ECLI:NL:RBDHA:2026:30034

Datum uitspraak
09-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL25.44350 en NL25.44352
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Derdelander Oekraïne, terugkeerbesluit, beroep ongegrond en vovo afgewezen

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL25.44350 en NL25.44352

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag] 1997, van Algerijnse nationaliteit, hierna te noemen: eiser

(gemachtigde: mr. A.E. Martinez Linneman),

en

de minister van Asiel en Migratie, hierna: de verweerder

(gemachtigde: mr. J. Visschers).

Samenvatting

1. Eiser is een zogenoemde derdelander uit Oekraïne. Deze uitspraak gaat over een terugkeerbesluit. Eiser is het er niet mee eens dat dit terugkeerbesluit is opgelegd. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Ook heeft eiser verzocht om een voorlopige voorziening.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. Er hoeft ook geen voorlopige voorziening te worden getroffen. Dat dit terugkeerbesluit is uitgevaardigd op het moment dat de bevriezingsmaatregel nog van kracht was waardoor eiser in Nederland mocht verblijven, maakt niet dat het besluit prematuur of onrechtmatig is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 22 augustus 2025 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit (het bestreden besluit) uitgevaardigd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en heeft de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij niet wordt uitgezet zolang nog niet op het beroep is beslist.

2.1.

De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met berichtgeving van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Vrijstelling griffierecht

3. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank stelt eiser vrij van de verplichting tot het betalen van griffierecht.

Wat ging er aan het bestreden besluit vooraf?

4. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit. Eiser verbleef in Oekraïne voordat hij vanwege de oorlog in Oekraïne naar Nederland kwam. Eiser heeft hier facultatieve tijdelijke bescherming gekregen op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming1 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit2.

4.1.

Verweerder heeft aanvankelijk bepaald dat op 4 september 2023 deze facultatieve tijdelijke bescherming eindigt.

4.2.

Dit besluit is ingetrokken, omdat de Afdeling3 bij uitspraak van 17 januari 20244 heeft bepaald dat het recht op bescherming dat eiser geniet op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. Verweerder heeft in overeenstemming met die uitspraak besloten dat de facultatieve bescherming op die datum eindigt.

4.3.

Tegen dit besluit om de tijdelijke bescherming te beëindigen heeft eiser beroep ingesteld.

4.4.

Omdat er meerdere beroepsprocedures zijn gevoerd hebben de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam en de Afdeling vervolgens op 29 maart 2024 en 25 april 2024 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de EU (het Hof). In afwachting van de beantwoording van deze prejudiciële vragen, is besloten een bevriezingsmaatregel te treffen.

4.5.

De bevriezingsmaatregel maakte het voor eiser mogelijk om tijdelijk gebruik te blijven maken van de rechten die eerder aan hem waren verleend op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.

4.6.

Het Hof heeft de prejudiciële vragen beantwoord in een arrest Kaduna van

19 december 20245. Het Hof oordeelt dat lidstaten niet verplicht zijn de duur van de facultatieve tijdelijke bescherming af te stemmen op de duur van de verplichte tijdelijke bescherming. Ook heeft het Hof overwogen dat het lidstaten niet is toegestaan om een terugkeerbesluit uit te vaardigen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd.

4.7.

De Afdeling heeft bij uitspraak van 23 april 20256 uitgelegd hoe het arrest van het Hof in de voorliggende zaken dient te worden toegepast. De Afdeling heeft met deze uitspraak bevestigd dat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 is geëindigd.

4.8.

In afwachting van het arrest van het Hof en de uitspraken van de Afdeling heeft verweerder besloten de beëindiging van de tijdelijke bescherming te bevriezen. In een brief aan de Tweede Kamer van 3 juni 20257 heeft verweerder aan de Kamer bericht dat de bevriezingsmaatregel eindigt per 4 september 2025.

4.9.

Op 22 augustus 2025 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit (het bestreden besluit) uitgevaardigd.

Waar gaat deze zaak over?

5. De rechtbank stelt voorop dat het beroep alleen is gericht tegen het terugkeerbesluit dat op 22 augustus 2025 aan eiser is uitgevaardigd. Eiser heeft geen openstaande beroepszaak tegen de beëindiging van zijn recht op tijdelijke bescherming. Deze uitspraak gaat dus niet over deze beëindiging.

Wat is het standpunt van verweerder/ het bestreden besluit?

6. Volgens verweerder is het recht op tijdelijke bescherming onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming geëindigd op 4 maart 2024. Eiser heeft geen openstaande vreemdelingrechtelijke procedures die leiden tot rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van de Vw8. Evenmin is hij in het bezit van een verblijfsvergunning. Dit betekent dat hij nu niet meer rechtmatig in Nederland verblijft en dat er een terugkeerbesluit opgelegd mocht worden. Ongeacht of eiser nu rechtmatig verblijf op grond van de voorlopige voorziening of de bevriezingsbrief heeft, beide staan volgens verweerder niet in de weg aan een terugkeerbesluit. Daarnaast heeft eiser het beroep op het recht op privéleven9 niet nader gemotiveerd en geïndividualiseerd. Volgens verweerder is het recht om gehoord te worden ook niet geschonden, omdat eiser de gelegenheid heeft gehad om schriftelijk te reageren op het voornemen om een terugkeerbesluit op te leggen. Volgens verweerder is er daarnaast geen sprake van een reëel risico dat eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst zal worden onderworpen aan de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen. Het feit dat eiser in Nederland werkt en dat hij hier zijn privéleven heeft opgebouwd, is geen reden om geen terugkeerbesluit op te leggen.

Is het terugkeerbesluit prematuur?

7. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit van 22 augustus 2025 prematuur is op grond van de bevriezingsmaatregel die pas op 4 september 2025 eindigt. Hij had dus rechtmatig verblijf op het moment dat het terugkeerbesluit aan hem is uitgevaardigd en dat is niet toegestaan. Eiser verwijst naar een uitspraak van deze zittingsplaats van 10 juli 202510.

7.1.

Naar het oordeel van de rechtbank is het terugkeerbesluit van 22 augustus 2025 niet prematuur opgelegd. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de tijdelijke bescherming geacht moet worden te zijn beëindigd op 4 maart 2024. Het terugkeerbesluit is ná die datum opgelegd, waardoor het niet in strijd met de Terugkeerrichtlijn is genomen.

7.2.

De rechtbank overweegt daarbij dat de Afdeling in de uitspraken van 23 april 202511 heeft bevestigd dat de tijdelijke bescherming (van rechtswege) op 4 maart 2024 is geëindigd. Dat eiser daarna nog gebruik heeft gemaakt van de rechten van de Richtlijn komt omdat de gevolgen van het stoppen van de tijdelijke bescherming zijn bevroren als gevolg van de gestelde prejudiciële vragen. Deze bevriezing houdt niet in dat de tijdelijke bescherming is verlengd, maar enkel dat eiser nog feitelijk gebruik mocht maken van de rechten die hij vanwege de tijdelijke bescherming had. De Afdeling heeft bij uitspraak van 31 oktober 2025 bevestigd dat de bevriezingsmaatregel niet maakt dat verweerder geen terugkeerbesluit kon nemen.12 De bevriezing doet niet af aan de vaststelling van illegaal verblijf en dus de bevoegdheid van verweerder om een terugkeerbesluit uit te vaardigen.

7.3.

De verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze zittingsplaats van 10 juli 202513 slaagt ook niet. Deze uitspraak gaat over eenterugkeerbesluit dat is opgelegd op 7 februari 2024, dus voordat het recht op bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming afliep. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft.

12. Omdat in de hoofdzaak is beslist, is er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

13. Eiser krijgt in beide zaken geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. D.G.T. de Hoop, griffier.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Een partij die het niet eens niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin deze partij uitlegt waarom deze partij het er niet mee eens bent. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »