ECLI:NL:RBDHA:2026:29760

Datum uitspraak
08-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/09/691450 / FA RK 25-6881
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

MK scheiding met nevenvoorzieningen, waaronder partneralimentatie en afwikkeling huwelijkse voorwaarden met vergoedingsvorderingen

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummers: FA RK 25-6881 (scheiding)

FA RK 26/7432 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)

Zaaknummers: C/09/691450 (scheiding)

C/09/709445 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)

Datum beschikking: 8 september 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 12 september 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. R. van Venetiën te Alphen aan den Rijn.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. J.F. van Duin te Ridderkerk.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het op 12 september 2025 ingekomen verzoekschrift, met bijlagen, namens de

vrouw;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift van 3 december 2025, met

bijlagen namens de man;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek van 6 januari 2026, met bijlagen namens

de vrouw;

- de brief van 17 juli 2026, met bijlagen, namens de vrouw;

- de brief van 20 juli 2026 namens de vrouw inhoudende een rectificatie van de brief

van 17 juli 2026;

- de brief van 24 juli 2026, met bijlage, namens de vrouw.

Op 28 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn de vrouw en de man, bijgestaan door hun advocaten verschenen. Door de advocaat van de vrouw en de man zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2017 te [plaats 1] .

- Voorafgaand aan het huwelijk zijn partijen huwelijkse voorwaarden aangegaan.

Kort samengevat inhoudende dat er tussen partijen een beperkte gemeenschap van

goederen bestaat van een onroerende zaak (woning), de inboedel en de en/of

rekeningen en dat elke andere gemeenschap van goederen tussen de echtgenoten is

uitgesloten.

- De vrouw heeft uit een eerder huwelijk drie (jong) meerderjarige kinderen:

 [meerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 1993 te [geboorteplaats] ;

 [meerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 1995 te [geboorteplaats] ;

 [jong-meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 3] 2008 te [geboorteplaats] .

- De man heeft uit een eerder huwelijk twee meerderjarige kinderen:

 [meerderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 4] 1978 te [geboorteplaats] ;

 [meerderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 5] 1985 te [geboorteplaats] .

- Deze rechtbank heeft op 1 september 2025 voorlopige voorzieningen getroffen,

inhoudende dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de

echtelijke woning te [plaats 1] aan de [adres] .

Verzoek en verweer

Het verzoek zoals dat na wijziging op zitting luidt, strekt tot I. echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:

II. voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel, tot het tijdstip van eigendomsoverdracht van die woning, althans gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

Afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden

III. de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een geldsom van € 100.000;

IV. de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een geldsom van € 150.000;

VI. de (wijze van) verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap/de

eenvoudige gemeenschappen vast te stellen conform hetgeen de vrouw heeft

verzocht in het lichaam van het verzoekschrift;

een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert – onder referte voor het overige – verweer tegen de verzochte voortzetting van het gebruik van de echtelijke woning en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht tot:

- vaststelling van een door de vrouw aan de man te betalen partneralimentatie van

€ 1.331,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;

- vaststelling van een door de vrouw aan de man te betalen bedrag van € 18.360,57;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De vrouw voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn zelfstandige verzoeken dan wel tot afwijzing van de zelfstandige verzoeken van de man.

Beoordeling

Echtscheiding

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.

Partneralimentatie

De man verzoekt een partneralimentatie vast te stellen van € 1.331,- per maand. De vrouw verweert zich hiertegen. Primair betoogt de vrouw dat de man niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek omdat hij zijn verzoek en dan met name zijn behoefte niet of onvoldoende heeft onderbouwd. Subsidiair betoogt de vrouw dat vanwege langdurig en structureel grievend gedrag van de man er geen sprake meer is van lotsverbondenheid tussen partijen, zodat niet van haar kan worden verwacht bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de man. Meer subsidiair betoogt de vrouw dat de gedragingen van de man zodanig ernstig zijn dat deze een limitering dan wel matiging van een eventuele onderhoudsbijdrage rechtvaardigen.

De rechtbank volgt de vrouw niet in haar stelling dat de man zijn behoefte niet of onvoldoende heeft onderbouwd. Zoals hierna zal blijken, is het juist de vrouw die haar stelling dat de hofnorm niet moet worden toegepast, niet of onvoldoende heeft onderbouwd.

Slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden geconcludeerd dat aan de lotsverbondenheid tussen ex-echtgenoten – welke lotsverbondenheid de grondslag vormt van de onderhoudsverplichting zoals bedoeld in artikel 1:156 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – een einde is gekomen omdat de één zich zodanig grievend jegens de ander heeft gedragen dat in redelijkheid betaling van partneralimentatie niet langer gevergd kan worden. Bij de beoordeling of een zodanige situatie zich voordoet dient terughoudendheid te worden betracht, mede gelet op het onherroepelijke karakter van een beëindiging. Bovendien is niet iedere vorm van wangedrag of grievend gedrag aanleiding om de onderhoudsverplichting te beëindigen. Ter onderbouwing heeft de vrouw een eigen verklaring en een verklaring van haar zoon [jong-meerderjarige] overgelegd. Anders dan de vrouw betoogt, kan de rechtbank uit het door de vrouw overgelegde relaas en de verklaring van [jong-meerderjarige] over wat er tijdens het huwelijk is gebeurd niet objectief vaststellen dat het gedrag van de man zodanig grievend is geweest dat de lotsverbondenheid hierdoor is verbroken.

Het betoog van de vrouw dat de gedragingen van de man zodanig ernstig zijn dat deze een limitering dan wel matiging van een eventuele onderhoudsbijdrage rechtvaardigen, heeft de vrouw evenmin voldoende onderbouwd. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan dit betoog.

De rechtbank zal hierna aan de hand van de behoefte, behoeftigheid en draagkracht beoordelen of en zo ja in hoeverre de vrouw moet bijdragen aan de kosten van levensonderhoud van de man. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat voor het berekenen van partneralimentatie de door de vrouw bij haar pleitnota overgelegde alimentatieberekening als uitgangspunt zal worden genomen, omdat de man zich daar grotendeels in kan vinden. De geschilpunten zullen hierna nader worden belicht.

Behoefte man

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank bij de berekening van de behoefte al dan niet moet uitgaan van de hofnorm, waarbij de behoefte van de onderhoudsgerechtigde wordt vastgesteld op 60% van het netto besteedbare gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten van de kinderen. De man stelt dat zijn behoefte moet worden berekend aan de hand van de hofnorm. De vrouw betwist het standpunt van de man en stelt dat de behoefte van de man moet worden berekend op basis van concrete gegevens. Anders dan de vrouw betoogt, zal de rechtbank voor het bepalen van de behoefte van de man voor partneralimentatie, conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie zoals opgenomen in het Rapport alimentatienormen, de hofnorm als uitgangspunt nemen. Slechts als het bedrag dat aan de hand van de hofnorm is berekend voldoende gemotiveerd is betwist, wordt van dit uitgangspunt afgeweken. De enkele stelling van de vrouw dat de man zijn behoefte aan partneralimentatie moet concretiseren waarbij zij slechts verwijst naar vaste jurisprudentie in het algemeen, zonder deze stelling nader te onderbouwen en te concretiseren, is daartoe onvoldoende. De rechtbank zal daarom – zoals gebruikelijk is – de hofnorm als uitgangspunt nemen bij de berekening van de behoefte van de man.

De rechtbank zal het netto besteedbare gezinsinkomen (NBGI) van partijen berekenen in 2025, omdat partijen in maart 2025 feitelijk uit elkaar zijn gegaan (periode 2025-1). Daarbij zal de rechtbank het netto besteedbare inkomen (NBI) van ieder van partijen berekenen aan de hand van de inkomensgegevens zoals blijken uit de door de vrouw bij haar pleitnota overgelegde alimentatieberekening. Deze zijn door de man niet betwist.

NBI vrouw in 2025

De rechtbank gaat bij de vrouw uit van een NBI in 2025 van € 4.102,- per maand, behorend bij een jaarinkomen van € 71.102,-.

NBI man in 2025

Bij de man gaat de rechtbank uit van een NBI van € 1.845,- per maand, behorende bij een bruto AOW-uitkering voor gehuwden van € 1.155,- per maand en een bruto pensioen van

€ 859,- per maand.

NBGI in 2025

De rechtbank berekent het NBGI van partijen in 2025 op € 5.947,- per maand (€ 4.102 +

€ 1.845).

Kosten [jong-meerderjarige] in 2025

De vrouw stelt dat bij de berekening van de behoefte van de man volgens de hofnorm rekening moet worden gehouden met de kosten van haar (jong)meerderjarige zoon [jong-meerderjarige] , geboren uit een eerdere relatie van de vrouw, omdat hij destijds deel heeft uitgemaakt van het gezin. De vrouw stelt dat het NBGI moet worden verminderd met een bedrag van

€ 679,- per maand, haar aandeel in de kosten van [jong-meerderjarige] . De man verzet zich tegen de hoogte van dit bedrag. De rechtbank volgt de vrouw niet en zal rekening houden met een bedrag van € 352,- per maand in 2025. De rechtbank berekent dit bedrag als volgt.

Uit het door de vrouw als productie 12 overgelegde ouderschapsplan (artikel 7.1) blijkt dat de behoefte van [jong-meerderjarige] in 2016 volgens de gangbare tabel is vastgesteld op € 560,- per maand, zijnde verblijfkosten en verblijfsoverstijgende kosten. Uit artikel 7.2 leidt de rechtbank af dat de verblijfsoverstijgende kosten van [jong-meerderjarige] zijn berekend op € 120,- per maand en dat de ouders hebben afgesproken dat iedere ouder de eigen kosten van inwoning van [jong-meerderjarige] draagt. Op de zitting is gebleken dat er sprake was van co-ouderschap, zodat de zorg van [jong-meerderjarige] werd gedeeld. Dit betekent dat de vader van [jong-meerderjarige] een groter eigen aandeel in de kosten van [jong-meerderjarige] had dan de vrouw stelt.

De behoefte van [jong-meerderjarige] was in 2016 € 560,- per maand, verminderd met de verblijfsoverstijgende kosten van € 120,- per maand, is € 440,- per maand aan verblijfkosten. Hiervan draagt als gevolg van het co-ouderschap iedere ouder de helft, te weten € 220,- per maand.

Daarnaast volgt uit artikel 7.2 van het ouderschapsplan dat het aandeel van de vader van [jong-meerderjarige] in de verblijfsoverstijgende kosten van € 120,- per maand 63% betrof en van de vrouw 37%. Dit betekent dat afgerond € 75,- per maand (63% van € 120) door de vader aan verblijfsoverstijgende kosten werd voldaan en afgerond € 45,- per maand (37% van

€ 120) door de vrouw.

Het eigen aandeel van de vrouw in de kosten van [jong-meerderjarige] bedroeg in 2016 dan € 220,- per maand aan verblijfkosten vermeerderd met haar aandeel in de verblijfsoverstijgende kosten van € 45,- per maand ofwel in totaal € 265,- per maand in 2016. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt het eigen aandeel van de vrouw in de kosten van [jong-meerderjarige] afgerond € 352,- per maand.

Van het NBGI van partijen in 2025 van € 5.947,- per maand moeten de kosten van [jong-meerderjarige] van € 352,- per maand in 2025 worden afgetrokken, zodat een bedrag van € 5.595,- per maand (€ 5.947 -/- € 352) beschikbaar was voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de man bedraagt dan volgens de hofnorm afgerond € 3.357,- netto per maand (60% van € 5.595 per maand). Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte afgerond € 3.511,- netto per maand.

Behoeftigheid man in 2026

Van behoeftigheid is sprake als de man niet voldoende inkomsten heeft om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien en zich die in redelijkheid ook niet kan verwerven.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man een bruto AOW-uitkering voor een alleenstaande ontvangt van afgerond € 1.767,- bruto per maand inclusief vakantiegeld.

Verder zal de rechtbank –evenals de vrouw– rekening houden met een bruto pensioen

van € 10.308,- per jaar, omdat de man geen actuele gegevens heeft overgelegd.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:

  • de algemene heffingskorting;

  • de ouderenkorting;

  • de alleenstaande ouderenkorting.

Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het NBI van de man in 2026 op € 2.372,- per maand. De man kan met zijn huidige inkomen dus niet in de huwelijksgerelateerde behoefte voorzien. De resterende netto behoefte van de man is

€ 1.139,- per maand. Dit komt overeen met een bruto bedrag van € 1.872,- per maand. De rechtbank verwijst hierbij naar de aangehechte berekening.

Draagkracht vrouw in 2026

Uit de stukken en wat op de zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank gebleken dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van de vrouw met ingang van 31 juli 2026 van rechtswege zal aflopen. Tevens is de rechtbank gebleken dat de vrouw op dit moment vanwege ziekte niet kan werken. De vrouw heeft gesteld dat ze met ingang van 1 augustus 2026 naar verwachting een uitkering van het UWV zal ontvangen van 70% van haar laatstverdiende inkomen na correctie met de 15% “arbeidsmarkttoelage”.

In de door de vrouw overgelegde alimentatieberekening gaat de vrouw voor het bepalen van haar draagkracht uit van een bruto uitkering van € 3.602,- per maand vermeerderd met een vakantietoeslag. Zij berekent haar NBI op € 2.657,- per maand. Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen het er over eens geworden dat, bij gebrek aan recente uitkeringsspecificaties, voor de berekening van de draagkracht van de vrouw van voormeld NBI kan worden uitgegaan. De rechtbank zal partijen hierin volgen. Bij substantiële veranderingen in het inkomen van de vrouw in de toekomst, kunnen partijen de draagkracht herberekenen.

Tussen de man en de vrouw is in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw moet worden uitgegaan van haar werkelijke woonlast in plaats van het gebruikelijke woonbudget. De man stelt dat rekening moet worden gehouden met de werkelijke woonlasten en niet met het woonbudget, omdat uit de draagkrachtberekening van de vrouw een draagkrachttekort volgt om in de behoefte van de man te voorzien terwijl haar werkelijke woonlasten lager zijn dan het woonbudget. De vrouw betwist het standpunt van de man en stelt dat gerekend moet worden met het gebruikelijke woonbudget. Volgens de vrouw is nu nog niet duidelijk of de werkelijke woonlasten duurzaam lager zijn. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget. Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat er op dit moment nog geen sprake is van een woonlast die duurzaam lager is dan het woonbudget. Zoals hierna zal blijken, wil de vrouw de echtelijke woning overnemen, maar het is nog niet duidelijk of dit ook mogelijk is. Ook zijn haar toekomstige woonlasten na overname nog niet bekend. Daarnaast heeft de man naar het oordeel van de rechtbank ook niet aangetoond dat de werkelijke woonlasten aanmerkelijk lager (zullen) zijn. De rechtbank zal daarom zoals gebruikelijk rekenen met een woonbudget van 30% van het NBI.

De vrouw verzoekt bij het bepalen van haar draagkracht rekening te houden met de aflossing van € 500,- per maand op een schuld aan haar advocaat. De man heeft betwist dat rekening moet worden gehouden met de aflossing op deze schuld, omdat de vrouw niet heeft aangetoond dat er sprake is van een schuld waarop zij aflost en als deze schuld er zou zijn dat zij deze niet uit de vrije ruimte zou kunnen voldoen. De vrouw had immers een aanzienlijk bruto jaarinkomen en daarnaast ook voldoende spaargeld, zodat volgens de man het treffen van een betalingsregeling met haar advocaat helemaal niet nodig was. De rechtbank zal geen rekening houden met de aflossing van € 500,- per maand en overweegt daartoe het volgende. Gebleken is dat er geen althans nauwelijks een schuld aan haar advocaat is. Uit het door de vrouw als productie 27 overgelegde overzicht advocaatkosten en de hierop gegeven toelichting op de zitting blijkt dat alleen de factuur van 3 juli 2026 van € 240,- nog niet is betaald. Bovendien heeft de vrouw niet aangetoond dat zij deze advocaatkosten niet uit haar liquide middelen zou kunnen voldoen.

De rechtbank zal volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de daarbij behorende draagkrachtformule van (60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1365)]) toepassen en ziet gelet op het bovenstaande geen aanleiding tot aanpassing van deze formule over te gaan.

Hieruit volgt een draagkracht van de vrouw van € 297,- per maand 60% x [2.657 – (0,3 x 2.657 + 1.365)]

De vrouw stelt dat bij het bepalen van haar draagkracht verder rekening moet worden gehouden met haar aandeel in de kosten voor [jong-meerderjarige] . [jong-meerderjarige] is inmiddels 18 jaar en hij zal met ingang van september 2026 biologie gaan studeren aan de [universiteit]. Hij zal vooralsnog thuiswonend zijn. De vrouw stelt dat rekening moet worden gehouden met een bedrag van € 931,- per maand, te weten de WSF-norm van € 1.031,- per maand

(€ 1.160,96 -/- € 130,21 (basisbeurs) verminderd met de bijdrage van de vader van [jong-meerderjarige] van € 100,- per maand. De man heeft zich hiertegen gemotiveerd verweerd. In het licht van de betwisting vindt de rechtbank het redelijk om bij het bepalen van de draagkracht van de vrouw rekening te houden met een bedrag van € 516,- per maand. De rechtbank berekent dit bedrag als volgt.

De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling van de vrouw dat [jong-meerderjarige] met ingang van september 2026 biologie zal gaan studeren. De vraag is hoe de kosten van [jong-meerderjarige] tussen de ouders zou moeten worden verdeeld. De vrouw stelt dat de vader van [jong-meerderjarige] slechts € 100,- per maand bijdraagt in de kosten van [jong-meerderjarige] . Bij gebrek aan enige nadere onderbouwing vindt de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een 50-50 verdeling tussen de ouders. Immers ook van de vader van [jong-meerderjarige] mag worden verwacht dat hij voor de helft in de kosten van [jong-meerderjarige] bijdraagt.

De WSF-norm in 2026 voor een thuiswonende WO student bedraagt afgerond € 1.161,- per maand. Hiervan moet de basisbeurs van afgerond € 130,- per maand worden afgetrokken. De kosten van [jong-meerderjarige] bedragen dan € 1.031,- per maand (€ 1.161 -/- € 130). Het aandeel van de vrouw in de kosten van [jong-meerderjarige] bedraagt dan afgerond € 516,- per maand (50% van

€ 1.031,-). De rechtbank zal bij de vrouw met dit bedrag rekening houden.

Op de draagkracht van de vrouw wordt haar aandeel in de kosten van [jong-meerderjarige] van € 516,- per maand in mindering gebracht. De vrouw heeft volgens de aangehechte berekening geen draagkracht meer beschikbaar om nog partneralimentatie aan de man te voldoen.

Conclusie

Gelet op dit alles zal de rechtbank het verzoek van de man tot het vaststellen van partneralimentatie nu afwijzen. Daarbij merkt de rechtbank op, zoals op de zitting is besproken, dat mocht de vrouw weer een hoger arbeidsinkomen ontvangen in plaats van de huidige ziektewetuitkering, dat de beide advocaten aan de hand van de door de rechtbank vastgestelde uitgangspunten opnieuw zullen berekenen of er dan wel draagkracht bij de vrouw bestaat om partneralimentatie aan de man te voldoen.

Voortgezet gebruik echtelijke woning

De vrouw verzoekt om het voortgezet gebruik van de (voormalige) echtelijke woning met de inboedel, primair tot het tijdstip van eigendomsoverdracht van die woning, subsidiair gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

Gebleken is dat de man inmiddels elders verblijft en vanwege de door het herseninfarct ontstane lichamelijke beperkingen niet meer terug zal keren naar de echtelijke woning. De man heeft tegen het verzoek van de vrouw geen bezwaren geuit, mits de vrouw zich zal inspannen om zo spoedig mogelijk de woning over te nemen dan wel te koop aan te bieden.

De rechtbank zal bepalen dat de vrouw het voortgezet gebruik van de voormalige echtelijke woning zal hebben tot 1 maart 2027. De rechtbank vindt 1 maart 2027 een redelijke termijn, omdat de man heeft aangegeven dat hij niet wil dat overdracht van de woning aan de vrouw of een derde te lang zal duren en ook om duidelijkheid voor partijen te scheppen. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw zich zal inzetten om zo spoedig mogelijk, zoals hierna zal worden overwogen, de woning over te nemen dan wel te koop aan te bieden.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

De man en de vrouw zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. Zij zijn bij huwelijkse voorwaarden onder andere het volgende overeengekomen:

Beperkte gemeenschap van goederen

Artikel 1

Tussen de echtgenoten bestaat een beperkte gemeenschap welke de navolgende goederen omvat:

  1. de door de man aangekochte en bewoonde woning aan de [adres] alsmede de daarop rustende hypothecaire schuld;

  2. de inboedel in gemeld registergoed;

  3. en/of rekeningen.

Op voormelde goederen is zaaksvervanging van overeenkomstige toepassing.

De echtgenoten sluiten elke andere gemeenschap van goederen uit.

Derhalve blijven buiten de gemeenschap goederen die een echtgenoot tijdens het huwelijk krachtens erfgoed of schenking verkrijgt alsmede de op die verkrijging drukkende schulden en de wegens die verkrijging geheven belastingen als successierecht, schenkings- en overgangsrecht.

Artikel 3

  1. […]

  2. De kosten van aanschaf van zaken die tot de beperkte gemeenschap behoren komen als kosten van de huishouding ten laste van de echtgenoten zoals hierna aangegeven in artikel 9. Dit geldt ook voor de kosten van onderhoud, herstel en verbetering van de zaken die tot de gemeenschap behoren.

  3. […]

Vergoedingsrechten

Artikel 6

Een echtgenoot heeft een vergoedingsrecht jegens de andere echtgenoot, indien een bedrag of waarde ten behoeve van die andere echtgenoot aan zijn vermogen is onttrokken. De vergoeding is gelijk aan het bedrag of de waarde ten tijde van onttrekking en is direct opeisbaar, tenzij redelijkheid en billijkheid zich tegen die opeisbaarheid verzetten.

Kosten van de huishouding

Artikel 9

1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden door echtgenoten gedragen naar evenredigheid van ieders inkomen. Zijn de inkomens onvoldoende, dan worden de kosten gedragen naar evenredigheid van ieders vermogen. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.

[…]

4. De echtgenoot die in een kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten

van de huishouding dan hij op grond van het bepaalde in dit artikel zou

moeten dragen, kan dit meerdere van de andere echtgenoot terugvorderen

mits hij die vordering instelt binnen een jaar na afloop van het desbetreffende

kalenderjaar.

5. Indien de vordering overeenkomstig lid 4 is ingesteld, moet deze direct worden

voldaan, tenzij redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzetten.”

De tussen de man en de vrouw geldende huwelijkse voorwaarden houden kort gezegd in dat er tussen hen een beperkte gemeenschap van goederen bestaat welke de echtelijke woning, de inboedel in de echtelijke woning en de gemeenschappelijke bankrekening omvat. De huwelijkse voorwaarden bevatten geen periodiek of finaal verrekenbeding.

De man en de vrouw hebben als gemeenschappelijke vermogensbestanddelen naar voren gebracht die verdeeld moeten worden:

  1. de echtelijke woning aan de [adres] met de daarop rustende hypothecaire geldlening;

  2. de inboedel in de woning;

  3. de saldi op de en/of-rekening.

Ad a) de echtelijke woning aan de [adres] met de daarop rustende hypothecaire geldlening

Aanvankelijk had de vrouw verzocht om een goederenrechtelijke overdracht van de woning. Op de zitting heeft de vrouw dit verzoek ingetrokken. De rechtbank zal het huidige verzoek van de vrouw opvatten als een verzoek tot verdeling van de woning.

Partijen zijn ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de woning aan de [adres] . Op de woning rust een hypothecaire geldlening bij Florius ten bedrage van € 59.783,- (leningnummer [nummer] ). De hypothecaire geldlening is op naam van beide partijen gesteld.

Primair stelt de vrouw zich op het standpunt dat er sprake is van een totaalovereenstemming tussen partijen. Deze overeenstemming houdt volgens de vrouw in dat de woning aan haar zal worden toebedeeld voor een waarde van € 350.000,- onder de opschortende voorwaarde van hoofdelijk ontslag van de man door de hypotheekhouder en zonder dat de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden nog een bedrag aan de man moet betalen. Volgens de vrouw betreft dit een verrekening van alle bedragen. De man heeft deze totaalovereenstemming gemotiveerd betwist. In het licht van deze gemotiveerde betwisting heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank niet nader met stukken onderbouwd dat er sprake is van een dergelijke overeenstemming. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan deze primaire stelling van de vrouw.

Op de zitting is afgesproken dat de rechtbank de wijze van verdeling van de echtelijke woning en de hypothecaire geldlening zal gelasten volgens een in het dictum opgenomen spoorboekje. Partijen zijn het met elkaar eens dat de vrouw zal onderzoeken of zij de echtelijke woning kan overnemen. Partijen verschillen van mening over de termijn waarop de vrouw dit uiterlijk onderzocht moet hebben. De rechtbank zal de vrouw hiervoor tot

1 januari 2027 de tijd geven. De rechtbank acht deze termijn redelijk. Voor zover de vrouw de woning niet kan overnemen, zijn partijen het erover eens dat de woning zal worden verkocht.

Tussen partijen is in geschil van welke waarde voor de woning moet worden uitgegaan. De vrouw stelt dat voor de waarde van de woning moet worden uitgegaan van € 350.000,-. Volgens de vrouw zijn partijen immers met elkaar in overleg getreden over de (wijze van) verdeling en vermogensrechtelijke afwikkeling en is in dat kader de woning op 2 juni 2025 door [taxateur] getaxeerd op € 350.000,-. De man kan zich niet vinden in deze waarde. De man stelt dat nimmer overleg heeft plaatsgevonden en dat de vrouw zonder overleg met de man de woning heeft laten taxeren. Daarnaast betoogt de man dat de vrouw blijkens het doel van de taxatie ook onjuiste informatie aan de taxateur heeft verstrekt. Zo blijkt het doel volgens het taxatierapport te zijn: “U wilt een lening krijgen of aanpassen. Het verkrijgen van een hypothecaire financiering”, terwijl de werkelijke reden is het bepalen van de marktwaarde van de woning wegens een echtscheiding, wat volgens de man wel een afwijkingspercentage in waarde van 5% met zich mee kan brengen. De man wil de woning daarom opnieuw laten taxeren. De rechtbank volgt de man in zijn standpunt. Het taxatierapport dateert immers al van juni 2025. Het is een feit van algemene bekendheid dat de waarden van de huizen het laatste jaar aanzienlijk zijn gestegen. Daarbij merkt de rechtbank op dat niet is vast te stellen of de taxatie destijds ook in opdracht van de man is geweest. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen, voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur, dat de vrouw aan de man binnen twee weken na de datum van deze beschikking drie onafhankelijke makelaar-taxateurs zal voorstellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren, waaruit de man er vervolgens binnen één week één kiest. De rechtbank zal de wijze van verdeling hierna opnemen in het spoorboekje in het dictum van de beschikking.

In beginsel zijn partijen bij de overname van de vrouw dan wel verkoop aan een derde ieder voor de helft gerechtigd tot de resterende overwaarde (te weten de getaxeerde waarde dan wel verkoopwaarde van de woning minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de overdracht dan wel verkoop waaronder de kosten van de makelaar-taxateur).

De rechtbank zal hierna bespreken met welke bedragen bij de verdeling van de resterende overwaarde rekening gehouden moet worden.

Vergoedingsvorderingen van de vrouw

De vrouw stelt twee vergoedingsrechten op de man te hebben die zij –naar de rechtbank begrijpt- wil verrekenen bij de levering van de woning aan haar dan wel bij de verkoop aan een derde:

  1. € 100.000,- uit hoofde van een notariële schuldbekentenis;

  2. € 150.000,- uit hoofde van een onderhandse schuldbekentenis ter zake de financiële

afwikkeling van de kosten van de huishouding respectievelijk onderhouds-/verbouwingskosten van de woning.

Ad 1) de vergoedingsvordering van € 100.000,-

De vrouw stelt een vordering van € 100.000,- op de man te hebben, omdat de man en de vrouw voor het aangaan van de huwelijkse voorwaarden op 8 maart 2017 een notariële schuldbekentenis zijn aangegaan. In deze schuldbekentenis is overeengekomen dat de vrouw aan de man een bedrag van € 100.000,- zal lenen ten behoeve van een gedeeltelijke aflossing van de hypothecaire geldlening verbonden aan de eigen woning van de man. Tevens is overeengekomen dat bij het beëindigen van de relatie tussen de man en de vrouw dit bedrag onmiddellijk door de vrouw kan worden opgeëist.

De man heeft de vordering van de vrouw van € 100.000,- gemotiveerd betwist. Volgens de man zijn partijen destijds een overeenkomst aangegaan, waarbij de vrouw een bedrag van

€ 100.000,- aan de man zou lenen om de hypothecaire last op de woning waarin zij samen woonden met € 100.000,- te verlagen, zodat de maandelijkse lasten zouden worden beperkt. Daartoe is toen niet een notariële maar een onderhandse akte van 8 maart 2017 opgemaakt (productie 9). Deze leenovereenkomst was volgens de man onderdeel van een grotere afspraak, te weten dat de vrouw zich zou inkopen in de woning van de man. Na het aangaan van de huwelijkse voorwaarden in april 2017 zou de vrouw voor de helft mede eigenaar worden van de echtelijke woning en zou daarmee de lening vervallen. Op de zitting heeft de man nader toegelicht dat de vrouw destijds niet een bedrag van € 100.000,- heeft overgemaakt, maar een bedrag van € 80.000,-.

De rechtbank overweegt dat uit de door de vrouw als productie 18 overgelegde rekeningafschriften blijkt dat de vrouw – zoals de man betoogt – op 9 maart 2017 een bedrag van € 80.000,- heeft overgemaakt naar de gemeenschappelijke bankrekening. Dat de vrouw ook nog met allerlei kleine bedragen zou hebben bijgedragen aan de aflossing van de hypotheek is niet gebleken uit de stukken, zodat de rechtbank aan dit betoog van de vrouw voorbij zal gaan. Dit leidt ertoe dat de rechtbank zal uitgaan van een feitelijke lening van

€ 80.000,-, zoals de man stelt.

De rechtbank volgt de man niet in zijn stelling dat de lening/schuldbekentenis onderdeel is van een afspraak waarbij zou zijn overeengekomen dat de schuld zou komen te vervallen op het moment dat de vrouw mede eigenaar van de echtelijke woning zou worden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Op welke manier in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij daarover redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Op diegene die zich beroept op een rechtsgevolg rust de stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast van de stellingen die leiden tot dat rechtsgevolg. De man heeft zijn stelling dat het de bedoeling van partijen was dat de vrouw zich zou inkopen in de woning van de man en dat de schuld dus zou komen te vervallen op het moment dat zij het mede-eigendom van de woning zou verkrijgen – tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw – niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd. Het had op de weg van de man gelegen om deze afspraak met objectieve stukken nader te onderbouwen, wat hij heeft nagelaten. De enkele stelling van de man dat deze afspraak aannemelijk is, is daartoe onvoldoende. De rechtbank zal de vordering van de vrouw dan ook toewijzen, zij het beperkt tot een bedrag van € 80.000,-. De man en de vrouw kunnen deze vordering bij de verdeling van de echtelijke woning onderling verrekenen met de te verrekenen overwaarde.

Ad 2) € 150.000,- uit hoofde van een onderhandse schuldbekentenis

De vrouw stelt dat de man tijdens het huwelijk noch heeft bijgedragen in de aanzienlijke kosten van de huishouding, noch heeft bijgedragen in de aanzienlijke kosten van onderhoud/verbouwingen. Partijen zijn daarom op 10 december 2024 een onderhandse schuldbekentenis aangegaan, waarbij de man zich volgens de vrouw heeft verbonden om over de periode van 2017 tot 2024 een bedrag van € 150.000,- uit hoofde van de afwikkeling van de kosten van de huishouding en onderhouds-/verbouwingskosten van de woning aan de vrouw te betalen. De vrouw stelt op grond van deze onderhandse schuldbekentenis een vordering op de man te hebben van € 150.000,-.

De man betwist de vordering van de vrouw van € 150.000,-. Allereerst voert de man aan dat op het moment van het aangaan van de onderhandse akte van 10 december 2024 zijn wil daartoe ontbrak en de vrouw dit ook had moeten begrijpen. Volgens de man overzag hij vanwege zijn beperkte cognitieve vermogens na zijn herseninfarct niet wat hij ondertekende. De overeenkomst is dan ook primair nietig op grond van artikel 3:33 BW. Subsidiair stelt de man dat de overeenkomst op grond van artikel 3:44 BW vernietigbaar is vanwege misbruik van omstandigheden.

Het beroep van de man op nietigheid van de overeenkomst tussen partijen, vastgelegd in de onderhandse akte van 10 december 2024, slaagt naar het oordeel van de rechtbank. Niet in geschil is dat de man op 18 januari 2023 is getroffen door een herseninfarct waardoor er sprake was van een beperking in zijn cognitieve vermogen. Gebleken is dat de man vanaf half januari 2025 opgenomen is geweest, eerst in het herstelhuis “ [zorginstelling 1] ” in [plaats 1] en daarna vanaf 5 maart 2025 in psychiatrische kliniek “ [zorginstelling 2] ” in [plaats 2] . Verder is uit de overgelegde stukken gebleken dat partijen in juni 2025 bij [notariskantoor] in [plaats 1] zijn geweest om te bewerkstelligen dat de echtelijke woning aan de vrouw zou worden overgedragen. Uit het als productie 1 door de man overgelegde e-mailbericht van

18 juni 2025 van notaris [notaris] komt naar voren dat deze notaris zodanige twijfels aan de geestesvermogens van de man had dat zij de man heeft verwezen naar een VIA arts om een verklaring wilsbekwaamheid te laten opstellen. Gelet op dit alles is de rechtbank van oordeel dat de man op het moment van het ondertekenen van de onderhandse akte van

10 december 2024 niet in staat was om te overzien waarvoor hij tekende en de vrouw had er ook niet op mogen vertrouwen dat dit wel het geval was. Partijen waren op het moment van het aangaan van de onderhandse akte immers nog getrouwd, woonden nog samen in de echtelijke woning en de vrouw was op de hoogte van de geestestoestand van de man. Dit alles betekent dat de overeenkomst tussen partijen nietig is, zodat de vrouw zich voor de vordering van € 150.000,- op de man niet kan beroepen op de onderhandse akte van

10 december 2024.

Subsidiair stelt de vrouw een vordering van € 150.000,- op de man te hebben uit hoofde van teveel betaalde kosten van de huishouding op grond van de huwelijkse voorwaarden. Ter onderbouwing hiervan voert de vrouw aan dat het niet redelijk en billijk zou zijn indien de man tijdens het huwelijk niet zou hebben hoeven bij te dragen in de kosten van de huishouding. De man heeft dit gemotiveerd betwist. De man beroept zich hierbij onder andere op het in de huwelijkse voorwaarden overeengekomen vervalbeding, op grond waarvan de vordering ter zake van te veel bijgedragen kosten van de huishouding binnen een jaar na het verstrijken van een kalenderjaar waarop de vordering ziet, moet zijn ingesteld.

De rechtbank stelt voorop dat partijen in artikel 9 lid 4 van de huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen dat de echtgenoot die in een kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan hij zou moeten dragen, dit meerdere van de andere echtgenoot terug kan vorderen, mits die vordering wordt ingesteld binnen een jaar na afloop van het desbetreffende kalenderjaar. Door de vrouw is het vervalbeding noch betwist, noch heeft zij omstandigheden aangevoerd waarom een beroep hierop in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid. Gelet op het vorenstaande is het verzoek van de vrouw voor zover dat betrekking heeft op de periode 1 januari 2017 tot 1 januari 2022 niet toewijsbaar.

Voor zover de vrouw aanspraak maakt op vergoeding van de door haar na 1 januari 2023 gemaakte kosten van huishouding, waaronder de kosten van onderhouds- en verbouwingskosten van de echtelijke woning, zal de vrouw gelet op artikel 3 lid 2 en artikel 9 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden en mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de man moeten aantonen dat zij daadwerkelijk deze kosten heeft gemaakt. Daarnaast moet de vrouw aan de hand van de verhouding van inkomens van partijen en de vermogens van partijen aantonen dat zij € 150.000,- meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan zij had moeten dragen. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld wat, op grond van deze bepaling in de huwelijkse voorwaarden, haar aandeel in de daadwerkelijke gemaakte kosten zou moeten zijn. Daarnaast heeft de vrouw ook niet aangetoond dat zij daadwerkelijk meer heeft betaald dan waartoe zij volgens de huwelijkse voorwaarden gehouden was. De vrouw heeft niet meer dan een door haarzelf opgesteld overzicht overgelegd van totale kosten en de inkomens van partijen van januari 2017 tot en met december 2025, zonder onderliggende stukken. Bij gebrek aan relevante inkomens- en vermogensgegevens van partijen, een deugdelijk overzicht van de totale kosten van de huishouding en ieders bijdrage hierin van partijen, is de rechtbank niet in staat vast te stellen, of, en zo ja in welke mate de vrouw te veel, en dus de man te weinig, heeft bijdragen. De vordering van de vrouw is onvoldoende vast komen te staan. Daarbij gaat de rechtbank voorbij aan de (uiterst subsidiaire) stelling van de vrouw dat ze in ieder geval een nominaal vergoedingsrecht heeft uit hoofde van investeringen in de gemeenschappelijke woning van in totaal € 58.976,59. Partijen zijn in artikel 3 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden uitdrukkelijk overeengekomen dat de kosten van onderhoud, herstel en verbetering van de zaken die tot de gemeenschap behoren als kosten van de huishouding ten laste van de echtgenoten komen zoals aangegeven in artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden.

De stelling van de vrouw dat het niet redelijk en billijk is dat zij de aanzienlijke kosten van de huishouding en die van onderhoud/verbouwing volledig heeft betaald en de man in het geheel niet heeft bijgedragen, vormt, in het licht van het vorenstaande, naar het oordeel van de rechtbank geen zelfstandige grond om af te wijken van hetgeen partijen zijn overeengekomen in de huwelijkse voorwaarden.

Concluderend zal de rechtbank de vordering van de vrouw van € 150.000,- op de man afwijzen.

Ad b) de inboedel in de woning

Op de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de wijze van verdeling van de inboedel. Deze overeenstemming houdt in dat ieder de inboedelgoederen behoudt die hij of zij nu onder zich heeft zonder nadere verrekening, met dien verstande dat de vrouw nog aan de man zal overhandigen een gouden ring die hij geërfd heeft, kleding van de man die mogelijk nog aanwezig is en een oude ING-bankpas met een voor de man betekenisvol nummer.

Ad c) de en/of-rekening

Gebleken is dat partijen een gemeenschappelijke bankrekening hebben, te weten een bankrekening bij de Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer] . De vrouw wenst deze bankrekening op haar naam voort te zetten onder vergoeding van de helft van het saldo op de peildatum aan de man. De man stemt hiermee in. De rechtbank zal aldus bepalen.

