit moment niet vast te stellen of er contact tussen partijen is en hoe dit vorm heeft. Het is evenmin duidelijk of zij in staat zijn om samen afspraken te maken over [de minderjarige] en of zij het ouderschap samen vorm kunnen geven. Om te bezien hoe het contact tussen de ouders verloopt – mede in het licht van de hierna te bespreken omgangsregeling – zal de rechtbank de beslissing over het gezag aanhouden voor de duur van vijf maanden, zodat op een later moment beoordeeld kan worden of partijen het gezag over [de minderjarige] samen kunnen uitoefenen.

Omgangsregeling

Aangezien de rechtbank het verzoek ten aanzien van het gezag zal worden aangehouden, zal de rechtbank in het navolgende spreken over een omgangsregeling.

De man verzoekt om de vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] . Hij is zich er daarbij van bewust dat hij [de minderjarige] tot nu toe maar heel beperkt heeft gezien en dat het contact tussen hen moet worden opgebouwd, ook gelet op haar jonge leeftijd. De man staat open voor de aanwezigheid van de moeder bij de eerste contactmomenten, in een voor [de minderjarige] vertrouwde en rustige omgeving, bijvoorbeeld bij de moeder thuis. Daarna wil hij de omgang graag verder uitbreiden. Op de zitting heeft de man toegelicht dat hij uiteindelijk graag een dagdeel per weekend met [de minderjarige] zou doorbrengen. Voor zover bekend staat de moeder niet zozeer negatief tegenover contact, maar lukt het partijen niet om tot afspraken te komen.

De rechtbank is met de man van oordeel dat het contact tussen hem en [de minderjarige] zo snel mogelijk moet worden opgestart. Zoals op de zitting ook door de Raad naar voren is gebracht, zal duidelijkheid over de omgang voor partijen mogelijk helpend zijn in hun onderlinge contact. De rechtbank vindt het wenselijk als de omgang de eerste keren bij de moeder thuis plaatsvindt, zodat de man en [de minderjarige] aan elkaar kunnen wennen. De moeder kan de man dan ook uitleg geven over de praktische zorg (luiers, voeding, slaapjes, et cetera). Hoewel het niet bekend is wat de huidige huisvesting van de moeder is, gaat de rechtbank ervan uit dat zij in Nederland over een onderkomen beschikt, waar de omgang kan plaatsvinden.

Om te bezien hoe het contact verloopt, zal de rechtbank een voorlopige, opbouwende omgangsregeling vaststellen en het verzoek voor het overige aanhouden. De rechtbank zal de opbouw van de omgang als volgt bepalen:

  • de eerste vier keer vindt de omgang plaats bij de moeder thuis gedurende twee uur op zaterdagmiddag of in onderling overleg op een ander moment in het weekend;

  • de vier keer daarna haalt de man [de minderjarige] op zaterdag of in onderling overleg op een andere dag op bij de moeder, waarna er twee uur omgang buiten aanwezigheid van de moeder plaatsvindt en de man haar vervolgens weer bij de moeder terugbrengt;

  • daarna vindt de omgang steeds gedurende een dagdeel (vier uur) in het weekend buiten aanwezigheid van de moeder plaats, waarbij de man [de minderjarige] ophaalt bij de moeder en haar ook weer terugbrengt.

Informatie- en consultatieregeling

De man heeft tot slot verzocht om de vaststelling van een informatieregeling. Vanwege de afwezigheid van de moeder, is niet bekend wat haar standpunt hierover is. Door de bijzondere curator is naar voren gebracht dat de moeder bij haar heeft aangegeven dat zij openstaat voor het versturen van foto’s aan de man, zolang hij deze niet op het internet zet, zoals eerder wel is gebeurd.

De rechtbank zal een informatieregeling vaststellen, waarbij de moeder één keer per maand via Whatsapp of e-mail de man inlicht over [de minderjarige] , haar ontwikkeling, belangrijke gebeurtenissen, et cetera. Daarbij moet de moeder ook minimaal twee foto’s van [de minderjarige] meesturen, waar zij duidelijk opstaat. In dit kader is op de zitting tot slot nog besproken dat de man – anders dan de moeder hem zou hebben verteld – foto’s van [de minderjarige] mag maken tijdens de omgangsmomenten, maar dat hij deze niet op social media mag plaatsen. De man heeft dit toegezegd.

Ontslag bijzondere curator

Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [de minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.

Proceskosten

Gelet op het feit dat de beslissing met betrekking tot het gezag zal worden aangehouden, wordt ook de beslissing over de proceskosten aangehouden.

Beslissing

De rechtbank:

verleent de man, [de man] , geboren op [geboortedatum 2] 1995 te [geboorteplaats 2] , Eritrea, toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1989 te [geboorteplaats 3] , Letland, vervangt tot erkenning van de minderjarige: [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2025 te [geboorteplaats 1] ;

bepaalt dat de advocaat van de man uiterlijk vóór 1 maart 2027 de akte van erkenning aan de rechtbank toestuurt;

bepaalt dat [de minderjarige] voorlopig omgang zal hebben met de man:

  • gedurende vier weken: op zaterdagmiddag of op een ander moment in het weekend als partijen dit onderling overeenkomen, gedurende twee uur bij de moeder thuis en in aanwezigheid van de moeder;

  • de vier weken daarna: op zaterdagmiddag of op een ander moment in het weekend als partijen dit onderling overeenkomen, gedurende twee uur, buiten aanwezigheid van de moeder, waarbij de man [de minderjarige] ophaalt bij de moeder en ook weer terugbrengt;

  • en daarna: gedurende een dagdeel in het weekend (vier uur), buiten aanwezigheid van de moeder, waarbij de man [de minderjarige] ophaalt bij de moeder en ook weer terugbrengt;

bepaalt dat de moeder met ingang van heden de man één keer per maand via Whatsapp of e-mail schriftelijk informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van [de minderjarige] , vergezeld van minimaal twee duidelijke foto’s;

beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de zorg-/omgangsregeling en de proceskosten pro forma aan tot 1 maart 2027;

bepaalt dat de advocaten van partijen zich uiterlijk op voornoemde pro formadatum schriftelijk moeten uitlaten over de stand van zaken en wat dat al dan niet betekent voor de nog voorliggende verzoeken en de gewenste verdere voortgang van de procedure, waarna de rechtbank hierover een beslissing zal nemen.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026. .

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »