RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
RK nummer: 26/012172
Datum beschikking: 6 augustus 2026
TUSSEN-BESCHIKKING
op het klaagschrift ex artikel 5.4.10 en artikel 5.1.11 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 1982 op een onbekende plaats,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
domicilie kiezende te [adres]
, Nederland,
hierna: klager.
1 Procesgang
Het klaagschrift is op 28 april 2026 ingediend ter griffie van deze rechtbank.
De rechtbank heeft op 23 juli 2026 het klaagschrift behandeld en de raadsman van de klager, mr. J.C. Reisinger, advocaat in Utrecht en de officier van justitie, mr. M. Boekhoud, in openbare raadkamer gehoord.
Klager is niet verschenen.
2 Feiten en omstandigheden
De Nederlandse autoriteiten hebben in 2019 en 2020 in het kader van de strafrechtelijke onderzoeken Yucca en Werl de inbeslagneming van Access Point Name-gegevens (hierna: APN-gegevens), waaronder die van de klager, gevorderd van KPN op grond van onder meer artikel 126n, 126nd, 126ng en 126u Sv in verband met het vermoeden dat criminelen in grote mate SKY ECC telefoons gebruikten om onderling anoniem en versleuteld te communiceren, ten behoeve van het beramen en plegen van ernstige strafbare feiten in georganiseerd verband. In 2022 en 2023 hebben de Nederlandse autoriteiten deze gegevens, die betrekking hebben op de periode van 14 mei 2019 tot 8 juli 2021, met andere Europese lidstaten gedeeld door middel van verschillende EUROPOL SIENA Information Exchange Messages.
Het dossier bevat een brief van het Openbaar Ministerie van 25 oktober 2023, die is verstuurd naar autoriteiten van Bulgarije, Letland en Estland. In deze brief staat dat APN gegevens worden verstrekt op basis van artikel 7 van de Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (hierna: artikel 7 van het Verdrag inzake wederzijdse rechtshulp). In de brief staat:
“I grant you permission to use the telecommunication data related to those PINs in judicial criminal procedures, based on article 7 of the Convention of 29 May 20000 on Mutual Assistance in Criminal Matters between the member States of the European Union (Article 7 Spontaneous exchange of information)”
Artikel 7 van het Verdrag inzake wederzijdse rechtshulp luidt als volgt:
Uitwisseling van gegevens op eigen initiatief
-
De bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen binnen de grenzen van het nationale recht, zonder een daartoe strekkend verzoek, gegevens uitwisselen met betrekking tot strafbare feiten en vergrijpen tegen voorschriften betreffende de orde, bedoeld in artikel 3, lid 1, waarvan de bestraffing of behandeling op het tijdstip waarop de gegevens worden verstrekt tot de bevoegdheid behoort van de ontvangende autoriteit.
-
De autoriteit die de gegevens verstrekt, kan overeenkomstig het nationale recht voorwaarden verbinden aan het gebruik van die gegevens door de ontvangende autoriteit.
-
De ontvangende autoriteit is aan die voorwaarden gebonden.
3 Inhoud klaagschrift en standpunten van partijen
Inhoud van het klaagschrift en standpunt van de raadsman
Het klaagschrift strekt tot de vaststelling van de onrechtmatige verkrijging en verwerking van de APN-gegevens en de vernietiging van deze gegevens in verband met strijd met het Nederlandse en internationale recht. De verkrijging en verwerking van de data kwalificeren volgens de raadsman als een ongerechtvaardigde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verzoeker op grond van artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en artikel 7 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) en deze inbreuk wordt niet gerechtvaardigd op grond van artikel 126n en 126ng Sv. Artikel 552a Sv vormt een grondslag voor dit beklag door de samenhang met de schakelbepalingen van artikel 5.4.10 en 5.1.11 Sv. Om te garanderen dat een buitenlandse verdachte, in overeenstemming met het gelijkwaardigheidsbeginsel, niet anders wordt behandeld dan een Nederlandse verdachte, moet ook een buitenlandse verdachte zich kunnen beklagen over vermeend onrechtmatig handelen door het Openbaar Ministerie.
In aanvulling op het klaagschrift heeft de raadsman ter zitting aangevoerd dat de rechtbank bevoegd is om te beslissen op het klaagschrift, omdat de toestemming voor het opvragen van de APN-gegevens in Amsterdam is gegeven. Bovendien is het klaagschrift ingediend bij de rechtbank Rotterdam en vervolgens doorgestuurd naar de rechtbank Amsterdam. De klager is op 29 januari 2026 op de hoogte geraakt van de inbeslagneming en heeft toen hierover contact gezocht met de raadsman. Ten aanzien van de grondslag van het klaagschrift heeft de raadsman verwezen naar Europese jurisprudentie. Hieruit volgt het belang van effectiviteit van een beklag over de heimelijkheid van informatiekennisneming.1 Op zitting is de raadsman, teruggekomen op zijn standpunt dat het beroep op artikel 552a Sv in samenhang met de artikelen 5.4.10 en 5.1.11 Sv moet worden gezien, nu er geen sprake is van een onderliggend EOB of ander rechtshulpverzoek, maar de APN-gegevens op basis van artikel 7 van het Verdrag inzake wederzijdse rechtshulp zijn naar Estland zijn gestuurd. De raadsman beroept zich enkel nog op artikel 552a Sv en stelt onder meer dat sprake is van “kennisneming of het gebruik van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt”, en “kennisneming of het gebruik van gegevens, opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in zodanig werk”.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft in het schriftelijke standpunt geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van klager. Het beklag komt op tegen de (vermeende) onrechtmatige gegevensverstrekking van Sky-ECC informatie door Nederland aan buitenlandse autoriteiten. Artikel 5.1.11 en 5.4.10 Sv bevatten een omschrijving van de limitatieve gronden om aangemerkt te worden als belanghebbende. De persoon onder wie de gegevens in beslag zijn genomen, kan over de inbeslagneming klagen. De klager voldoet niet aan één van de limitatieve gronden en is dan ook geen belanghebbende, waardoor de klager niet klagen op grond van artikel 552a Sv. De klager dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.
In aanvulling op het schriftelijke standpunt heeft de officier van justitie ter zitting betoogd dat de rechtbank bevoegd is om te beslissen op het klaagschrift, omdat de Nederlandse onderzoeken Yucca en Werl, waarbij de inbeslagneming van de APN-gegevens heeft plaatsgevonden, werden gedaan door het Openbaar Ministerie in Amsterdam. Daarnaast blijkt uit de brief van het Openbaar Ministerie van 30 augustus 2022 dat de machtigingen voor de vorderingen tot inbeslagneming van de APN-gegevens, die na het Prokuratuur-arrest van de Hoge Raad vereist waren, zijn verstrekt door een rechter-commissaris bij de rechtbank Amsterdam. Verder heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat, hoewel de APN-gegevens betrekking hebben op de klager, deze gegevens aan KPN toebehoren en onder KPN in beslag zijn genomen. In de onderhavige situatie gaat het bovendien niet over een netwerkdoorzoeking, maar om een inbeslagneming op grond van klassieke vorderingen. Er is dan ook geen sprake van een onderzoek in een geautomatiseerd werk als bedoeld in artikel 5.1.11 Sv. Daarnaast heeft de procedure zoals omschreven in artikel 5.4.10 Sv betrekking op een situatie waarin Nederland uitvoering geeft aan een Europees opsporingsbevel, terwijl het in de onderhavige situatie gaat om een spontane verstrekking aan het buitenland door middel van een Europol-bericht.
4 Het oordeel van de rechtbank
Heropening
Bij de beraadslaging is gebleken dat het onderzoek onvolledig is geweest. De rechtbank zal het onderzoek dan ook heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd. De rechtbank zal eventueel vragen formuleren en per e-mail toezenden aan partijen voordat de zaak opnieuw ter zitting behandeld wordt.
5 Beslissing
De rechtbank HEROPENT het gesloten onderzoek, SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd, en BEVEELT de hervatting van het onderzoek op een nader te bepalen zitting.
Deze beslissing is op 6 augustus 2026 gegeven en in het openbaar uitgesproken door:
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier.
Tegen deze beslissing staat cassatieberoep open.