Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-8911
Zaaknummer: C/09/695160
Datum beschikking: 8 september 2026
Gerechtelijke vaststelling ouderschap
Beschikking op het op 18 november 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[de moeder],
de moeder,
wonende in [land],
advocaat mr. C.H.C. Houben te Leiden.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.E. Vas te Rotterdam.
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats 1], [geboorteland],
de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. K. Moene, advocaat te ’s-Gravenhage,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.
Procedure
Bij beschikking van deze rechtbank van 4 december 2025 is mr. K. Moene voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
-
het verzoekschrift, met bijlagen;
-
het F9 formulier van 4 december 2025, met bijlage, van de zijde van de moeder;
-
het F9 formulier van 11 december 2025, met bijlagen, van de zijde van de moeder;
-
het F9 formulier van 17 december 2025, met bijlagen, van de zijde van de moeder;
-
het F9 formulier van 6 januari 2026, met het verslag van de bijzondere curator en andere bijlagen, van de bijzondere curator;
-
het F9 formulier van 7 januari 2026, met bijlage, van de bijzondere curator;
-
het F9 formulier van 8 januari 2026, met bijlage, van de zijde van de moeder;
-
het F9 formulier van 20 januari 2026, met bijlage, van de zijde van de moeder;
-
het F9 formulier van 20 januari 2026, met bijlage, van de zijde van de man;
-
het F9 formulier van 30 juni 2026 van de zijde van de moeder;
Op 28 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
-
de moeder via digitale verbinding, bijgestaan door haar advocaat;
-
de man;
-
mr. K. Moene, de bijzondere curator.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – :
-
een onderzoek van het DNA van de man en [minderjarige] door een deskundige te bevelen en de deskundige de vraag voor te leggen welke conclusie er aan de hand van zijn bevindingen moeten worden getrokken ten aanzien van het verwekkerschap van de man;
-
de man te veroordelen in de kosten van het DNA-onderzoek;
-
in het geval de man niet meewerkt aan het DNA-onderzoek hieraan de gevolgen te verbinden die de rechtbank gerade acht;
-
over te gaan tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man als vader van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats 1] ([geboorteland]) als zijn kind.
De man voert verweer, welke verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
De bijzondere curator acht het in het belang van [minderjarige] dat middels een DNA-onderzoek wordt vastgesteld of de man al of niet zijn biologisch vader is.
Feiten
-
Uit de moeder is geboren voornoemde minderjarige.
-
De minderjarige is niet erkend.
-
De moeder heeft van rechtswege het gezag over de minderjarige.
-
De moeder en de minderjarige hebben de Tanzaniaanse nationaliteit.
-
De man heeft de Nederlandse nationaliteit.
Beoordeling
Rechtsmacht
Omdat de man in Nederland woont heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht om te beslissen op het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man.
Toepasselijk recht
Op grond van artikel 10:97 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt of en onder welke voorwaarden ouderschap van een persoon gerechtelijk kan worden vastgesteld, bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van die persoon en de moeder of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar de persoon en de moeder elk hun gewone verblijfplaats hebben of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Het tijdstip van de indiening van het verzoek is hierbij bepalend.
De moeder heeft de Tanzaniaanse nationaliteit en de man heeft de Nederlandse nationaliteit zodat een gemeenschappelijke nationaliteit ontbreekt. Daarnaast hebben de man en de moeder hun gewone verblijfplaats niet in dezelfde staat. [minderjarige] is geboren in [geboorteland], maar woont nu in [land] met de moeder. De rechtbank zal daarom op grond van artikel 10:97 BW het Tanzaniaans recht toepassen op het verzoek, zijnde het recht van de staat de gewone verblijfplaats van [minderjarige].
Tanzaniaans recht
Uit de informatie van Vind Burgerzaken blijkt dat op grond van artikel 34 van de Law of the Child Act (hierna: LCA) het vaderschap gerechtelijk kan worden vastgesteld op verzoek van
-
het kind;
-
de ouder van het kind;
-
de voogd van het kind;
-
een sociaal maatschappelijk werker;
-
een ieder die er belang bij heeft mits speciale toestemming van de rechtbank.
Verder staat er in artikel 34 LCA dat het verzoek kan worden gedaan:
-
voordat het kind is geboren;
-
na het overlijden van de vader of de moeder van het kind;
-
tot het kind de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, of nadien mits speciale toestemming van de rechtbank.
Uit artikel 35 LCA volgt verder dat als bewijs van vaderschap wordt beschouwd:
-
elk huwelijk dat is gesloten overeenkomstig de ‘Law of the marriage Act’;
-
de naam van de ouder zoals opgenomen in ‘the Register of Births kept by the Registrar-General’;
-
het verrichten van een traditionele ceremonie door de vader van het kind;
-
openbare erkenning van het ouderschap; of
-
DNA-onderzoek.
Ook kan de rechtbank op grond van artikel 36 LCA gelasten dat de vermeende ouder zijn medewerking zal verlenen aan het DNA-onderzoek.
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 34 LCA is de moeder naar Tanzaniaans recht bevoegd een verzoek in te dienen tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap nu [minderjarige] de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt. De moeder is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Op de zitting is met partijen de noodzakelijkheid van een DNA-onderzoek besproken. Tussen partijen is niet in geschil dat zij gemeenschap met elkaar hebben gehad, zodat voldoende aannemelijk is dat de man de verwekker van het kind kan zijn. Het is in het belang van [minderjarige] dat wordt vastgesteld of de man al dan niet zijn biologische vader is.
De rechtbank acht een DNA-onderzoek, verricht door een laboratorium dat door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd aan de hand van de criteria genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17025 of de NEN-EN ISO/IEC 15189 en de aanbevelingen van de Paternity Testing Commission van de International Society of Forensic Genetics (FSI 2007), zoals op de zitting is voorgesteld bij Verilabs, noodzakelijk. Nu man heeft aangegeven bereid te zijn mee te werken aan het DNA-onderzoek bij Verilabs, zal de rechtbank na te melden onderzoek bevelen.
Kosten DNA-onderzoek
Tussen partijen is in geschil wie de kosten van het DNA-onderzoek moet dragen. Op de zitting is met partijen besproken dat nu de moeder de verzoeker is, zij degene is op wie de bewijslast rust. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank dat de moeder het voorschot voor de kosten van het DNA-onderzoek voor haar rekening dient te nemen. De voorschotnota voor de moeder zal gestuurd worden naar het adres van haar advocaat. Als na onderzoek blijkt dat de man niet de biologische vader van [minderjarige] is zal de moeder – als in het ongelijk te stellen partij – definitief worden veroordeeld in de kosten van het DNA-onderzoek. Als blijkt dat de man wel de biologische vader van [minderjarige] is, kan de definitieve kostenveroordeling anders liggen. De definitieve beslissing daarover houdt de rechtbank aan.
Als uit het DNA-onderzoek blijkt dat de man de biologische vader van [minderjarige] is, dan dienen de bijzondere curator en de man zich nog nader schriftelijk uit te laten over het verzoek van de moeder tot vaststelling van het vaderschap van de man.
De rechtbank zal in afwachting van de resultaten van het DNA-onderzoek iedere verdere beslissing ten aanzien van de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, waaronder ook de beslissing ten aanzien van de definitieve verdeling van de kosten van het DNA-onderzoek, pro forma aanhouden.
Beslissing
De rechtbank:
beveelt een onderzoek door een deskundige van het DNA van:
-
de man: [de man], geboren op [geboortedatum 2] 1979 te [geboorteplaats 2],
-
de minderjarige: [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats 1], [geboorteland],
en legt aan deze deskundige de vraag voor welke conclusie er aan de hand van zijn bevindingen moet worden getrokken ten aanzien van het eventuele verwekkerschap van de man;
benoemt tot deskundige die het onderzoek zal verrichten en de bovenstaande vraag zal beantwoorden:
- een deskundige verbonden aan Verilabs Nederland B.V., correspondentieadres: Oxfordlaan 70, 6229 EV Maastricht, (telefoonnummer 085-105 1415);
beveelt dat partijen binnen twee weken na de datum van deze beschikking telefonisch een afspraak maken met Verilabs;
bepaalt dat de deskundige zijn werkzaamheden pas behoeft aan te vangen nadat de moeder een voorschot ter grootte van € 9957 Bij behandeling ter terechtzitting: -aan partijen voorleggen dat deskundige het onderzoek pas aanvangt na storting door (een/ieder der) partijen -in de beschikking aan te wijzen- van een voorschot –met partijen het maximum voorscht bespreken. Na de zitting neemt de gerechtsecretaris telefonisch contact op met de deskundige om te vragen of de deskundige bereid id het onderzoek te verrichten en wat de begrote kosten zijn. Indien het kosten met partijen besproken maximum overschrijden moet nader (telefonisch) overleg met partijen plaatsvinden.,00 (inclusief BTW), heeft gedeponeerd – zulks als voorschot op de nader te bepalen kosten van het deskundigenonderzoek – en de griffier de deskundige van de ontvangst daarvan op de hoogte heeft gesteld; ter voldoening van het genoemde voorschot zal de moeder op het adres van haar advocaat een factuur ontvangen van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR); de moeder dient het factuurbedrag binnen drie weken na ontvangst van deze factuur door haar advocaat te voldoen;
223 lid 2 Rv: Er wordt geen voorschot opgelegd aan de partij aan wie een toevoeging is verleend
of aan wie het vast recht gedeeltelijk in debet is gesteld. OVERWEGING: “Nu aan de ... een
toevoeging is verleend (m.m.: het vast recht gedeeltelijk in debet is gesteld), zal ... terzake van het
deskundigenonderzoek geen voorschot worden opgelegd.” En hieronder ex art. 225 lid 3 Rv in
DICTUM het volgende bepalen - voor de betreffende partij of voor beide pp (het laatste i.p.v. de
bepaling tot betaling van het voorschot) -:
bepaalt dat de benoemde deskundige een schriftelijk, gemotiveerd en ondertekend bericht omtrent zijn onderzoek uiterlijk op 8 december 2026, vergezeld van zijn declaratie zal zenden naar de griffie van deze rechtbank, team Familie, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag;
bepaalt dat de griffier van deze rechtbank een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zendt;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap en de kosten van het deskundigenonderzoek tot 15 december 2026 pro forma aan.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 september 2026. |