ECLI:NL:RBDHA:2026:29865

Datum uitspraak
09-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/09/690581 / FA RK 25-6410
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Tussenbeschikking vervangende toestemming erkenning, verwekkerschap in geschil. DNA-onderzoek

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 25-6410

Zaaknummer: C/09/690581

Datum beschikking: 9 september 2026

Vervangende toestemming erkenning, gezag, hoofdverblijfplaats, omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, informatie- en consultatieregeling

Beschikking op het op 25 augustus 2025 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. C.E. van der Meijs te Zoetermeer.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. O.F. Aydogan te Den Haag.

Als belanghebbende ten aanzien van het verzoek tot vervangende toestemming erkenning wordt aangemerkt:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1] ,

de minderjarige, hierna te noemen [minderjarige] ,

in rechte vertegenwoordigd door mr. I.G.M. van Gorkum,

advocaat te Den Haag,

in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

  • het verzoekschrift, met bijlagen;

  • het verslag van de bijzondere curator van 2 oktober 2025;

  • het bericht van 3 oktober 2025 namens de man;

  • het verweerschrift van de moeder, met bijlagen;

  • de brief van 15 oktober 2025 namens de moeder;

  • de brief van 17 december 2025 namens de moeder.

Op 12 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • de moeder, bijgestaan door [naam 1] , kantoorgenote van haar advocaat;

  • de bijzondere curator.

Feiten

  • [minderjarige] is niet erkend.

  • De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .

  • De moeder geeft geen toestemming voor de erkenning door de man.

  • De man, de moeder en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.

  • Bij beschikking van deze rechtbank van 3 september 2025 is

[naam 2] tot bijzondere curator benoemd.

- Bij beschikking van 16 september 2025 is [naam 2] op eigen verzoek

wegens een mogelijke belangenverstrengeling ontslag verleend en is mr. I.G.M.

van Gorkum voornoemd benoemd teneinde [minderjarige] op grond van artikel 1:212 van

het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man strekt ertoe:

hem vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 BW te verlenen,

zodat hij [minderjarige] kan erkennen;

hem naast de moeder te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] en te bepalen

dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft, althans zodanige beslissing

te nemen als de rechtbank juist acht;

te bepalen dat [minderjarige] bij de man zal verblijven gedurende:

o in de even weken: van vrijdagmiddag 15.00 uur, dan wel uit school of de BSO, tot en met maandagochtend naar school of de BSO, dan wel 9.00

uur;

o in de oneven weken: woensdagmiddag 12.00 uur tot en met donderdagochtend naar school, dan wel 12.00 uur;

o zomervakantie: in de even jaren de eerste twee weken en de vijfde week en in de oneven jaren de tweede twee weken en de zesde week;

o herfstvakantie: in de even jaren;

o kerstvakantie: in de even jaren de eerste week en in de oneven jaren de tweede week;

o voorjaarsvakantie: in de oneven jaren;

o meivakantie:

- twee weken: in de even jaren de eerste week en in de oneven jaren de

eerste week

- één week: in de even jaren;

o Kerst: in de even jaren kerstavond en 1e Kerstdag en in de oneven jaren 2e

Kerstdag;

o Oud en Nieuw: in de oneven jaren;

o Goede vrijdag en Pasen: oneven jaren;

o Koningsdag: in de even jaren;

o Bevrijdingsdag: in de oneven jaren;

o Hemelvaartsdag: in de oneven jaren, tenzij deze in een vakantie valt, dan geldt de vakantieregeling;

o Pinksteren: in de even jaren;

o Divali: in de even jaren;

o Sinterklaas: in de oneven jaren;

o verjaardag van de man: in de even en oneven jaren van 9.00 uur, dan wel uit school, tot de volgende dag 10.00 uur, dan wel tot naar school brengen;

o verjaardag van [minderjarige] : in de even jaren van 9.00 uur, dan wel uit school, tot de volgende dag 10.00 uur, dan wel tot naar school brengen;

o op Vaderdag: van 9.00 uur tot en met 19.00 uur;

waarbij de vakantie ingaat op vrijdag 17.00 uur, het wisselmoment bij een meerweekse vakantie op zaterdag 12.00 uur is en waarbij de man [minderjarige] zal

ophalen bij en terugbrengen bij de moeder, althans een zorgregeling / omgangsregeling te bepalen zoals de rechtbank juist acht;

te bepalen dat de moeder de man maandelijks zal informeren over de ontwikkeling

en het welzijn van [minderjarige] , alsmede over het vermogen van [minderjarige] , waaronder in ieder

geval begrepen:

• de ontwikkeling;

• de schoolkeuze en door school te organiseren activiteiten;

• verblijf gedurende vakanties of anderszins buiten Nederland;

en te bepalen dat de moeder de man per ommegaande zal informeren over de

gezondheid en medische zaken van [minderjarige] , althans een zodanige informatie- en

consultatieregeling vast te stellen zoals de rechtbank juist acht;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaar bij voorraad.

