Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-6089
Zaaknummer: C/09/707310
Datum beschikking: 11 september 2026
Hoofdverblijfplaats, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 16 mei 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.J.N. Hendriksen Rattan-Tewari te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. I.M. Thieme te Zaandam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
-
het verzoekschrift;
-
het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek;
-
de F9-formulieren van 7 en 10, 12 en 14 augustus 2026, met bijlagen, van de vader.
Op 17 augustus 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
-
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
-
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
-
[naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats 1] ,
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats 2] .
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.
- Bij vonnis van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 21 april 2026 is bepaalt - met wijziging in zoverre van het vonnis van de voorzieningenrechter van 27 maart 2025 - dat er voor de minderjarigen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats 1] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats 2] ,
een ‘week-op-week-af’ regeling zal gelden, inhoudende dat de kinderen de ene week van zondagmiddag 17.00 uur tot de zondagmiddag 17.00 uur daarop bij de vrouw verblijven en de week daarna van zondagmiddag 17.00 uur tot zondagmiddag 17.00 uur bij de man verblijven, waarbij de vrouw de kinderen haalt en brengt, en de kinderzitjes over en weer worden meegegeven;
en de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten en daarover te rapporteren en te adviseren ten behoeve van de nog door de vader aanhangig te maken bodemprocedure, waarvan het zaak- en rekestnummer door de man aan de Raad voor de Kinderbescherming zal worden doorgegeven.
Verzoek en verweer
De vader heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht:
- de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen vast te stellen bij de vader;
- de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van ieder der ouders vast te stellen, in die zin dat:
- de minderjarigen bij de moeder zullen zijn ieder weekend van vrijdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur, waarbij de moeder zorgdraagt voor het halen en brengen van de minderjarigen;
- de moeder eenmaal per week, bij voorkeur op woensdagavond tussen 18:30 uur en 19:00 uur, telefonisch dan wel via beeldbellen contact heeft met de minderjarigen, voor zover hun leeftijd en belastbaarheid dit toelaten
- de Raad voor de Kinderbescherming in de gelegenheid te stellen onderzoek te verrichten en rapport en advies uit te brengen met betrekking tot:
- de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen;
- de zorgregeling tussen de minderjarigen en de ouders;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. De moeder verzoekt de verzoeken van de vader niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen, met uitzondering van het Raadsonderzoek. Tevens heeft de moeder zelfstandig verzocht:
-
de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen vast te stellen bij de moeder;
-
een zorgregeling vast te stellen waarbij, voor zover dit in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] veilig en verantwoord wordt geacht, onder begeleiding van passende hulpverlening wordt toegewerkt naar een zorgregeling waarbij de kinderen eenmaal per veertien dagen gedurende een weekend bij de man verblijven, waarbij de opbouw, het tempo en de voorwaarden worden afgestemd op de bevindingen van de Raad voor de Kinderbescherming en de betrokken hulpverlening;
-
althans een zodanige beslissing te nemen ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als uw rechtbank in het belang van de minderjarige kinderen juist en wenselijk acht;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
De rechtbank heeft ter terechtzitting een vergelijk tussen partijen beproefd.
De afgelopen maanden is er veel gebeurd. De kinderen hebben aanvankelijk een periode bij de vader verbleven waarbij zij de moeder gedurende deze periode weinig hebben gezien. Vervolgens zijn de kinderen met de moeder naar [plaats 1] vertrokken waarbij er weinig contact is geweest met de vader. Inmiddels verblijven de kinderen weer bij de vader. De ouders maken flinke verwijten over en weer en hebben ernstige zorgen over de ander uitgesproken. De rechtbank maakt zich zorgen over de instabiele situatie waar de kinderen zich in begeven en de spanningen waaraan zij worden blootgesteld. Doordat de (woon)situatie van de moeder is gewijzigd wordt de zorgregeling zoals is bepaald bij vonnis van 21 april 2026 niet langer uitgevoerd. Er is in samenspraak tussen de ouders een nieuwe – tijdelijke – zorgregeling overeengekomen. De moeder verblijft niet meer in [plaats 1] en is op zoek naar een woning in de regio [plaats 2] . Doordat zij niet over een woonruimte beschikt heeft zij momenteel ook geen eigen plek om de kinderen te ontvangen. De moeder ziet de kinderen daarom op locaties binnen haar netwerk, zoals bij de oma moederszijde thuis. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een stabiele eindsituatie waarin beoordeeld kan worden welke hoofdverblijfplaats dan wel zorgregeling in het belang van de kinderen is, maar benadrukt dat er binnen de praktische mogelijkheden voor gezorgd moet worden dat de kinderen beide ouders met regelmaat kunnen zien. De rechtbank vindt het daarnaast van belang om de uitkomst van het beschermingsonderzoek van de Raad af te wachten voordat een beslissing wordt genomen over de hoofdverblijfplaats en definitieve zorgregeling.
Ter zitting zijn tussen partijen afspraken gemaakt ten aanzien van de voorlopige zorgregeling. De ouders zijn overeengekomen dat de door VoorIeder1 opgestelde veiligheidsafspraken blijven gelden. Op dinsdag zullen de kinderen – conform de huidige mondelinge regeling – van 10.00 uur tot 17.00 met de moeder bij de oma moederszijde verblijven. De moeder heeft aangegeven dat zij door omstandigheden geen uitvoering meer kan geven aan eenzelfde regeling op donderdag en daarom de omgang wenst te verplaatsen dan wel uit te breiden met een moment op zaterdag. Het is op dit moment niet duidelijk of de overdrachtsmomenten op zaterdag gefaciliteerd kunnen worden door VoorIeder1, BOR Humanitas of een andere instantie. Zodra er overeenstemming is over de overdracht kan het contact op zaterdag plaatsvinden. Als partijen het niet eens worden over de wijze van overdracht dan verwacht de rechtbank van de ouders dat zij het advies van VoorIeder1 hierover volgen. Daarnaast is overeengekomen dat de moeder om de week op donderdagmiddag van 13.00 tot 17.00 een contactmoment met de kinderen zal hebben. Aangezien de moeder die middag niet beschikt over een eigen plek waar zij met de kinderen kan zijn, zal dit contact plaatsvinden op een openbare – door de moeder te bepalen – locatie. De moeder zal de nieuwe afspraken in verband met de gewenste begeleiding bij de overdrachtsmomenten met VoorIeder1 bespreken.
Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat de kinderen ingeschreven zullen worden bij een kinderopvang voor maandag, donderdag en vrijdag. De kinderen worden ingeschreven bij de Basker dan wel Orion, afhankelijk van de wachtlijst van de kinderopvang. Beide ouders hebben ter zitting aangegeven mee te zullen werken aan deze aanmelding. Op het moment dat het niet mogelijk is dat de kinderen op donderdag een halve dag bij de kinderopvang blijven zal de afspraak voor het contactmoment met de moeder op donderdagmiddag aangepast moeten worden. Ook daarbij verwacht de rechtbank van de ouders dat zij hierin zo nodig de regie van VoorIeder1 accepteren en volgen.
Het Raadsonderzoek zoals gelast in het kortgeding vonnis is gericht op een andere situatie dan de huidige, namelijk dat de moeder in [plaats 1] verbleef en de vader in [plaats 2] . Door de gewijzigde situatie is er geen behoefte meer aan het in het kortgeding vonnis geformuleerde onderzoek. Of een gezag en omgangsonderzoek dient plaats dient te vinden is op dit moment niet te voorzien. Het is van belang dat er eerst een stabiele situatie voor de kinderen ontstaat. De rechtbank zal daarom de opdracht voor het g&o onderzoek intrekken en de uitkomst van het beschermingsonderzoek afwachten en de verzoeken aanhouden tot 1 november 2026 pro forma.
Als het beschermingsonderzoek leidt tot een verzoek tot een beschermingsmaatregel dan kan dat verzoek gezamenlijk behandeld worden met de verdere behandeling van de onderhavige procedure. Indien het beschermingsonderzoek hier niet toe leidt dan verwacht de rechtbank van beide advocaten een update over de situatie op de pro forma datum en dienen zij zich uit te laten over de gewenste voortgang van de procedure.
Beslissing
De rechtbank– met wijziging in zoverre van het vonnis van de voorzieningen rechter van 21 april 2026 van deze rechtbank – :
*
trekt het in het vonnis 21 april 2026 gedane verzoek tot onderzoek aan de Raad voor de Kinderbescherming in;
*
bepaalt dat de minderjarigen:
-
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats 1] ;
-
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats 2] ;
voorlopig bij de moeder zullen zijn:
-
iedere dinsdag van 10.00 uur tot 17.00 uur, bij de oma moederszijde;
-
om de week op donderdag middag van 13.00 uur tot 17.00 uur, op een door de moeder te bepalen locatie, waarbij de moeder de begeleiding voor de overdrachtsmomenten met VoorIeder1 zal bespreken;
-
iedere zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur, bij de oma moederszijde, waarbij de ouders de begeleiding voor de overdrachtsmomenten met VoorIeder1 zullen bespreken en het advies van VoorIeder1 zullen opvolgen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan tot 1 november 2026 pro forma.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 september 2026. |