RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.53583 (ophouding) en NL26.53665 (maatregel)
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigden: mr T. Stelpstra en mr. J.A. Weststrate).
Procesverloop
1. Eiser is op 10 september 2026 om 15:30 uur opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De ophouding is beëindigd op dezelfde datum om 20:43 uur.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de ophouding en heeft daarbij verzocht om schadevergoeding. Dit beroep is geregistreerd onder het zaaknummer NL26.53583.
2. Met het bestreden besluit van 10 september 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel opgelegd van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.1 Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer NL26.53665.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft voor beide beroepen zijn gronden ingediend. De minister heeft tegen beide beroepschriften een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek in het beroep tegen de ophouding op 18 september 2026 gesloten en in het beroep tegen de maatregel op 23 september 2026.
Beoordeling door de rechtbank
Over bestreden besluit 1: de ophouding (NL26.53583)
3. De gemachtigde van eiser voert – kort samengevat – het volgende aan. Het is onvoldoende controleerbaar vastgesteld of eiser, ten tijde van de ophouding, voldeed aan de voorwaarden van artikel 50, derde lid, van de Vw. Zo is onvoldoende duidelijk waarom gedurende de ophouding (nadat eisers identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld) alsnog uitgebreid onderzoek noodzakelijk was naar de identiteit en nationaliteit van eiser. Bovendien beschikte eiser over een (verlopen) vreemdelingendocument. Daarbij is de motivering over het rechtmatig verblijf van eiser algemeen, innerlijk tegenstrijdig en onvoldoende gebaseerd op concreet onderzoek naar zijn positie. Ook is niet gebleken dat de minister onderzoek heeft gedaan naar welk document voor eiser klaarlag om op te halen. Verder heeft eiser verklaard een raadsman bij het verhoor te willen en is ook de piketdienst ingelicht, maar is eiser alsnog zonder raadsman verhoord. Daarnaast ontbreekt een tijdlijn van de onderzoekshandelingen tijdens de ophouding, waardoor niet gecontroleerd kan worden of de minister voortvarend heeft gehandeld. Evenmin is gebleken dat er enig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden of welke gevolgen dit voor de duur van de ophouding had moeten hebben, terwijl eiser heeft verklaard dat hij hepatitis-C heeft. De ophouding moet daarom volgens eiser onrechtmatig worden geacht.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
5. Uit artikel 50, derde lid, van de Vw volgt dat een vreemdeling kan worden opgehouden als de identiteit van de betrokkene onmiddellijk kan worden vastgesteld en als blijkt dat deze persoon geen rechtmatig verblijf geniet, dan wel niet onmiddellijk blijkt dat hij rechtmatig verblijf heeft. Eiser is vanuit strafrechtelijke detentie overgenomen en opgehouden. Tijdens de ophouding was eiser daarbij in het bezit van een (weliswaar verlopen) W-document. Eisers identiteit kon daarmee onmiddellijk worden vastgesteld. In tegenstelling tot wat eiser stelt, volgt echter uit het dossier voldoende dat de minister tijdens de ophouding onderzoek heeft verricht naar het rechtmatig verblijf van eiser. De rechtbank is daarom ook van oordeel dat de minister in dit geval eiser terecht op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw heeft opgehouden.
Voor wat betreft de motivering over de verblijfsstatus van eiser in het op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van ophouding en onderzoek (M105-A) van 10 september 2026, heeft de minister er terecht op gewezen dat niet gebleken is dat eiser over een document voor grensoverschrijding beschikte. Een (verlopen) W-document valt hier niet onder. Ook heeft eiser na het doorlopen van de asielprocedure zijn onrechtmatig verblijf niet bij de minister gemeld en heeft eiser niet bestreden dat hij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Van een innerlijk tegenstrijdige of onvoldoende concreet onderzochte motivering is dan ook geen sprake. Bovendien heeft de minister er terecht op gewezen dat de uitkomst van het onderzoek naar de verblijfsstatus van eiser en de motivering daarvan, niet afdoet aan de rechtmatigheid van de ophouding. De ophouding is immers bedoeld om de verblijfsstatus te kunnen onderzoeken, wat heeft plaatsgevonden.
Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in vreemdelingenzaken volgt verder dat in beginsel van de inhoud van een op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal uitgegaan mag worden.2 In de M105-A staat dat eiser in het begin bij de mededelingen weliswaar aangeeft dat hij bijstand van een raadsman wil bij het verhoor, maar dat eiser later voorafgaand aan het verhoor alsnog aangeeft dat het niet nodig is. Nu eiser duidelijk heeft aangegeven dat een advocaat niet nodig is voor het verhoor, maar wel voor de verdere procedure, heeft de minister het verhoor zonder bijstand van een advocaat kunnen aanvangen. Dat de piketdienst alsnog is ingelicht staat los van wat eiser heeft aangegeven en de rechtbank ziet geen aanleiding om aan de inhoud van het proces-verbaal te twijfelen.
De rechtbank ziet ook geen aanleiding om eiser te volgen in zijn standpunt dat verweerder ten onrechte geen tijdlijn heeft gegeven van de onderzoekshandelingen tijdens de ophouding. Uit artikel 50, derde lid, van de Vw volgt dat de ophouding in beginsel niet langer mag duren dan zes uur. Zoals de minister terecht heeft gesteld is er geen rechtsregel waaruit volgt dat hij gehouden is te motiveren waarom de ophouding niet korter kon duren, wanneer de ophouding niet langer dan zes uur heeft geduurd. Evenmin wordt daarom gevolgd dat het daardoor voor eiser, dan wel de rechtbank, onvoldoende toetsbaar is waarom de ophouding en de duur daarvan noodzakelijk zijn geweest.
In het kader van de medische omstandigheden van eiser volgt uit de M105-A dat eiser hepatitis-C heeft en voor de behandeling daarvan naar Nederland is gekomen. Uit het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling (M110) van 10 september 2026 – die tijdens de ophouding heeft plaatsgevonden – volgt daarbij dat eiser al een jaar geen medicatie meer gebruikt. In datzelfde gehoor is door de medewerker van de minister telefonisch een arts geraadpleegd over de medische omstandigheden van eiser. Daarin is aangegeven dat er geen arts komt, omdat sprake is van een chronische ziekte en de klachten geen spoed hebben. Verder is niet gebleken dat de ophouding enig effect heeft gehad op de medische klachten van eiser noch is door eiser onderbouwd dat daar sprake van zou zijn. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen concluderen dat er geen sprake is van een dringende noodzaak tot medische zorg en geen reden heeft hoeven zien voor nader medisch onderzoek.
Naar oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw onrechtmatig is geweest. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is daarom ongegrond.
Over bestreden besluit 2: de maatregel (NL26.53665)
6. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw, met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en omdat vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan de asielaanvraag van eiser. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. De gemachtigde van eiser voert – kort samengevat – het volgende aan. De identiteit en nationaliteit van eiser waren reeds bekend, dus niet wordt ingezien dat de inbewaringstelling voor de vaststelling daarvan noodzakelijk was. De minister heeft daarbij niet benoemd welke voor de asielaanvraag noodzakelijke gegevens uitsluitend tijdens bewaring konden worden verkregen. Over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd stelt eiser zich op het standpunt dat deze onvoldoende feitelijk zijn onderbouwd of niet aansluiten bij de actuele verblijfsrechtelijke situatie van eiser. Het dossier is verder tegenstrijdig over de rechtsbijstand, en er heeft geen behoorlijke individuele beoordeling plaatsgevonden van de medische omstandigheden en of een lichter middel kon worden toegepast.
8. De rechtbank overweegt het volgende.
9. De vreemdelingenbewaring van eiser zoals opgelegd met bestreden besluit 2 is op 18 september 2026 opgeheven ten behoeve van een nieuwe maatregel van bewaring. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in vreemdelingenzaken3 volgt dat artikel 59a, eerste lid, van de Vw prevaleert wanneer een vreemdeling op meerdere grondslagen in bewaring kan worden gesteld. Dit is het geval van de Asiel- en migratiebeheerverordening4 (voorheen de Dublinverordening) op een vreemdeling van toepassing is. De rechtbank stelt op grond van het dossier ambtshalve vast dat er aanknopingspunten zijn dat dit voor eiser het geval is.
In bestreden besluit 2 staat onder andere een tijdlijn opgenomen van het asielverleden van eiser. Hieruit blijkt dat eiser in 2023 een asielaanvraag in Nederland heeft gedaan, maar dat de minister heeft geoordeeld dat Polen voor de aanvraag van eiser verantwoordelijk is. Polen heeft het verzoek om eiser over te nemen geaccepteerd en de aanvraag van eiser is bij besluit van 22 december 2023 buiten behandeling gesteld met het oog op overdracht van eiser aan de Poolse autoriteiten. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld en hij heeft een voorlopige voorziening toegewezen gekregen op grond waarvan hij zijn procedure in Nederland mocht afwachten. Zittingsplaats Roermond van deze rechtbank heeft het beroep van eiser hiertegen op 2 augustus 20245 ongegrond verklaard. Zoals door eiser in zijn gronden gesteld en door verweerder niet weersproken, heeft de geplande overdracht aan de Poolse autoriteiten echter nooit plaatsgevonden. Op 6 december 2025 is eiser met onbekende bestemming (MOB) vertrokken gemeld door het COA in Budel tot hij op 10 september 2026 is aangehouden.
Nu er naar oordeel van de rechtbank duidelijke aanknopingspunten waren dat op eiser de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is en eerder is overwogen dat in dat geval de grondslag van artikel 59a, eerste lid, van de Vw prevaleert, is de oplegging van de maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw onrechtmatig. Voor een verdere bespreking van de beroepsgronden ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding.
Het beroep tegen bestreden besluit 2 is gegrond en de maatregel van vreemdelingenbewaring is vanaf het moment van het opleggen daarvan op 10 september 2026 tot aan de opheffing ervan op 18 september 2026 onrechtmatig. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen aan eiser voor negen dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 9 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.080,- ten laste van de Staat.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op een bedrag van € 934,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1).6
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond;
-
verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond;
-
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.080,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
-
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.