De moeder heeft verweer gevoerd. Zij concludeert de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel de verzoeken van de man af te wijzen.

De bijzondere curator adviseert:

- een DNA-onderzoek te gelasten en de man en de moeder bevelen daar hun medewerking

aan te verlenen; en

indien en voor zover uit het DNA-onderzoek blijkt dat de man de biologische vader van [minderjarige] is:

- het verzoek van de man strekkende tot verkrijging van vervangende toestemming

erkenning toe te wijzen.

Beoordeling

Vervangende toestemming erkenning / DNA-onderzoek

Artikel 1:204 lid 3 BW bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar –, of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.

DNA-onderzoek

Het verwekkerschap van de man staat ter discussie. De man stelt dat vast staat dat hij de biologische vader van [minderjarige] is. Partijen hebben immers in 2023 een affectieve relatie met elkaar gehad. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst de man naar whatsapp berichten waarin ook de moeder zou hebben aangeven dat zij uit rancune al die tijd ontkend heeft dat de man de vader van [minderjarige] is, maar dat zij op een gegeven moment besefte dat dit egoïstisch was. De moeder betwist dat zij verklaard heeft dat de man de biologische vader van [minderjarige] is. Zij stelt enkel te hebben aangegeven, onder meer in whatsapp berichten, dat het wellicht beter zou zijn als partijen duidelijkheid over het verwekkerschap zouden krijgen. De moeder stelt vanaf het eerste moment ervan uitgegaan te zijn dat de zwangerschap het gevolg was van de toenadering tot haar voormalige partner en niet van het contact met de man. Volgens de moeder heeft deze voormalige partner vanaf het begin de rol van vader voor [minderjarige] op zich genomen. Zo was hij betrokken bij de zwangerschap, heeft hij kraamverlof opgenomen en sinds zijn detentie in september 2023 onderhoudt hij nog steeds nagenoeg dagelijks telefonisch contact met [minderjarige] . De moeder verzet zich dan ook tegen een DNA-onderzoek.

De bijzondere curator adviseert een DNA-onderzoek te gelasten, omdat er zowel bij de man als de moeder twijfel is over de vraag of de man de biologische vader van [minderjarige] is.

De rechtbank acht het, net als de bijzondere curator, in het belang van [minderjarige] dat hij duidelijkheid verkrijgt over zijn eventuele afstamming van de man. Niet in geschil is dat de moeder in de periode van conceptie geslachtsgemeenschap heeft gehad met de man. De kans is dus aanwezig dat de man de verwekker van [minderjarige] is. De omstandigheid dat de moeder haar voormalige (en naar de rechtbank begrijpt: tevens huidige) partner als de vader van [minderjarige] beschouwt, doet hieraan niet af.

Voor het bewijs van het eventuele verwekkerschap van de man is een DNA-onderzoek het meest passende middel en de rechtbank zal daarom een deskundigenonderzoek bevelen.

Partijen hebben op de zitting afgesproken en met de bijzondere curator besproken dat zij, als de rechtbank beslist dat DNA-onderzoek noodzakelijk is, het DNA-onderzoek via de bijzondere curator zullen laten uitvoeren om de kosten zoveel mogelijk te beperken. Daarbij is ook afgesproken dat de man voor een DNA-test zal zorgen en de kosten daarvan zal voorschieten. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen het DNA-onderzoek eerst via de bijzondere curator te laten uitvoeren. Hiervoor zal de rechtbank partijen een termijn van twee maanden geven.

Voor het geval dat het partijen samen niet lukt via de bijzondere curator het DNA-onderzoek te laten uitvoeren zal de rechtbank nu al op voorhand een DNA-onderzoek gelasten en daartoe een deskundige benoemen. Omdat geen van partijen zich heeft uitgelaten over de persoon van de te benoemen deskundige, gaat de rechtbank ervan uit dat zij stilzwijgend hebben verzocht zoals gebruikelijk na te melden deskundige te benoemen.

De rechtbank wijst partijen erop dat zij op grond van artikel 198 derde lid Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verplicht zijn om mee te werken aan dit DNA-onderzoek. Wordt aan deze verplichting niet voldaan, dan zal de rechtbank daaraan de conclusie verbinden die haar geraden voorkomt.

Ten aanzien van de kosten van het onderzoek overweegt de rechtbank het volgende. Omdat de man als verzoeker degene is op wie de bewijslast rust, behoren de kosten van het onderzoek voorshands door hem te worden gedragen. Nu hem echter een toevoeging is verleend, zal hem ter zake van het deskundigenonderzoek geen voorschot worden opgelegd.

Zowel de moeder als de man dienen er echter rekening mee te houden dat zij bij de eindbeschikking tot betaling van deze kosten (of ieder een deel ervan) kunnen worden veroordeeld. Bij de beslissing over wie uiteindelijk de kosten moet betalen kan de uitslag van het DNA-onderzoek van belang zijn. Als blijkt uit het DNA-onderzoek dat de man de verwekker is dan ligt het in de rede dat de moeder de helft van de kosten zal vergoeden.

De rechtbank zal de behandeling van het verzoek pro forma aanhouden om de man in de gelegenheid te stellen bewijs over te leggen van het al dan niet bestaan van het verwekkerschap van hem ten aanzien van [minderjarige] door middel van een rapport van DNA-onderzoek, waaruit in ieder geval tevens blijkt dat de identiteit van degenen van wie voor onderzoek een monster is afgenomen zorgvuldig is vastgesteld. Het rapport dient voorts te zijn gedagtekend en ondertekend door een met name genoemd persoon met een daartoe relevante studie die de conclusie van het DNA-onderzoek voor zijn rekening neemt.

Als uit het DNA-onderzoek blijkt dat de man niet de biologische vader is van [minderjarige] , dan komt de rechtbank aan de overig gedane verzoeken van de man niet meer toe.

Vervangende toestemming erkenning

Voor zover uit het DNA-onderzoek mocht blijken dat de man inderdaad de biologische vader is van [minderjarige] , rijst de vraag of het bepaalde van artikel 1:204, lid 3, BW mogelijk in de weg staat aan een vervangende toestemming voor erkenning. De rechtbank overweegt daartoe alvast als volgt.

Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.

De man stelt dat het belangrijk is dat de relatie tussen [minderjarige] en hem wordt vastgelegd. Dit is met name in het belang van [minderjarige] , omdat hij recht heeft op informatie over zijn afstamming.

De moeder voert aan dat erkenning door de man in strijd is met [minderjarige] ’s zwaarwegende belangen, omdat hij een hechte en exclusieve band heeft met de huidige partner van de moeder en dat [minderjarige] hem als zijn vader ziet. Verder betoogt de moeder dat zij de grip op haar leven en van haar kinderen (moeder heeft nog twee kinderen) weer zal kwijt raken als de man vervangende toestemming tot erkenning zal krijgen, gelet op wat zij heeft meegemaakt in het verleden (zij is slachtoffer van de Toeslagenaffaire, heeft een kindje verloren) en het zeer belastende contact met de man (hij is opdringerig en hield zich vaak op bij haar huis). Dit versterkt volgens de moeder het gevoel van onveiligheid.

De bijzondere curator meent dat de belangen van de moeder niet worden geschaad bij erkenning van [minderjarige] door de man. Voor [minderjarige] is het belangrijk te weten wie zijn vader is en dit, zowel familierechtelijk als juridisch bevestigd te zien. De moeder wil niet dat de man [minderjarige] erkent. Volgens de bijzondere curator geven de argumenten van de moeder met name blijk van emotionele weerstand. De bijzondere curator heeft verder in aanmerking genomen dat de man de afgelopen periode afstand heeft gehouden tot de moeder en [minderjarige] en niet de confrontatie heeft gezocht. Daarmee lijkt de man in staat de grenzen van de moeder niet te overschrijden en vindt de bijzondere curator het aannemelijk dat de man met een erkenning van [minderjarige] een ongestoorde verhouding tussen de moeder en [minderjarige] niet in de weg zal staan. Gelet hierop adviseert de bijzondere curator bij een positieve DNA-uitslag de man vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen.

De rechtbank zal – indien uit het DNA-onderzoek blijkt dat de man de verwekker is van [minderjarige] – het verzoek van de man tot vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige] toewijzen. De argumenten van de moeder om de vervangende toestemming tot erkenning te weigeren zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om tot een afwijzing van het verzoek te komen. Weliswaar heeft de moeder in het verleden veel meegemaakt en heeft zij angst en onrustgevoelens bij erkenning, maar dit is onvoldoende om te concluderen dat de enkele erkenning van [minderjarige] door de man, de ongestoorde verhouding tussen de moeder en [minderjarige] zal worden geschaad of dat daardoor de sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] in het gedrang komt. De omstandigheid dat [minderjarige] , zoals de moeder stelt, haar huidige partner als zijn vader ziet, is onvoldoende reden om de man de toestemming tot erkenning van [minderjarige] te onthouden. Ook de verwarring bij [minderjarige] die de moeder vreest, staat niet aan erkenning in de weg. Als blijkt dat de man de verwekker is van [minderjarige] , dan is het niet in het belang van [minderjarige] om die informatie voor hem achter te houden. Een kind heeft er recht op en belang bij om te weten van wie het afstamt.

Het voorgaande brengt mee dat, indien uit het DNA-onderzoek blijkt dat de man de verwekker is van [minderjarige] , de rechtbank de man toestemming zal verlenen, die de toestemming van de moeder vervangt, om [minderjarige] te erkennen.

Voor nu zal de rechtbank de definitieve beslissing ten aanzien van de vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] pro forma aanhouden, zoals na te melden, in afwachting van het resultaat van het DNA-onderzoek.

Overige verzoeken

De rechtbank zal in afwachting van de resultaten van het DNA-onderzoek ook de beslissingen op de verzoeken over het gezag, de hoofdverblijfplaats, de omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de informatie- en consultatieregeling en de kosten van het DNA-onderzoek aanhouden, zoals na te melden.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt dat de man uiterlijk 15 november 2026 een rapport van een via de bijzondere curator uitgevoerd DNA-onderzoek dient te overleggen als hierboven vermeld;

bepaalt dat de moeder en de bijzondere curator uiterlijk twee weken na het indienen van dit rapport van DNA-onderzoek daarop zullen reageren en zich daarbij ook uitlaten over de voortgang van de procedure, waarbij de bijzondere curator tevens wordt verzocht verslag te doen van de wijze waarop het DNA-onderzoek is uitgevoerd;

*voor zover het de man en de moeder samen niet vóór 15 november 2026 is gelukt via de bijzondere curator DNA-onderzoek te laten uitvoeren,

beveelt een onderzoek door een deskundige van het DNA van:

1. de man: [de man] , geboren op [geboortedatum 2] 1984 te

[geboorteplaats 2] ,

en

2. de minderjarige: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2024

te [geboorteplaats 1] ,

en legt aan deze deskundige de vraag voor welke conclusie er aan de hand van zijn bevindingen moet worden getrokken ten aanzien van het eventuele verwekkerschap van de man;

benoemt tot deskundige die het onderzoek zal verrichten en de bovenstaande vraag zal beantwoorden:

een deskundige verbonden aan Verilabs Nederland B.V., correspondentieadres: [adres] ;

beveelt dat partijen vóór 1 december 2026 telefonisch een afspraak maken met Verilabs;

bepaalt dat hangende de procedure het ten laste van ’s-Rijks kas betaalde deel van de kosten van het onderzoek voorlopig aan de man (verzoeker) in debet zal worden gesteld;

bepaalt dat de benoemde deskundige een schriftelijk, gemotiveerd en ondertekend bericht omtrent zijn onderzoek uiterlijk op 15 februari 2027, vergezeld van zijn declaratie zal zenden naar de griffie van deze rechtbank, team Familie, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag;

bepaalt dat de griffier van deze rechtbank een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zendt;

bepaalt dat partijen en de bijzondere curator uiterlijk op 1 maart 2027 zullen reageren op het deskundigenonderzoek en zich daarbij ook uitlaten over de voortgang van de procedure;

*

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de vervangende toestemming tot erkenning – ook ten aanzien van de kosten van het DNA-onderzoek / deskundigenonderzoek en de beëindiging taak bijzondere curator –, het gezag, de hoofdverblijfplaats, de omgangs- c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de informatie- en consultatieregeling aan tot 1 maart 2027 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »