RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447715 / JE RK 26-762
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] , Cambodja,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. B.P.A. van Beers te Roosendaal,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. B.P.A. van Beers te Roosendaal.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 april 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- namens de ouders de vader met hun advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover op 26 mei 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft momenteel bij de [zorggroep] (verder: [zorggroep] ) te [plaats] .
De vader en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. De moeder heeft de Cambodjaanse nationaliteit.
3 Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
De Raad legt aan zijn verzoek het volgende ten grondslag. In januari van dit jaar is op basis van een beschermingsonderzoek geconcludeerd dat er geen aanleiding bestond voor een ondertoezichtstelling van [minderjarige] vanwege de prille positieve ontwikkeling die [minderjarige] sinds haar plaatsing bij [zorggroep] doormaakte. Na aanvullend onderzoek in maart 2026 concludeert de Raad dat de ontwikkeling van [minderjarige] niet langer een positief verloop kent.
Zo is gebleken dat [minderjarige] zorgelijk gedrag laat zien, zoals nachten buiten op straat verblijven, haar omgang met oudere mannen, zich in een omgeving bevinden waar lachgas wordt gebruikt en haar betrokkenheid bij incidenten met geweld. Bovendien is [minderjarige] inmiddels zwanger. Al langere tijd heeft [minderjarige] een moeilijke band met haar ouders. De ouders kunnen [minderjarige] niet de begeleiding en ondersteuning bieden die zij nodig heeft. Voor een terugkeer naar huis staat [minderjarige] op dit moment niet open. Het contact van [minderjarige] met haar moeder is zelfs geheel verbroken. Vanaf haar negende levensjaar verblijft [minderjarige] al op en af bij ouders of elders. Door de structurele onduidelijkheid over waar [minderjarige] zou opgroeien heeft zij nergens kunnen aarden en heeft zij veel afwijzing gevoeld. Naar de mening van de Raad zal [minderjarige] daardoor met momenten problematisch en vermijdend gedrag laten zien, waarbij ze mensen om haar heen niet vertrouwt en afstoot, zij wegloopt of zij periodes onvoldoende bereikbaar is voor ouders en/of hulpverlening.
Naar de mening van de Raad is het vrijwillige kader niet langer toereikend om [minderjarige] te ondersteunen en haar ernstig bedreigde ontwikkeling af te wenden. Dit ook omdat de ouders geen beslissingen meer nemen over [minderjarige] en zij deze overlaten aan betrokken professionals. Ter zitting heeft de Raad zijn verzoek gehandhaafd.
De ouders hebben bij monde van mr. Van Beers laten weten dat zij er in de afgelopen jaren alles aan hebben gedaan om in de behoeftes van [minderjarige] te voldoen, maar tevergeefs. De ouders hebben daarom geen bezwaar tegen een ondertoezichtstelling. De ouders vinden het ook wel fijn als de verantwoordelijkheid over [minderjarige] met professionals gedeeld kan worden. De vader merkt op dat hijzelf nog wel geregeld contact heeft met [minderjarige] . Wel betreurt hij dat dit contact dan beperkt blijft tot momenten dat [minderjarige] in de problemen zit en/of geld nodig heeft. De vader merkt verder op dat er afgelopen zaterdag via een tante weer een eerste contact heeft plaatsgevonden tussen de moeder en [minderjarige] . De ouders zouden het fijn vinden als met behulp van een ondertoezichtstelling het contact tussen hen en [minderjarige] verder zal worden hersteld.
De GI heeft verklaard dat zij in beginsel een wachtlijst heeft om nieuwe zaken aan te nemen, maar dat zij gelet op de grote zorgen over [minderjarige] aanleiding ziet om de zaak meteen op te pakken en de ondertoezichtstelling te gaan uitvoeren.
[minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter op 26 mei 2026 laten weten dat zij momenteel zwanger is. Hoewel de zwangerschap niet was gepland en niet zorgeloos verloopt omdat één kindje niet goed groeit en daarom met een medische ingreep zal worden losgemaakt van de placenta, is [minderjarige] gelukkig met het feit dat zij moeder wordt. [minderjarige] heeft verder verteld dat haar verblijf bij [zorggroep] in de eerste maanden lastig was, omdat zij toen niet luisterde. Volgens [minderjarige] gaat het inmiddels goed en mag zij binnenkort verhuizen naar een eengezinswoning in [plaats] , ook van [zorggroep] . [minderjarige] schat in dat zij nog zo’n twee jaar hulp nodig zal hebben om voor haarzelf een en ander op de rit te krijgen. Na haar zwangerschap wil [minderjarige] haar school weer gaan oppakken. Voor contact met haar moeder staat [minderjarige] nog niet open. Volgens [minderjarige] heeft haar moeder haar ook geblokkeerd op haar telefoon. [minderjarige] vindt dat jammer, omdat zij haar moeder mist. [minderjarige] heeft verder aangegeven last te hebben van stemmen in haar hoofd en PTSS te hebben. [minderjarige] heeft regelmatig herbelevingen en zij maakt zich zorgen over hoe dat gaat als de baby er is, omdat zij er voor hem of haar te allen tijde zal moeten zijn. Volgens [minderjarige] is het daarom nodig dat zij therapie zal volgen om daarmee te kunnen omgaan. De eerder ingezette EMDR-therapie heeft niet (voldoende) geholpen.
5 Rechtsmacht en toepasselijk recht
De kinderrechter constateert dat de moeder de Cambodjaanse nationaliteit heeft. Dat brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter moet beoordelen of hem in deze zaak rechtsmacht toekomt. Als dit het geval is, dient de kinderrechter zich bevoegd te verklaren en het toepasselijk recht te bepalen.
Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek van de Raad. Op dezelfde grond zal de kinderrechter het Nederlandse recht toepassen.
6 De (inhoudelijke) beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.1 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
[minderjarige] is een meisje met een belast verleden. De band tussen [minderjarige] en haar ouders is altijd een lastige geweest. [minderjarige] heeft daardoor vanaf haar negende levensjaar op en af bij haar ouders gewoond of elders (pleeggezin, gezinshuis, woongroep) verbleven. [minderjarige] heeft nergens kunnen aarden en heeft veel afwijzing gevoeld. Daardoor laat [minderjarige] bij momenten problematisch en vermijdend gedrag zien, waarbij ze mensen om haar heen niet vertrouwt en afstoot, wegloopt en periodes onvoldoende bereikbaar is voor ouders en/of hulpverlening. Positief is dat [minderjarige] op haar huidige plek, bij [zorggroep] , lijkt te kunnen aarden, temeer omdat een verblijf bij haar ouders (nog) geen optie is. De ouders en [minderjarige] zien dat zelf ook in. Het voorgaande neemt niet weg dat [minderjarige] bij [zorggroep] nog zorgelijk (agressief) gedrag laat zien. Een zorg is ook dat [minderjarige] inmiddels al zo’n twee jaar niet meer naar school gaat. De reden hiervan is er op dit moment ook in gelegen dat [minderjarige] zwanger is. [minderjarige] zou ook last hebben van stemmen in haar hoofd. De kinderrechter vindt het knap dat [minderjarige] zelf inziet dat zij daarvoor hulp/therapie nodig heeft, ook gelet op de op komst zijnde baby.
Voor de kinderrechter staat op grond van het bovenstaande voldoende vast dat [minderjarige] ernstig in haar sociaal-emotionele en identiteitsontwikkeling wordt bedreigd. Er is al jarenlang hulpverlening betrokken. Het is echter nog niet gelukt om tot een structurele verbetering te komen. Het is in het belang van [minderjarige] en haar baby, dat zij de nodige ondersteuning en begeleiding krijgt op weg naar volwassenheid. Om die reden vindt de kinderrechter een maatregel binnen een gedwongen kader noodzakelijk. De kinderrechter stelt [minderjarige] daarom onder toezicht voor de duur van een jaar.
Als hulpverleningsdoelen binnen de ondertoezichtstelling worden aangemerkt:
• Het is (en blijft) voor [minderjarige] duidelijk waar zij verder mag gaan opgroeien;
• [minderjarige] doet succeservaringen op; o.a. op de woonplek en op school;
• [minderjarige] heeft een prettig en onbelast contact met haar ouders;
• [minderjarige] zit goed in haar vel;
• [minderjarige] gaat naar school;
• [minderjarige] heeft positieve vriendschappen;
• [minderjarige] is zich bewust van de verantwoordelijkheden van het krijgen van een
kindje en is op de hoogte van de anticonceptie mogelijkheden;
• Ouders ondersteunen [minderjarige] bij haar huidige woonsituatie en de dingen die
spelen in haar leven (zoals school).
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.2 Immers verblijft [minderjarige] op dit moment niet bij haar ouders, maar bij [zorggroep] . Ingevolge artikel 1:265a BW geschiedt een plaatsing van een minderjarige gedurende dag en nacht buiten het gezin middels een ondertoezichtstelling uitsluitend met een machtiging tot uithuisplaatsing.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Kindbrief
[minderjarige] heeft in haar gesprek tegen de kinderrechter gezegd dat zij graag zelf een brief krijgt met de beslissing daarin. De rechtbank zal [minderjarige] daarom informeren per brief. In de brief is het volgende opgenomen:
Beste [minderjarige] ,
Op 26 mei 2026 heb je op de rechtbank met mij gepraat. Ik vond het een heel fijn gesprek, waarin je duidelijk jouw mening hebt gegeven.
Je vertelde mij ook over je zwangerschap en dat het met één kindje van de tweeling niet zo goed ging. Dat was best heftig om te horen, maar ik vind dat je er knap mee omgaat. Ik hoop dat de ingreep die je een dag later moest ondergaan goed is verlopen en dat je verder een voorspoedige zwangerschap mag doormaken.
Op 2 juni 2026 was de zitting, waarvoor jouw ouders waren uitgenodigd. Ook de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdbescherming waren uitgenodigd. Je moeder was jammer genoeg niet bij de zitting. Met alle andere mensen heb ik wel kunnen praten.
Ik heb besloten dat jij onder toezicht wordt gesteld en dat je voorlopig niet thuis hoeft te wonen. Er zal iemand van jeugdbescherming gaan praten met jou. Het doel van de ondertoezichtstelling is om ervoor te zorgen dat jij en je ouders door jeugdbescherming zullen worden ondersteund bij jouw (huidige) woonsituatie en de dingen die verder spelen in jouw leven, zoals jouw komende moederschap en school, maar ook eventuele therapie waar je behoefte aan hebt. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn nu uitgesproken voor één jaar. Het is mijn inschatting dat er in ieder geval een jaar nodig is om jou te begeleiden. Als iedereen zich aan de afspraken houdt en het al een tijdje een stuk beter gaat met jou en je kindje, zal bekeken worden of die ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog langer nodig zijn.
Ik hoop dat door deze brief voor jou duidelijk is wat de beslissing van de rechtbank is.
Ik wens je heel veel succes toe en hoop dat het goed zal gaan met jou en je kindje!
Vriendelijke groeten,
de kinderrechter.
7 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van de Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, met ingang van 2 juni 2026 tot 2 juni 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 2 juni 2026 tot 2 juni 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 16 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.