De vergoedingsvordering van de man

De man stelt dat hij op 9 juni 2021 een uitkering van zijn levensverzekering van Nationale Nederlanden van € 18.360,57 heeft ontvangen die hij op de gemeenschappelijke bankrekening heeft laten storten. Vervolgens heeft de vrouw op 21 juni 2021 een bedrag van € 20.000,-, waaronder het bedrag van de uitkering van Nationale Nederlanden, van de gemeenschappelijke rekening overgemaakt naar haar eigen bankrekening. De man stelt dat hij een vordering van € 18.360,57 op de vrouw heeft.

De vrouw betwist deze vordering van de man van € 18.360,57. Zij heeft primair naar voren gebracht dat partijen overeengekomen zijn dat de man mede door middel van de uitkering zou bijdragen in de kosten van de huishouding en de onderhouds-/verbouwingskosten van de woning. Volgens de vrouw was de man er dan ook mee bekend en akkoord dat de uitkering van Nationale Nederlanden op de en/of-bankrekening zou worden gestort en vervolgens door de vrouw naar haar bankrekening zou worden overgemaakt.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de door de man overgelegde bankafschriften is gebleken dat op 9 juni 2021 Nationale Nederlanden een bedrag van € 18.360,57 op de gemeenschappelijke rekening van partijen heeft gestort met de omschrijving “uitkering polis”. Niet is tussen partijen in geschil dat de man rechthebbende is van dit bedrag. Ook is uit de door de man overgelegde bankafschriften gebleken dat op 21 juni 2021 een bedrag van € 20.000,- van de gemeenschappelijke bankrekening naar een bankrekening op naam van de vrouw is overgeboekt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat partijen in artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden een bepaling hebben opgenomen waaruit volgt dat de echtgenoten verplicht zijn aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, een en ander ten bedrage van of naar waarde ten tijde van de onttrekking. De vrouw dient conform artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden van partijen dan ook het bedrag van € 18.360,57 aan de man te vergoeden.

Subsidiair heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld dat het bedrag van € 18.360,57 reeds in 2021 op de gemeenschappelijke bankrekening is ontvangen en op het moment van de verdeling niet langer aanwezig is althans niet als zodanig meer is te identificeren. De rechtbank volgt de vrouw niet in dit standpunt. Immers uit de overgelegde bankafschriften is gebleken dat Nationale Nederlanden op 9 juni 2021 het bedrag van € 18.360,57 heeft gestort op de gemeenschappelijke bankrekening en dat kort daarna, op 21 juni 2021, de vrouw een bedrag van € 20.000,- waaronder dit bedrag, heeft overgemaakt naar haar eigen bankrekening. Onmiskenbaar heeft de vrouw dit bedrag van € 18.360,57 onttrokken aan het vermogen van de man. Daarbij wijst de rechtbank ook op het arrest van de Hoge Raad van

5 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019/504). Uit dit arrest volgt dat als privégeld van een echtgenoot dat door vermenging tot de huwelijksgemeenschap is gaan behoren en met dit geld gemeenschapsschulden (waaronder ook kosten van de huishouding) zijn voldaan, dit niet maakt dat er geen vergoedingsrecht meer bestaat. Door de vrouw zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de man zijn vergoedingsrecht niet geldend kan maken.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank de vordering van de man op de vrouw van

€ 18.360,57 zal toewijzen.

Het bewijsaanbod

De vrouw heeft in haar verzoekschrift en verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken nader bewijs aangeboden van haar stellingen door alle middelen rechtens, in het bijzonder door middel van (aanvullend) schriftelijk bewijs en getuigen, waaronder zijzelf. De rechtbank zal het bewijsaanbod van de vrouw passeren omdat de vrouw haar bewijsaanbod niet concreet heeft gemaakt en de rechtbank de vrouw op de zitting al uitvoerig heeft bevraagd.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2017 te [plaats 1] ;

*

bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning aan de [adres] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten tot 1 maart 2027;

*

gelast de wijze van verdeling van de beperkte huwelijksgemeenschap als volgt, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:

met betrekking tot de woning, gelegen aan [adres] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening bij Florius (leningnummer [nummer] ):

1. de woning wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de vrouw aan de man binnen twee weken na de datum van deze beschikking drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren, waaruit de man er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de vrouw de woning zal overnemen;

b) de vrouw dient uiterlijk 1 januari 2027 aan de man aan te tonen dat zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;

c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;

d) de kosten van de notariële overdracht worden door de vrouw, als kosten koper, voldaan;

e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;

2) indien de vrouw de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de vrouw kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;

b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;

c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;

met betrekking tot de inboedel:

ieder van partijen behoudt de inboedelgoederen die hij of zij onder zich heeft zonder nadere verrekening van de waarde, met dien verstande dat de vrouw nog aan de man zal overhandigen een gouden ring die de man geërfd heeft, kleding van de man die mogelijk nog bij de vrouw aanwezig is en een oude ING-bankpas met een voor de man betekenisvol nummer;

met betrekking tot de gemeenschappelijke bankrekening bij de Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer] :

deze gemeenschappelijke bankrekening zal aan de vrouw worden toegedeeld, onder de verplichting tot de helft van het saldo per peildatum van 12 september 2025 aan de man te vergoeden;

*

bepaalt dat de man een bedrag van € 80.000,- aan de vrouw verschuldigd is ter zake de schuldbekentenis van 8 maart 2017;

*

bepaalt dat de vrouw een bedrag van € 18.360,57 aan de man verschuldigd is ter zake de uitkering van Nationale Nederlanden;

*

verklaart deze beschikking tot zover en met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, E.D.A. Geleijns en J. van Dijk, rechter, bijgestaan door mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 8 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »