RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/710287 / JE RK 26-1383
Datum uitspraak: 8 september 2026
Beschikking van de kinderrechter
Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over de minderjarige:
[de minde] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minde] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
met een briefadres in [plaats] ,
[de pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende te [woonplaats] .
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 juli 2026;
-
het advies van de Raad in de zin van artikel 1:265j lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW)
van 13 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
-
de moeder, bijgestaan door een tolk Hongaars;
-
de pleegmoeder, bijgestaan door een tolk Hongaars;
-
[naam 1] en [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling.
2 De feiten
De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [de minde] .
[de minde] verblijft in een (netwerk)pleeggezin.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 september 2025
de ondertoezichtstelling van [de minde] verlengd tot 19 september 2026, alsmede voor dezelfde duur de machtiging verlengd [de minde] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.
3 Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minde] te verlengen voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minde] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van zes maanden. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
In aanvulling op het verzoekschrift heeft de gecertificeerde instelling ter zitting naar voren gebracht dat het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het gezag van de moeder op 14 september 2026 zal worden behandeld door de rechtbank in Alkmaar.
4 De standpunten
De moeder is het eens met het verzoek.
De pleegmoeder staat achter het verzoek. Zij beschouwt [de minde] als haar eigen kind.
5 De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.1 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [de minde] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [de minde] is vanwege haar jonge leeftijd en ontwikkelingsniveau kwetsbaar en in hoge mate afhankelijk van haar opvoeder. Sinds juni 2023 verblijft zij in een netwerkpleeggezin. De pleegmoeder sluit aan bij de behoeften van [de minde] en zet zich in om haar de benodigde verzorging en opvoeding te bieden. De moeder heeft eenmaal per maand, gedurende het weekend, contact met [de minde] en overnacht dan bij de pleegmoeder thuis. De gecertificeerde instelling heeft echter weinig tot geen zicht op deze contacten. Ook het contact tussen de gecertificeerde instelling en de moeder is beperkt. De moeder is moeilijk bereikbaar en beschikt niet over een eigen telefoonnummer, waardoor onvoldoende zicht bestaat op haar persoonlijke omstandigheden. Wel is bekend dat de moeder dakloos is en kampt met verslavingsproblematiek. Ter zitting is daarom afgesproken dat de moeder iedere eerste dinsdag van de maand om 14.00 uur telefonisch contact opneemt met de gecertificeerde instelling om te bespreken hoe het met haar en hoe het met [de minde] gaat. Daarnaast lopen er nog verschillende zaken rondom [de minde] , waaronder school en onderzoeken naar haar intelligentieniveau en epilepsie. Ook is het onderzoek van de Raad naar de vraag of een gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk is, inmiddels afgerond. De Raad heeft geadviseerd het gezag van de moeder te beëindigen en de voogdij bij de gecertificeerde instelling te beleggen. De behandeling van dit verzoek zal binnenkort plaatsvinden. In afwachting van de uitkomst daarvan vindt de kinderrechter het, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden en zorgen, noodzakelijk de ondertoezichtstelling van [de minde] te verlengen. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling daarom verlengen voor de duur van zes maanden.2
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minde] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.3 De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
Naar het oordeel van de kinderrechter kan [de minde] , onder verwijzing naar de hiervoor geschetste omstandigheden, niet bij de moeder wonen. Het perspectief van [de minde] ligt bij de pleegmoeder, bij wie zij de rust, stabiliteit en opvoeding ontvangt die zij nodig heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen. In het pleeggezin wordt in haar behoeften voorzien en is sprake van een voor haar passende en stabiele opvoedsituatie. Nu [de minde] niet bij de moeder kan wonen, is het dus van belang dat haar verblijf in het netwerkpleeggezin wordt voortgezet en gewaarborgd blijft. De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minde] verlengen voor de duur van zes maanden.
De beslissing tot verlenging ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.4
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minde] tot 19 maart 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minde] in een voorziening voor pleegzorg tot 19 maart 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. M.M. Meijers, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026, in aanwezigheid van mr. E.P.M. van der Hoorn als griffier. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.