ECLI:NL:RBDHA:2026:30023

Datum uitspraak
11-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/09/711980 / JE RK 26-1562
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/09/711980 / JE RK 26-1562

Datum uitspraak: 11 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

hierna te noemen de gecertificeerde instelling,

over de minderjarige

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [de minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat mr. J. Looman uit Wassenaar,

[de zus] ,de zus van [de minderjarige] , tevens pleegouder,hierna te noemen de zus,wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Bij beschikking van 2 september 2026 van de kinderrechter in deze rechtbank is met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend tot 16 september 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden.

1.2.

Op 11 september 2026 heeft de kinderrechter het verzoek met gesloten deuren behandeld. Daarbij waren aanwezig:

  • [naam] namens de gecertificeerde instelling;

  • de advocaat van de moeder;

- de zus.

1.3.

De moeder is voor de zitting opgeroepen maar niet in persoon verschenen, zij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar advocaat.

1.4.

De kinderrechter heeft in de procedure tot verlenging van de ondertoezichtstelling ook met [de minderjarige] gesproken over de uithuisplaatsing.1 Dat was op 27 augustus 2026.

2 Het verzoek

2.1.

De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3 De standpunten

3.1.

De moeder en de zus zijn het ermee eens dat [de minderjarige] bij de zus woont en voeren dus geen verweer tegen het verzoek.

4 De beoordeling

4.1.

Voor de volledigheid benoemt de kinderrechter de volgende samenloop van omstandigheden. In de procedure tot verlenging van de ondertoezichtstelling2 is naar voren gekomen dat de gecertificeerde instelling was vergeten om ook te verzoeken de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlengen, terwijl het de bedoeling van de gecertificeerde instelling is dat [de minderjarige] bij zijn zus blijft wonen. Als sprake is van een ondertoezichtstelling dan is voor een uithuisplaatsing altijd een machtiging van de kinderrechter nodig.3 Toen dit gebrek bij de zitting van 31 augustus 2026 werd geconstateerd kon het niet worden hersteld, omdat de moeder en de zus (belanghebbenden) niet bij de zitting aanwezig waren. De lopende machtiging zou op 3 september 2026 vervallen. Daarom heeft de gecertificeerde instelling met spoed op 2 september 2026 een nieuwe machtiging gevraagd, die voor een korte periode is toegewezen. Over de verdere duur moet de kinderrechter nu beslissen. Omdat het een nieuwe machtiging betreft is aan de moeder een advocaat toegevoegd in het kader van de pilot kosteloze rechtsbijstand.4

4.2.

De kinderrechter is van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding.5 De kinderrechter stelt vast dat de in eerdere beschikkingen genoemde gronden daarvoor ongewijzigd zijn, namelijk dat de moeder niet-aangeboren hersenletsel heeft waardoor zij niet in staat is de dagelijkse verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen. [de minderjarige] woont daarom bij zijn zus, waar iedereen het mee eens is. Ook de kinderrechter vindt het belangrijk dat [de minderjarige] daar blijft wonen. Daarom zal de machtiging worden verleend.

4.3.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing blijft gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5 De beslissing

De kinderrechter:

5.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 16 september 2026 tot 3 september 2027, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling;

5.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2026 door mr. M.J.L. van der Waals, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S.T. Viezee als griffier, en op schrift gesteld op 29 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »